is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 47, 08-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KASTANJES

In stille moarn en net it minst biwegen. En net in stim dy troch de dize giet;

Allinne dript, ut beammen lans de wegen, Yn ’t giele leaf it treasteleaze liet.

It libben, yn al inger rounte sletten, Ebbet en gliidt de rest yn, deade-stil.

Eft ek it bange bounzjen fen us herten Yn ’t selde ritme sliepend stjerre scil?

De dize dript den, op ’e stille strjitte.

Knappe kastanjes en de fruöht springt bleat.

Mocht sa üs siele üt lichems hoalling sjitte En gldnsgjend iepenboarste yn ’e dead!

ƒ. H. BROUWER.

(Üt ~ln string Persen”.)

De morgen stil, en zonder ’t minst bewegen;

er gaat geen stem zelfs door het nevelgrijs.

Alleen verdrupt, uit bomen langs de wegen, in ’t gele loof een troosteloze wijs.

Het leven, in al kleiner kring besloten, ebt en verglijdt tot dood-verstild bestaan.

Zal ook het bange bonzen onzer harten in ’t zelfde ritme slapend sterven gaan ?

De nevel drupt dan, op de stille straten knappen kastanjes en de vrucht springt bloot.

Mocht zó de ziel uit lichaatns huls ontschieten en glanzend openbarsten in de dood.

GARMT STUIVELING.

(Naar het fries van J. H. Brouwer.)

Een Friesche boerenroman

R. Brolsma Saté Humalda I)

Misschien is dit boek geen roman. De schrijver noemt het zelf een verhaal uit het Friesche boerenleven omstreeks 1890. Het boek bestaat uit drie verhalen, die op zich zelf een geheel vormen en ook afzonderlijk uitgegeven zijn. Op die manier wil de uitgever voor geringe prijs goede literatuur onder het Friesche volk brengen.

De drie verhalen vinden hun eenheid in de personen, die beschreven worden. Het eerste „Fen it Hegelan” (Van het Hooge land) beschrijft het weeldeleven van een rijke boerenfamilie, de Humalda’s, op de hooge Friesche zeeklei ten Noorden van Leeuwarden. De jonge boer Arjen Anema, getrouwd met de oudste dochter van Humalda, doet er volop aan mee. Het is een leven van marktreizen, kermissen, harddraverijen en boerenbruiloften. Maar daar is reeds de dreiging van de groote landbouwcrisis, die diep in de zeventiger jaren begon. De boerentrots handhaaft het weeldeleven tot het uiterste toe. Op dat punt is er een groot verschil met thans. Het is destijds in Friesland meermalen voorgekomen, dat boeren reclameerden tegen te lage belasting; ze wilden de schijn van rijkdom tot het uiterste bewaren. En in die tijd geen organisaties.

‘) Uitg. Brandenburgh en Co., Sneek, 400 blz. Prijs ƒ3.75; de afzonderlijke verhalen ingen. /0.60.

geen steunmaatregelen, niets van dat alles.

Met de Humalda’s gaat het bergafwaarts, met de Anema’s evenzoo. Een voornaam „boereboelgoed”, dorpsfeest op zich zelf, plaatst de boerderij met haar bewoners nog eenmaal in het centrum der belangstelling; de Humalda’s gaan met hun beide dochters naar de stad (Leeuwarden), waar het beetje geld, dat er nog over was, verloren gaat met een groentezaakje. De boerin kwijnt weg, de oude Humalda slijt zijn laatste levensjaren In het Diaconiehuis. De beide dochters gaan dienen en trouwen; Jannie met een postbode; Bet met een timmerman. Beide worden opgenomen in het omhoogstrevende proletariaat, dat zich in die jaren begon te organiseeren.

De familie der Anema’s gaat naar Amerika, uitgezonderd Arjen. Bij duizenden zijn ze in die jaren gegaan. Het was de uitweg voor het verarmende platteland, vooral voor diegenen, die energie genoeg hadden om het avontuur in de vreemde met de lokfcing van het geluk te verkiezen boven de schande en de armoede van het eigen land. Wederom een verschil met de tegenwoordige crisis; destijds, voor wie nog een beetje geld had, Amerika als uitkomst; voor de allerarmsten Duitschland. Hoeveel Friesche arbeiders, thans grijs en af gebeuld, hebben in hun jonge jaren niet een hondenleven gehad in de Westfaalsche melkstallen! Wat thans de werkverschaffing is, was toen Duitschland. De ouderen

weten er genoeg van mee te praten.

