is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 49, 22-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denken en doen

Dit is de tijd van de daad. Daden zijn het, waarom de vermoeide menigte vraagt en waarvan de leiders dier menigte spreken. Zeker is er ook een afwachten te zien van wat misschien gebeuren gaat, maar als men ergens geloof in heeft, dan is het in ~de daad die redt”.

Zodra de gebeurtenissen snel en heftig het leven der volken beroeren, wordt de drang tot daden algemeen en acuut. Wie zich verbonden voelt met een groep of een volk of een wereld in nood, verneemt bij elke nieuwe schok de stem die om zijn daden vraagt. Handelen, ingrijpen, bijspringen wil ieder die zich voor het geheel verantwoordelijk weet.

De vraag is: heeft in een grote nood, die om leniging vraagt, ook het denken nog zin? Is het verantwoord, wanneer sommigen zich afzonderen uit het gelid van de strijders om te denken over hetgeen zijzelf en de anderen doen? Een eerste onderscheiding, die voor het antwoord moet worden gemaakt, is die tussen het denken over de gemeenschap en haar nood, en dat over andere dingen.

Het laatste staat op één lijn met het a-sociale handelen. Wij zien, dat in de diepste collectieve nood kunstenaars een tijdeloze schoonheid beleven en enkelingen gelukkig zijn in het leven met de natuur. Zo zijn er ook denkers, die op eenzame hoogten onverstoord hun werk doen, terwijl rondom hen een wereld op instorten staat.

Het kan waar zijn, dat dezen op hün manier de gemeenschap dienen. Maar zeker is dat niet, en zij onttrekken zich toch aan de strijd van het ogenblik. Kunnen wij hun leven als zin vol zien in tijden van nood? Het antwoord hangt af van ons geloof in de veelvormigheid van het leven. Er ligt in het vrijwillig dienen een hoge betekenis, maar het is verkeerd te menen, dat alles ergens toe dient of dat behoort te doen. De

korenbloem dient nergens toe, hij staat daar maar enkel te zijn tussen het brave nuttige koren, dat er misschien ook niet eens is om nuttig te zijn. Het leven leeft en heeft duizenden loten, en de een is niet minder goed dan de ander. Is het met mensen niet evenzo?

Toch vermoeden wij in dit alles wel een bedoeling en aanvaarden wij niet alle leven zoals het is. Maar de bestemming van de korenbloem is nooit, een aar te vormen en nuttig te zijn. Al wat wij van hem mogen verwachten is, dat hij een goede en gave korenbloem wordt. De eenzame kunstenaar, de natuurmens en de denker voldoen aan hun bestemming als zij, zoals Goethe zegt, „worden wat zij zijn”. Dat wil zeggen, als zij zich ontwikkelen tot wat in hun wezenlijke kern besloten ligt. Die wezenlijke kern ligt naar ik geloof dieper dan de eigenschappen van het karakter, die lang niet alle volledig te aanvaarden zijn. Misschien moeten we hier spreken van de geest, misschien van de ziel. Maar hoe dat ook zij, ons aanvaarden van het losgemaakte, niet direct aan de gemeenschap gebonden leven en denken hangt af van de vraag, of wij geloven in de veelvormigheid van het leven en in de eigen wezenlijke bestemming van ieder mens.

Wij, die ons verantwoordelijk voelen voor de gemeenschap, willen dus indien wij dit geloof bezitten —■ ook het niet sociale denken aanvaarden, en geloven dat het een zin heeft. Maar des te gereder aanvaarden wij het denken over de gemeenschap en haar nood. Behalve dat het de bestemming is van degenen die er toe geroepen zijn, heeft dit denken ook een functie in het leven van de gemeenschap, zelfs wanneer dat leven katastrofaal verloopt en er alleen behoefte schijnt te bestaan aan ingrijpend, reddend handelen.

Het is mijn bedoeling in enkele artikelen, na deze rechtvaardiging van het denken op zichzelf als levensbestemming, de functie van het ~sociale denken” te benaderen. Dit sociale denken bestrijkt een ruimer gebied dan men misschien vermoedt. Het

houdt zich bezig met de maatschappij, en de maatschappij is een geheel van betrekkingen tussen personen en groepen. Die betrekkingen kunnen van economische, juridische en politieke aard zijn en dan vormen zij wat men populair onder het „sociale leven” verstaat. Er zijn echter ook onderlinge betrekkingen van geestelijke en culturele aard, die met de andere onafscheidelijk zijn verbonden.

Het sociale denken nu omvat het hele leven der gemeenschap als zodanig. Het tracht te doorvorsen, hoe dit leven zich ontwikkelt als geheel en in zijn schakeringen. Welke functie het zelf in die ontwikkeling verricht, is een vraag waarop wij in de volgende artikelen het antwoord zullen zoeken. F- KUIN.

rr»r»ïsr»rl riOpay anUa-f I IClal lU

Arnhem staat op ons lijstje van abonné’s eenzaam c de enige plaats waar onze groei onafgebroken voortgaat! Het geheim? Daar zit éen man, die alsmaar dóór werkt, week na week. Mèt z’n helpers.

