is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 47, 08-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IJ,* • I I I L I i Her nieuwe geneesmiddel tegen de armoede

Naast andere oorzaken, als de minachting voor een vaderlijke, autoritaire regeering, de instorting van een sterk centraal bestuur over de plaatselijke besturen, de verwarring van den Burgeroorlog, de uitbreiding van den handel en de verplaatsing der industrie uit de middeleeuwsche steden naar het platteland ziet Tawney ook in de Puriteinsche zedeleer een oorzaak voor de verandering der sociale politiek na 1650.

De meest verheven leer kan niet ontkomen aan haar eigen schaduw. Hoog noodig was de prediking dat de Christen zijn leven moest leiden in een ijverig volbrengen van zijn persoonlijke plichten, maar zij verviel maar al te gauw tot de opvatting, dat daarnaast en daarboven geen sociale plichten meer bestonden. Hoe juist was de prediking, dat het individu zelf verantwoordelijk is, dat niemand zijn broeder kan zalig maken; maar hoe licht leidt dat tot de opvatting, dat niemand voor de maatschappij verantwoordelijk is, dat niemand zijn broeder kan helpen; dat de maatschappelijke orde niet de stellage is waarop men hooger kan klimmen, maar iets uiterlijks en onverschilligs, op zijn best onverschillig voor het geestelijk leven en op zijn ergst de sfeer van de letter die doodt. Deze valsche tegenstelling tusschen de sociale organisatie en het leven des geestes, beheerschte het Engelsch godsdienstig leven gedurende de twee volgende eeuwen. Zij hief den godsdienst ten troon in het particuliere terrein van de individueele ziel, met zichtbare voldoening over zijn afstand doen van de maatschappij.

Het individualisme in den godsdienst leidde onmerkbaar, zoo al niet logisch, tot een individualistische zedelijkheid en deze weer tot totale miskenning van de maatschappij in vergelijking met het persoonlijk karakter.

Het groote voorbeeld hiervan is de houding tegenover het pauperisme. Op geen enkel terrein van het maatschappelijk leven is duidelijker geworden dat nieuwe sociale deugden op het Puriteinsche aambeeld zijn gesmeed. In de Middeleeuwen had Thomas Aquinas, typeerend voor dien tijd, de gedachte voorgestaan, dat eigendom eigenlijk rentmeesterschap is, en daaruit o.a. de niet altijd getrokken conclusie afgeleid, dat het doodzonde is, geen aalmoezen te geven in dringenden nood.

Nog in de zestiende eeuw, toen het toenemend individualisme de traditioneele opvatting bedreigde, had Latimer het sociale karakter van den rijkdom verkondigd: „de armen”, zoo preekte hij, „hebben recht op de goederen der rijken; de rijke moet den arme laten deelen van zijn rijkdom om hem te helpen en te troosten.” De Engelsche staatslieden der 16de eeuw ontwierpen een stelselmatige ondersteuning der armen in de Armenwet van koningin Elizabeth. Zij kwamen tot het inzicht, dat de economische nood en niet enkel persoonlijke luiheid de oorzaak der armoede was. Tot aan den Burgeroorlog dwongen zij de vaak onwillige rechters haar uit te voeren, maar tijdens de anarchie van den burgeroorlog raakte zij geheel in verval en na de restauratie in 166 Q bleef dit verval. Bovendien was toen de openbare heerschende meening totaal gewijzigd omtrent de sociale leer, die de oorsprong was geweest van particuliere liefdadigheid en van overheidssteun. Anders dan de geestelijken en staatslieden der 16de eeuw zag men nu, evenals de vrienden van Job, in maatschappelijke

ellende niet de kastijding der liefde, maar de straf voor zonde. De straffen tegen de vagebonden werden verdubbeld en de godsdienstige leiders drongen meer aan op de plicht tot arbeiden dan op de plicht der liefdadigheid. De opkomst der commercieele beschaving, de reactie tegen de sociale politiek der Tudors, en de vooruitgang van de Puriteinsche beweging in den middenstand, versterkten de bestrijding van het aalmoezen geven, die reeds door de hervormers was begonnen. Het grootste kwaad is de luiheid, en de armen zijn het slachtoffer, niet van de omstandigheden, maar van hun eigen luie, ongeregelde en slechte gewoonten. De beste liefdadigheid is niet, de armen te verslappen door steun, maar hun karakter zóó te hervormen, dat steun overbodig wordt.

Weinige streken van het gewoon gezond verstand zijn wonderlijker dan de naïeve psychologie van den zakenman, die zijn welslagen toeschrijft aan zijn eigen zelfstandige, door niemand gesteunde inspanning, in lieftallige onbewustheid van een maatschappelijke orde, zonder wier voortdurende steun en waakzame bescherming hij zou zijn als een lam, blatende in de woestijn.

Deze individualistische gezindheid is een goed deel van hare zelfbewustheid verschuldigd aan de Puriteinsche opvatting, dat succes in zaken zoowel het teeken als de belooning is van zedelijke voortreffelijkheid, want „vroomheid heeft de belofte van dit leven en het toekomende.”

De bewering, dat armoede en gebrek een bewijs zijn van slecht gedrag, hoewel een zonderlinge commentaar op het leven van Christelijke heiligen en wijzen, is altijd geliefd bij de welgestelden. Door de krachtige plutocratie van 1688, die brulde om buit en niet ongenegen was om haar desnoods van God af te smeeken, werd zij met luid gejuich verwelkomd.

