is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 47, 08-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland 11111111111111111111 l

Wapengekletter en honger

Als predikant hoort men vele redenen, waarom men niet naar de kerk gaat. Tot de ernstigste daarvan behoort wel deze, die ik onlangs op huisbezoek hoorde: Er is zooveel wapengekletter en honger in de wereld, dat ik geen lust meer heb, om naar de kerk te gaan. Daaruit spreekt onverschilligheid tegenover de kerk, die zoo weinig kan of wil doen, om de wereld te hervormen en ook twijfel, gewekt door de tegenstelling van het kwaad in de wereld, in dit geval oorlog en armoede, en een goddelijk wereldbestuur. Deze gedachtengang, die niet naar de kerk heen, maar aan de kerk voorbij leidt, is heel begrijpelijk, maar daarom is hij nog niet juist.

Men kan wel in cijfers uitdrukken hoeveel warmte een kachel en hoeveel licht een lamp geeft. Maar de invloed der kerk op de menscheriharten is niet vast te stellen. In elk geval zal iedere historiekenner erkennen, dat de kerk door de eeuwen heen een beschavingsmacht van groote waarde is geweest. De schoone idealen en verheven beginselen van het Christendom, die vooral jonge harten sterk kunnen bekoren, hebben zeker velen tot vurige bestrijders van oorlog en armoede gemaakt, hoewel zij met de kerk en de godsdienst, waarin zij werden opgevoed, op later leeftijd braken.

Het is zeker onbegrijpelijk, dat in een wereld, waarin toch een goddelijke macht werkt, zooveel en zoo groot kwaad voorkomt; er is reden, om aan het Godsbestuur te twijfeien. Maar er is nog sterker reden, om ondanks alle bezwaren en raadselen in God te gelooven. Men komt bovendien niet, door argumenten tegen elkander af te wegen, tot geloof. Geloof is niet de slotsom van redeneering, niet de overwinning na debat. Geioof is geen oplossing van zware en duistere vragen, maar het is vertrouwen, dat door die vragen wel eens geschokt, maar niet gebroken kan worden.

Het is niet dwaas of tegenstrijdig, om in een wereld van wapengekletter en honger te luisteren naar orgelmuziek en Evangeliewoord. Niet om wapengekletter en honger te vergeten, maar om er ernstig over na te denken en ze van het verheven standpunt van het Christendom te beschouwen. In het Evangelie zien wij het klare, schoone licht van het ideaal van volkereneenheid en vrede, ook van een broederlijke en rechtvaardige menschengemeenschap, waarin ieder zijn dagelijksch brood in voldoende mate zal hebben. Kruis en zwaard liggen even ver van elkaar als N.- en Z.-pool; zij vormen een onverzoenlijke tegenstrijdigheid. Wie de Bergrede met zijn hart heeft gelezen, kan geen geweer afschieten en zelfs niet ter hand nemen.

De Schepper geeft ons de aarde met hare volheid, dezen zomer wel zeer rijk en schoon, en het is niet Zijn schuld, als er nochtans wapengekletter en honger zijn; het is de schuld van menschen en verhoudingen en toestanden, die door menschelijke begeerten en zonden beheerscht worden. Niet de schuld van een bepaalde klasse of een enkele oorlogszuchtige natie, maar aller schuld, ook van de christenen en de socialisten, al zou het alleen maar zijn, omdat wij niet moedig en vurig genoeg strijden om de wereld van wapengekletter en honger te verlossen. Door de kerk kan ook gesterkt worden het ver-

trouwen, dat wapengekletter en (honger niet zijn van alle tijden, maar dat op den

duur de goddelijke wil ook op aarde triumpheeren zal.

Hiermee zijn niet alle raadselen weggeredeneerd; er blijft een verborgenheid in de tegenstelling der heerschappij van zooveel kwaad op aarde en de werking van een goddelijke macht. Hier past ons dat treffende woord van Job:

„Zie, ik ben te gering; ik leg mijn hand op mijnen mond.”

Oeconomische oorlogsvoorbereiding

De moderne oorlog wordt niet tusschen legers maar tusschen naties gevoerd. Een groot deel der burgerbevolking werkt in oorlogstijd voor het leger. Het leger kan niet weerbaar blijven, als de burgerbevolking verzwakt en verhongert. De honger is de sterkste bondgenoot geweest der geallieerden en heeft hen geholpen, Duitschland op de knieën te krijgen. De oorlog werpt alle wetten omver, ook de eischen en beginselen van het kapitalisme. De wetten der menschelijkheid worden dan buiten werking gesteld, maar ook de wetten, die het maatschappelijk leven onder het kapitalisme beheerschen. Er is in de oorlogsjaren nog dieper in de vrijheid van het bedrijfsleven ingegrepen dan in deze crisisjaren. Men is voor militaire doeleinden met onteigening veel verder gegaan dan de wet in normale tijden in dienst van het algemeen belang toestaat. Door prijszetting en door de oorlogswlnstbelasting is de regeering opgetreden tegen al te groote opeenhooping van kapitaal. Om het heilige gezinsrecht bekommerde zij zich evenmin; zij dwong tot inkwartiering. Er kwamen huurwetten, waardoor de roomlaag voor de huisjesmelkerij niet al te dik werd. Men schreef moratoria uit voor het betalen van rente en de aflossing van schuld. De handel werd aan banden gelegd. Alles werd zoo geregeld, dat de oorlog met het beste succes gevoerd, althans zoolang mogelijk voortgezet kon worden.

