is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 49, 22-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rechtszaak van Philippe Vernier

De 31ste Juli j.l. werd te Marseille de kandidaat in de theologie Philippe Vernier voor de tweede maal door de krijgsraad wegens dienstweigering veroordeeld. Het oordeel luidde dit keer: twee jaar; de eerste, reeds ondergane, straf was één jaar. Als Vernier op zijn stuk blijft staan, liggen er nog twintig gevangenisjaren vóór hem. De fransman blijft n.l. tot zijn vijf en veertigste jaar dienstplichtig en de wet stelt toekomstige geestelijken niet vrij en kent evenmin burgerlijke dienst voor wie weigeren uit gewetensbezwaar.

Dit geval interesseert ons. In de eerste plaats omdat de aard der gewetensbezwaren hier zo duidelijk aan den dag treedt en wij zien, hoe het officiële Frankrijk daarop reageert. In de tweede plaats om de argumenten, die hierbij zowel in de rechtszaal als in de pers (ook van rel. soc. zijde) ter tafel worden gebracht.

Elie Gounelle betreurt n.l. in het Juli—Aug. nr. van zijn „Christianisme Social”, dat theologen niet van de militaire dienst zijn vrijgesteld. Hij acht sommige beroepen onverenigbaar met het wapenbedrijf; zij maken den mens er psychisch ongeschikt toe, zoals anderen physiek ongeschikt zijn. Het prediken van het evangelie zou een dergelijk beroep zijn. Dit lijkt op de houding van den rechter, die Vernier aanried zijn afkeuring van geweld tot de prediking te beperken. Vernier antwoordde: „Als ik verraderlijk handel, heeft mijn woord geen waarde meer.” Dit zij ook tot Gounelle gezegd: Is prediking van het Christendom onverenigbaar met het oorlogsbedrijf, dan is het Christendom zelf dat ook en is m.a.w. ieder Christen „psychisch ongeschikt”.

Alle getuigen, o.a. verschillende predikanten en ook de verdediger, de rel. socialistische prof. André Philip zagen in Vernier’s houding de drang tot gehoorzaamheid aan God. Deze maakte hem de krijgsdienst geestelijk en dus lichame-

lijk onmogelijk. Dom of doortrapt antwoordt hierop de rechtbank: „De individuele gewetens moeten zich buigen voor het kollektieve geweten”. Waarom dom of doortrapt? De demokratie erkent het kollektieve geweten als een hoog goed en bedoelt daarmee de groeiende algemene opinie, door middel waarvan de wereld geleid wordt. Maar nooit tracht ware demokratie daarmee het geweten van de individu te dwingen. Zij gelooft dat de individu door de waarheid dier algemene opinie bekeerd zal worden. En deze algemene opinie is niet gelijk aan de mening der meerderheid, maar zal daarentegen vaak in minderheden het verst ontwikkeld zijn.

André Philip sprak hier van Hitlerisme, en terecht. Het zijn deze valse redeneringen met iets aantrekkelijks voor de oppervlakkigen uit alle kampen, die het huidige duitse systeem misschien nog meer typeren dan zijn onmenselijke praktijken.

Verachting van het persoonlijk geweten spreekt ook uit het verzoek aan een getuige om invloed op Vernier uit te oefenen. Deze antwoordde: „Wij zijn niet gewoon te bemiddelen tussen de individuele gewetens en God”.

Wijst dit nu op anarchisme? Zo meende de rechtbank en ook Gounelle’s bezwaren gaan in deze richting. Vernier zal stellig in de gevangenis in volkomen vrede met God leven, zo meent hij, maar dat konden ook soldaten in de loopgraven! Kan Vernier het echter in de loopgraven? Neen. Dat anderen het wel konden, hetzij door gebrekkig inzicht in het wezen van deze oorlog, hetzij door een geheel innerlijk gericht zijn, waardoor sommigen alleen indirekt maar op zeker óók onontbeerlijke wijze de wereld verder helpen, doet niet ter zake. Als Gounelle hier zijn protestantisme wil handhaven, moet hij de eis dat ieder in eigen gemoed ten volle verzekerd zij, aanvaarden.

Verder wijst Gounelle er op, dat God klaarblijkelijk de verdeling in landen, die voor de inwoners vaderlanden zijn, wil. Wie nu dit vaderland weigert te verdedigen, weerstreeft Gods bedoeling. Als de Zwitserse religieuze socialist Ragaz hem dan ook schrijft; „Vernier betekent meer voor het heil van Frankrijk dan generaal Weygand en de legers” begrijpt hij dit, maar geeft het niet toe. Wederom: een netelige zaak. Hoort b.v. Elzas-Lotharingen tot het door God gewilde franse vaderland? Hoort de Saar ertoe? Bepaalt de taal de grenzen van het vaderland? Hoe dan met tweetalige landen als België, hoe met de vele dialekten?—Wij staan aan de zij de van Ragaz. Deze verwerpt opportunistische bezwaren als „een leger zonder socialisten wordt het kapitaal tot een wapen”, maar propageert tegenover de „totale oorlog”, die van geen enkel „vaderland” iets over zal laten, de volstrekte oorlog aan de oorlog en wel met geestelijke middelen. Hij ontkent de mogelijkheid om tussen aanvals- en verdedigingsoorlog te onderscheiden.