Een maatschappij, welke de verwerving van rijkdom als het hoogste geluk eerbiedigt, zal natuurlijk geneigd zijn om de armen te beschouwen als verdoemd in de volgende wereld, al was het alleen maar om zichzelf te rechtvaardigen, omdat zij voor hen het leven in deze wereld reeds tot een hel maakt. Voor den landeigenaar, die de armenbelasting vervloekte en voor den textielfabrikant, die morde over de hooge loonen van zijn arbeiders, bracht deze godsdienstleer nu de welkome verzekering, dat de zedelijkheid zelve zou worden bevorderd door beide te verlagen.

In een beroemde passage van het Kommunistisch Manifest zegt Karl Marx, dat de bourgeoisie, waar zij oppermachtig werd, een eind heeft gemaakt aan alle feodale, patriarchale en idyllische verhoudingen, en onbarmhartig alle veelkleurige, feodale banden heeft verscheurd, die de menschen met hun „natuurlijke meerderen” verbond; en geen andere band tusschen de menschen liet bestaan dan het naakte eigenbelang en de gevoellooze betaling in baar geld. Op bijzonder interessante wijze wordt deze stelling toegelicht in de werken der Engelsche economische schrijvers van 1660 tot 1700 over de fabrieksarbeiders. Zij zijn veel hardvochtiger jegens het nieuwe fabrieksproletariaat dan omstreeks 1600 het geval was; zij zijn in den modernen tijd enkel te vergelijken met het gedrag van de slecht bekende blanke kolonisten jegens de gekleurde arbeiders. De klachten over de weelde, trots en luiheid van de Engelsche loonarbeiders der 17de en 18de eeuw zijn bijna

precies gelijk aan die over de hedendaagsche Afrikaansche inboorlingen.

Hun gevolgtrekking was dat lage loonen en hooge prijzen voor de lagere klassen gewenscht waren, omdat zij anders toch maar vervielen tot drankmisbruik en andere uitspattingen. De bisschoppen en filantropen waren er vast van overtuigd, dat de zedelijke gebreken der armen de eenige oorzaak der armoede waren; en geheel anders dan in de 16de eeuw weigerden zij te erkennen, dat de maatschappij zelve verantwoordelijk was voor de oorzaken der ellende.

Het scherpst is dit uitgedrukt door Arthur Young: „ieder, die geen idioot is, weet dat de lagere klassen in den staat van armoede moeten gehouden worden, want anders zullen zij nooit arbeidzaam worden.”

Het eindresultaat van deze algemeene opvatting werd de Armenwet van 1834. Deze beperkte het recht van den arme op steun zooveel mogelijk; zij gaf hem geen vast werk, want dat zou hem maar brutaal maken, maar stopte hem in een werkkring of verbeterhuis, en vermeerderde de vraag naar arbeid door loonsverlaging.

Billijkheidshalve echter moet men naast deze grove fouten van de Puriteinsche zedeleer ook wijzen op de ontzaglijk groote bijdrage, die het Puritanisme geleverd heeft aan de zaak der staatkundige vrijheid en van den socialen vooruitgang.

De grondslag der democratie is het besef van geestelijke onafhankelijkheid, dat den enkeling in staat stelt om alléén stand te houden tegenover alle machten ter wereld. De deugden van ondernemingsgeest, vlijt en spaarzaamheid zijn de onmisbare grondslagen voor elke samengestelde en krachtige beschaving. Het Puritanisme heeft ze bekleed met een bovennatuurlijke wijding en ze daardoor van een onsociale buitensporigheid veranderd in een vaste godsdienstige gewoonte. En ook onder de Puriteinen zijn er vooraanstaande personen geweest die aan hun zedelijke strengheid paarden een diep besef van sociaal gemeenschapsgevoel. Vooraan stonden de Kwakers, die in dien tijd van bijna absolute scheiding tusschen godsdienst en sociale moraal opkwamen voor het zuiver geweten in zakendoen en op den algemeenen plicht om zijn broeder in nood op eervolle wijze te helpen. Bellers, een dezer Kwakers, is een eeuw later geprezen als vader zijner leerstellingen door niemand minder dan Robert Owen, den grooten, socialistischen fabrikant. J. KEULEN.

Boekbespreking llllllllillllNlUlll

Zelf tuinieren, door A. J. Herwlg; Meulenhoff-editle. 1933.

Het aantal werkjes, dat tuin- en plantenliefhebbers ten dienste staat, heeft zich de laatste jaren wel sterk uitgebreid. En toch, hoevelen zijn er nog, die van hun tuintje niets meer weten te maken dan een stijf hoekje zonder enige fleur of een prutserig geheel van veel kleine perkjes met een overvloed van doelloze paadjes en smakeloze opsiering in de vorm van kabouters, beeldjes, e.d. Met wat kennis van de grond en de planten en wat goede smaak valt er heus, ook bij uiterst beperkte middelen en ruimte, heel veel moois te bereiken.

Het bovengenoemde werkje is voor tuinllefhebbers een goede raadgever. Het behandelt niet alleen de verschillende soorten planten, die in de tuin gekweekt kunnen worden, maar ook wat men in bepaalde gevallen zal kweken en hoe de tuin ingericht kan worden. In aparte hoofdstukken bespreekt de schrijver de grondbewerking en -verbetering, de bemesting, het verplanten en snoeien en ten slotte de voornaamste beschadigingen en ziekten der planten en hetgeen daartegen te doen valt. Jammer, dat vrijwel geen aandacht geschonken wordt aan wilde planten en de mogelijkheden, die juist deze bieden voor een smaakvolle tuinaanleg, die haast niets behoeft te kosten. Overigens een goede handleiding. S. Br.