Thans maakt men studie van de oeconomische oorlogsvoorbereiding, dat is niet alleen een voorbereiding, dat de industrie den oorlog zoo goed mogelijk zal dienen, maar ook, dat het leger en de geheele natie zoo goed mogelijk van voedsel voorzien zullen worden. Men komt er niet alleen met het vormen van voorraden, die bij langeren duur van den oorlog uitgeput raken, maar men wil maatregelen, dat de productiebronnen in het algemeen voldoende zullen opleveren voor militair en burger. Wat noodig is, schrijft dr. De Graaf in het militaire tijdschrift, „Mavors”, dat is een behoorlijk werkend productieapparaat.

Wij willen een behoorlijk werkend productiesysteem voor vredestijd, ondergeschiktheid van het persoonlijk aan het algemeen belang, maatregelen, dat in normalen tijd heel de natie verzadigd wordt uit de productiebronnen; wij willen dat niet, om zooveel mogelijk kracht in den oorlog te kunnen ontwikkelen, maar als eisch van rechtvaardigheid en menschelijkheid; wij willen productie en distributie regelen niet om overwinningen op het slagveld te behalen, maar om de honger en het gebrek te verslaan. Wij willen ons sterk maken niet tegen den vijand van over de grenzen, maar den binnenlandschen vijand van persoonlijke winstmakerij met haar nasleep van ellende en onrecht. Wij willen maatregelen van dezelfde strekking, om de volkskracht te dienen, maar richten ons daarbij niet op den oorlog, maar op den vrede.

Liefde voor den vrede en geestdrift voor de weermacfit

Een kastelein kan oprecht gemeend uitvaren tegen dronkaards, die zichzelf en hun gezinnen ongelukkig maken. Hij kan streng weigeren alcoholische dranken te schenken aan klanten, die reeds onder den invloed zijn. Hij kan niets liever zien dan matigheid, die de grenzen van gezelligheid, vroolijkheid en fatsoenlijkheid niet overschrijdt. Maar als hij zijn flesschen en kruiken en vaten beschouwt, dan moet toch wel eens de lastige gedachte bij hem boven komen: Werk ik niet in de hand het kwaad, dat ik veracht en betreur? Een eerlijk antwoord op die vraag kan voor hem niet geruststellend zijn.

De militaire medewerker van de N.R.Ct. kan heel enthousiast over ons leger schrijven, in bijzonder over de manoeuvres. Dan rekent hij alle harten naar zijn eigen en prijst de jongens, die zoo ferm en flink, zoo opgewekt en geestdriftig hun militairen dienst verrichten en zeker eens met hart en ziel zullen willen strijden voor koningin en vaderiand. Maar tevens verafschuwt hij den oorlog en de superbewapening en den onwil der regeeringen, om te Genève samen te werken. Hij heeft den vrede lief, maar is vol geestdrift voor onze weermacht.

Maar daarbij getuigt hij toch ook van zijn vredesidealisme en hij meent dit even oprecht als de kastelein zijn afkeer van dronkenschap. Wat moeten we echter volgens hem doen tegen den onwil der regeeringen, om samen te werken tot behoud van den vrede en tot afweer van den oorlog? Hij geeft dit zonderlinge antwoord:

„In de eerste plaats onze verdere militaire verzwakking stop zetten.” Dit doet denken aan een kasteiein, die zich keert tegen vervroeging van het uur van sluiten, tegen tapverbod van sterke dranken op bepaalde dagen of uren of strenger nog tapverbod van alle alcoholhoudende dranken en die zoo tegen alle beperking van het vergunningsrecht is, omdat hij de drankellende zoozeer betreurt. De liefde voor den vrede bij dezen militair-journalist wil geen algeheele nationale ontwapening, integendeel, dat verdere militaire verzwakking stop gezet zal worden.

Natuurlijk heeft onze weermacht alleen een verdedigend doel. Maar dat geldt van iedere weermacht en versterking daarvan. Engeland gaat een geweldige luchtmacht bouwen, om zich, zoo noodig, tegen het gevaar uit de lucht, dat uit Duitschland kan opkomen, te beschermen. Frankrijk is tot de tanden gewapend, omdat het zijn Oostelijken buurman wantrouwt. Duitschland wil gelijke rechten op bewapening als andere volken, omdat het een aanval vreest, een oorlog tegen hem, den zwakke, om een oorlog van hem, den sterke, te voorkomen. Hitler en Mussolini zelfs spreken op hun beurt woorden van liefde voor den vrede en waarschuwen tegen den oorlog. Met dat al voert deze vredelievendheid ons zeker naar een nieuwe oorlogshel.

Elke afwijking van een absolute verwerping van allen oorlog en dus ook van den eisch van nationale ontwapening is een stap in de richting van den oorlog, dien men niet wil. Het groote oorlogsgevaar in dezen tijd is niet gelegen in de vele, inderdaad ernstige tegenstellingen en conflicten tusschen de staten, maar wel in hun bewapening en den drang, om die al sterker te maken. Wie stroo en spaanders en petroleum bij elkaar brengt, moge al geen brandstichter willen worden, maar hij vermeerdert het brandgevaar en straks slaan de vlammen eruit. J. A. BRUINS.