Wij geven Vernier niet toe, dat er altijd konflikt is tussen de wil van de staat en die van God veel zuivere gemeenschapswil kan in de staat werkterrein vinden maar wel zien wij het konflikt in dit geval. Het is er n.l. steeds waar de staat zich niet langer gebrekkig werktuig tot hogere doeleinden weet, maar zichzelf tot doel verklaart. Dit staatsabsolutisme is verering van iets eindigs, onvolkomens en dus heidens.

We zijn dankbaar dat Vernier al deze dingen weer eens klaar doet zien aan de wereld, aan de kerk. Door steeds nieuwe getuigenissen zal die kerk haar „tegenwoordige lafheid” (Gounelle) ten opzichte van nationalisme en oorlog moeten overwinnen. Als Gounelle dan ook hoopt dat de kerken eindelijk „de apostelen der geweldloosheid”, „de dwazen van de zachtmoedigheid en de vrede” zullen gaan beschermen, is de eerste eis, dat wij ons onvoorwaardelijk achter de dappere franse kandidaat scharen. J. KALMA.

De Joodse kolonie in de Wieringermeerpolder

Groen en veilig ligt het land van Noord- Holland achter z’n brede zeedijk. De weilanden aan de horizon wazig door Septembernevels, de boerderijen groot en vredig tussen de oude bomen. Ver weg schuift een stampende machine door de akkers, waar de meeuwen in een blanke zwerm op neerstrijken.

Dicht bij het dorp Winkel zetten we even onze fietsen in een greppel langs de weg en klimmen naar boven. En daar, aan de andere kant van de dijk in grote vakken tere tinten, ligt het nieuwe land uit naar de horizon.

Spoedig bereiken we de brug die de polder in voert; de brugwachter in z’n keurig huisje geeft ons de laatste inlichtingen over de weg en dan trekken we het beloofde land binnen.

Een klinkerstraatweg loopt tussen droge sloten vol lila zee-astertjes. De zee-aster is de nationale plant van de Wieringermeerpolder; op de nog niet in kuituur gebrachte akkers groeit ze als hei op de Veluwe. Maar ook is er het grasland, het vee, als aan de overzijde van de dijk en de boerenbehuizingen onder felrode daken. Nieuw, gloednieuw, die indruk ook al zag men het reeds eerder maakt het

land nog steeds. Als kwamen huizen en dunne boompjes zo uit een reusachtige Neurenberg-doos.

i Ondertussen zien we ijverig rond naar : wat mogelik de kolonie kan zijn die we ; zoeken —de inlichtingen waren niet altijd ! duidelik of juist.

Maar na een paar kilometer zien we een kompleks van enige barakken om een hoger gebouw, dat er uitziet als de direktieketen van de Zuiderzeewerken, die hier en daar nog aan het vroegere werk herinneren.

Het blijkt juist, en op ons verzoek worden we naar het hoofdgebouw gebracht, waar de leider van de kolonie, dr. Lubinsky, zo meteen bij ons zal komen.

In de kleine kamer waar wij wachten werkt de administrateur zijn boeken bij; een van de timmerlui is bezig aan een buro, met raad en daad bijgestaan door de typist. Buiten gaan de melksters in overall met bussen voorbij; door een open raam klinkt het harken van grint; zo is hier alles in de weer en hebben we al een eerste indruk van het kolonieleven, als dr. Lubinsky ons in zijn kamer noodt.

Het doel van de kolonie en wie hier zijn? De leden, plm. 120 in getal nu, zijn

allen Duitse vluchtelingen, hetzij ze rechtstreeks hierheen kwamen, of al enige tijd in ons land vertoefden.

Velen zijn Zionist, niet allen echter; de gehele kolonie leeft ritueel, hoewel slechts 10 pet. van ouds de wet hield. We moeten de leider toegeven dat het heel wel doenlik is om, niet ritueel geleefd hebbend, het hier wèl te doen, maar dat het omgekeerde geval niet mogelik is.

De vroegere beroepen zijn voor het merendeel die van kooplieden en intellektuelen w.o. veel studenten in een verhouding van 2 tot 1, in het kort een weerspiegeling van de Duitse Joodse wereld.

Door verschillende landen wordt er financiële hulp geboden. Daar het verblijf in de kolonie voor de leden tevens leertijd is, moeten zij een bepaalde som betalen, die ook door een Duitse Joodse organisatie gestort kan worden, indien een lid zelf niet daartoe in staat is. De opbouw wordt gesteund door Hollanders; Engelsen en Amerikanen bekostigen werktuigen en machines. Zo leven Joden over de hele wereld mee met het lot van deze kleine kolonie.

Het uitzicht voor de meesten hier is onzeker. Zowel de politieke toestand als de arbeidsmarkt moeten de plannen bepalen van hen, die na twee jaar leertijd hier, als volwaardige arbeidskrachten hun weg in