is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 2, 08-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Beperking en verzwakking van het eigendomsrecht

ünchen heeft bewezen, dat praten beter ’ is dan schieten, zelfs in het land, waar menige redevoering veel lijkt op tromgeroffel en kanongebulder. In de gehele wereld is ontspanning gekomen; bevrediging is nog iets anders. De regerende machten en de volkeren zijn meer door vrees voor de oorlog, dan door liefde voor de vrede teruggeschrikt. Door het wonderinstrument der radio hebben we in onze stUle kamer, in een dorpje ver van de wereld der grote dingen, geluisterd naar de redevoeringen van drie grote, oude mannen. Ohamberlain, die niet alleen bedacht geweest is op het behoud van de wereldpositie van het Britse rijk, maar zeker ook bewogen is door zijn verlangen om de nood en dood van millioenen te voorkomen. Colijn, die als een verstandige grootvader ons allen een woord van geruststelling toesprak en bovendien vermaande, ons goed te gedragen. De Paus, oud, droef en moe, wiens woord deed denken aan de laatste prediking van den apostel der liefde, Johannes: Kinderkens, hebt elkandren lief! Wij hebben een uitbarsting van heldenverering gezien, geen zwaardhelden, maar vredesvorsten, Chamberlatn voor de Engelsen, Daladier voor de Fransen, Mussolini voor de Italianen en Hitler voor de Duitsers. Het zullen echter zwaar gewapende vredesvorsten blijven; zij zullen het zwaard niet als oudroest wegwerpen, maar op zijn kracht meer vertrouwen dan op elkanders woord. We hebben ook de waardeloosheid ener nationale weermacht voor een kleine staat gezien. Ohamberlain heeft het duidelijk gezegd, dat Engeland zich niet om een kleine staat in een wereldoorlog zou storten. Het zou het zwaard alleen trekken, indien een mogendheid door geweld de wereld dreigde te gaan overheersen. Indien Tsjechoslowakije zich als natie ontwapend had, zou het niet erger lot hebben getroffen dan thans; misschien had het dan wel een redelijke en rechtvaardige oplossing der Sudetenduitse kwestie kunnen vinden, toen deze nog mogelijk was. Een kwestie, die deze jonge staat na de geboorte bedreigde als een speld in de kleertjes van een baby in de wieg. En de Volkenbond stond bij dit alles verslagen en verlegen als een moeder, wier jongens elkander te lijf willen gaan. Al zijn de beslissingen te München onbevredigend, toch dienen overleg en bespreking het recht en de vrijheid beter dan oorlogsgeweld. Welke diensten heeft de wereldoorlog aan de democratie, de wereldvrede en het recht der kleine naties bewezen? Hebben recht en vrijheid in Europa door de oorlog een ruimere en betere plaats gekregen?

Men zal het den binnenlandsen overzichtschrijver niet kwalijk nemen, dat hij thans zijn ogen even laat gaan over onze grenzen; men kan niet zwijgen over wat onze aandacht zo sterk trok en ieder uur tot denken en spreken dwong. Ook in ons land is wel een en ander gebeurd, dat overwogen mag worden. De grote meerderheid heeft de gedachte aan een mobilisatie, die zeer nabij scheen en een oorlog, die voor ons land wel niet kon uitblijven, zonder grote opwinding aanvaard; men beschouwde een en ander als een kwaad, dat men als wellicht onafwendbaar zou moeten ondergaan. De lelijke hamsterbegerigheid bewijst, dat het besef van nationale saamhorigheid zelfs bij ernstig dreigend gevaar nog gering is. Er zijn vele bedestonden gehouden, waarbij getuigd werd van vertrouwen in God en gehoorzaamheid aan Christus; maar de consequentie van dit vertrouwen en deze gehoorzaamheid, het afwijzen van alle oorlogsgeweld, dat immers met geest en beginselen van het Evangelie geheel in strijd is, bleef bijna zonder uitzondering uit. Met het ene oog naar het Kruis opzien en met het andere ■zijn geweer op een medemens richten, is toch niet mogelijk.

„Den Haag” bleek zeer snel te kunnen wer-

ken, als de nood aan den man komt. Men stelt wel eens de resolute en snelle beslissing van één man tegenover de lange weg, die de democratie af legt, om tot een eindbeslissing te komen. We leven in een tijd van het snelle tempo; de wijsheid, dat langzaamheid zekerheid en veiligheid beduidt, is ouderwets geworden. „Haastige spoed, zelden goed” is een leuze uit de trekschuitwereld. Wij hebben voor de snelheid alles over en maken de verkeersweg tot een slagveld met hulpposten, van het Rode Kruis-teken voorzien. De langzamer bedachtzaamheid van Ohamberlain heeft het de vorige week gelukkig van de spoed van Hitler gewonnen. De democratie kan echter ook snel werken en handelen, als de nood daartoe dringt. We denken aan de verschillende noodwetten, die de vorige week door ons parlement zijn aangenomen. Dat zou een dictator niet sneller hebben kunnen doen. En het waren toch allerminst onbeduidende wetten, die alleen maar formele betekenis hebben. Bij toepassing zouden ze diep ingrijpen in het eigendomsrecht. De regering kreeg daartoe de macht, verschillende verplichtingen op te leggen en vorderingen te doen.