Ziehier zijn recept: 1. maak een potje (van kleine bijdragen van geestverwanten).

2. neem een aantal kwartaal abonnementen, b.v. 10. 3. breng de kranten in huizen waar ze horen, als wéékabonnement, zo nodig voor 5 cent per week (zie 1.). 4. organiseer mèt je leden, lezers en weekabonné’s T. en T. avondjes.

5. resultaat: na drie maanden worden je weekabonné’s niet alleen kwartaal abonné’s, maar ook werkers. 6. dan zet je nieuwe weekabonnementen uit b.v. 30. 7. resultaat: de boom wordt hoe langer hoe dikker.

8. Extra propaganda maanden heb je niet nodig, want je maakt voortdurend propaganda. O zo! Wie volgt?

de wereld moeten zoeken en op veel vragen kan dr. Lubinsky ons geen uitsluitsel geven.

Naar het werk vragen wij; dat hier gedaan werd. Behalve de land- en tuinbouw, de veeteelt, worden er ook ambachten geleerd. Timmerlieden en smeden kunnen hier hun vak leren. Allen werken ze in groepen onder een bedrijfsleider. Want het werk moet inderdaad de arbeid van een vakman zijn. Is het dilettantenwerk, aldus de leider, dan kunnen wij, vooral gezien het grote aanbod van arbeidskrachten in deze tijd, net zo goed niets doen. Ook is gebleken dat men na zijn 25ste of 26ste jaar moeilik nog een geheel ander beroep kan leren. Dan is de geest gevormd en staan de handen op een bepaalde manier. Toch zijn er enkele ouderen in de kolonie, die zich ook een nieuwe loopbaan moesten kiezen.

Doch de grootste moeilikheden zijn dit nog niet. . Wij moeten, zo zegt dr. Lubmsky, uit de enkele beroepen die ons volk beoefent, het weer terugvoeren naar alle, die een land nodig heeft om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Een bevolking van enkel kooplieden, dat is iets onmogeliks. Daarom moeten wij ook weer ambachten leren ondanks deze gemechaniseerde tijd, en vooral een uitweg trachten te zoeken voor de intellektuelen, wier waarde als zodanig

sterk gedaald is; een probleem trouwens, dat zich niet alleen bij ons, maar over de hele wereld voordoet.

En dan, wie een keer een duitse Jood is, blijft het.’ Ook al vestigt hij zich in Brazilië of Zuid-Afrika. Dit is het, waar het op aan komt: als het geboorteland hen een keer uitgestoten heeft en zij al weer onder een ander volk met andere zeden en gewoonten hun bestaan moeten zoeken, toch het eigene te bewaren en een vaste levenshouding te vinden.

Die woorden blijven ons bij wanneer we even later de kolonie doorlopen: de smederij, juist in gebruik genomen, waarvoor alles zelf vervaardigd werd onder het primitieve afdak, de timmerwinkel, de schuur, geurig van de grote hooischelf, in vroeger maanden ook de werkplaats voor de timmerlui, de bijenkorven en broeibakken, de slaapkamers en de gemeenschappelike eetzaal. In het laatste verblijf hangt ook het plan, dat nu nog maar voor een klein deel is uitgevoerd: alle gebouwen rond het grote gemeenschapshuis waarin ook een zaal als synagoge zal worden ingericht.

Zo trachten zij, die van oudsher in ballingschap moesten gaan, zich hier weer een eigen plaats te scheppen, zij het ook tijdelik en als doorgangsoord. Buiten ligt het rustige land, zon overscihenen herfstig stil onder een enkele roep van de mensen, wier werk gemoedelik

en bedrijvig z’n gang gaat. Voor het oog is er niets dat doet denken aan wat komt, noch herinnert aan het geen mogelik was: verschrikking en vernedering.

Geen die er van spreekt. Op zijn best rept men er van in enkele bedekte termen op een voorzichtige vraag. Inderdaad, te erg om van te spreken.

En toch, als wij onze gids vragen naar zijn toekomstplannen, dan, ja, dan noemt hij onder de mogelikheden toch ook de terugkeer naar zijn vaderland. Want, en nu komt ons levend tegemoet wat wij eens al lezend ervoeren in dat sobere maar verschrikkelike relaas van Heinz Liepmann; „Das Vaterland”, het is en blijft het eigen land. Niets wat dat veranderen kan. Overal zullen zij trachten hun leven voort te zetten, daar alleen zijn zij tuis. Niettegenstaande alles wat het vaderland hun aan deed, roept het hun toch. Omdat zij het waarachtig liefhebben.

Misschien dat zij eens kunnen keren. Misschien dat sommigen van hen als Zionist mogen bereiken, wat hun elders in de wereld niet vergund werd. Misschien moeten zij steeds verder trekken.

Als dan maar de hoop vervuld wordt van de leider dezer kleine nederzetting hier: ondanks ontworteling en verdrukking door de wereld .volledige mensen te wezen, die de tradities van hun volk onverslagen verder dragen. F. MEYER.