Arjen Anema en Aafje zijn vrouw, eens de trotsche erfdochter van Humalda, gaan niet naar Amerika. De dwingende kracht van de vrouw, die niet van de andere Humalda’s wil scheiden, is te groot; de energie der Humalda’s om het in de vreemde te wagen, te gering.

Zoo komen Arjen en Aafje terecht aan de zeedijk, in een klein huisje, waar hij vischt en strandjut. Daar in de eenzaamheid, het uitzicht belemmerd door de hooge dijk, waarachter de zee bij storm raast en dreigt, dagenlang in de mist omsloten, kwijnt de dochter van Humalda, Arjen wordt stil en gesloten; de eenzaamheid krijgt hij lief, en toch niet zonder haat, als hij met de eerste scharen der Friesche socialisten, toen nog onder leiding van Domela Nieuwenhuis, optrekt naar Leeuwarden. Aafje kent slechts de haat tegen al wat daar eenzaam is om haar heen wat haar trekt is slechts Humalda, en om haar familie verkiest zij de stad boven de stilte.

Dan komt de donkerste periode uit hun leven, het tweede verhaal, Salmsteich (Zalmsteeg). Arjen wordt eerst arbeider op de „stroofabriek”, ’t droevigste arbeidersslavenleven dat mogelijk is. Aafje is uit de eenzaamheid vandaan, maar toch nog eenzamer tusschen de stadssteegbewoners; innerlijk vreemd ook aan de beide zwagers: de „post”, die hooger op wil; de timmerman, die met zijn vader behoort tot de eerste socialistische beweging in Leeuwarden.

Op de fabriek houdt Arjen het niet uit. Als op een zomeravond de geur van versch hooi doordringt tot in de Zalmsteeg, dwaalt hij, de boer, naar buiten Tijdens de Leeuwarder kermis helpt hij. bij het inen uitspannen van de paarden en ontvangt fooien van wie eens zijns gelijken waren. En als een dier boeren in halfdronken overmoed hem een fooi wil geven bepaald bestemd voor zijn vrouw, Aafje Humalda, slaat hij er op los en is even later verdwenen in het kermisgewoel. Voortaan mist Arjen alle houvast, hij wordt kroeglooper, en verdient weinig; alle energie is weg. Treffend teekent Brolsma het paupersleed in de strenge winter van 1890—’91 in Friesland.

Het derde verhaal heet: de Bouwers.

Door familiebemiddeling zijn Arjen en Aafje met hun kinderen nu terecht gekomen op een klein boerenbedrijfje. In tegenstelling met zoovelen konden ze in de stad nimmer wennen. Boerentrots? Hun leven begint opnieuw, geheel van onderen op. Ontzettend hard werken, dag en nacht, man, vrouw en kinderen. Uitnemend teekent Brolsma hier het leven van de kleine boer; met welk een fijne pen schetst hij de kleine zorgen en vreugden van het bedrijf men leze eens het gedeelte, dat vertelt van de dood van het drie-jarig paard maar hoe ligt over dit alles als een zware druk de voortdurende zorg om het bestaan.

Maar zij winnen, zij bouwen. De tijd is hun mee, de o zoo langzaam opgaande tijd na 1890. Daarnaast de opkomende arbeidersbeweging, onder leiding van Brolsma’s vroegere dorpsgenoot Troelstra. Deze beweging gaat Arjen niet achteloos voorbij. Niet als vele andere boeren staat hij er vijandig tegenover. De leider spreekt op het dorp; Arjen is de eenig aanwezige boer. De spreker schildert het arbeidersleven en wijst de weg tot betere toestanden.

Arjen Anema, de boer, vraagt ook het woord. De arbeiders roepen honend: geen boer aan het woord! Maar toch bömt hij aan het woord. Hij vertelt van zijn eigen