Op last der regering zullen in tijden van oorlog en oorlogsgevaar ondernemingen en bedrijven gedwongen kunnen worden, geëiste veranderingen in hun productie aan te brengen. De regering zal het vormen van bepaalde voorraden kunnen gebieden; zij kan ook voorraden, die gehamsterd zijn, in beslag nemen. Zij kan boeken, bescheiden enz. van ondernemingen laten Inzien en onderzoeken. Zij kan bedrijven geheel of gedeeltelijk naar elders laten overbrengen. Zo heeft zij ook in de jaren van 1914 tot 1918 paarden, trekhonden een deel van de oogst opgevorderd; zij heeft prijzen vastgesteld, gerantsoeneerd en gedistribueerd; zij heeft weiland laten scheuren om het gebrek aan voedingsmiddelen te bestrijden en vele maatregelen genomen naar de gezonde regel, dat het algemeen belang zwaarder weegt dan het particuliere. Zonder die maatregelen zou de nood der massa nog veel groter zijn geweest en de winsthaaien nog veel meer kwaad hebben gedaan. Die noodmaatregelen zijn niet altijd doeltreffend geweest of waren zelfs soms geheel onvoldoende. De natie is nu eenmaal gewoon, dat ieder voor zichzelf zorgt; de gemeenschapsgedachte heeft in de bestaande maatschappelijke orde geen goede bodem om te groeien en sterk te worden. Ook geldt van het nemen en toepassen van dergelijke noodmaatregelen, dat men al doende leren moet. Niettemin hebben deze maatregelen in de oorlogsjaren veel goed gedaan.

De spoedwetten, de vorige week door onze regering ingediend, steunen ook op de gedachte, dat het eigendomsrecht beperkt en verzwakt mag worden, als het algemeen belang dit eist. Vroeger werd door de vrijzinn'gdemocraten veel gesproken over uitholling van het eigendomsrecht; hoe meer een boom uitgehold wordt, des te spoediger zal hij vallen. Het strenge Romeinse persoonlijke eigendomsrecht is inderdaad al meer uitgehold; de pachtwet heeft ook weer een stukje uit de stam gekapt; de ordeningswetgeving doet hetzelfde. In de onteigeningswet wordt allang erkend, dat een eigenaar gedwongen kan worden zijn grond, zelfs zijn huis, tegen vereoeding af te staan, als het gemeenschapsbelang dit eist. Eigendom in de strenge zin verdwijnt steeds meer; men spreke liever van bezit, dat aan allerlei voorwaarden en beperkingen gebonden is. Dat is een ontwikkeling van privaat naar publiek eigendom. Oorlog en oorlogsgevaar doen zelfs een conservatieve regering als de huidige, maatregelen nemen tegen het eens voor onaantastbaar geldende persoonlijke eigendomsrecht. Dat zal het kapitalisme, het winstsysteem, waaronder wij thans werken en leven en velen in nood verkeren, ook steeds meer doen; men heeft het daarom zijn eigen doodgraver genoemd. Boven het kapitalistisch belang staat het gemeenschapsbelang, dat op de duur ook het sterkste

zal blijken te zijn. In de Ver. Staten is eens de leuze aangeheven: Laat het volk de trusts bezitten, opdat de trusts niet het volk bezitten! Zo leidt het kapitalisme door de verwarring en de nood, die het veroorzaakt, tot de vorming van nieuwe eigendomsverhoudingen; niet de tijdelijke nood van buitengewone tijdsomstandigheden alleen, maar de voortdurende nood van de kapitalistische periode holt het persoonlijke eigendomsrecht al verder uit.

Het zal niet snel en plotseling geschieden, zoals wij eens verwachtten. De historie werkt langzamerhand en geleidelijker, dan wij. wel Ufillen en wensen.

De pacifisten staatsburgers van mindere rang

n Duitsland beschouwt men de pacifisten

als de vijanden van staat en volk en worden ze als misdadigers vervolgd. Ze zijn uit het openbare leven uitgeroeid, hun verenigingen zijn opgeheven, hun geschriften zijn verboden, ook Remarque’s „Van het Westelijk Pront geen Nieuws” is verbrand en de film mag niet meer gedraaid worden. Geen Duitser mag meer de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst nemen. Zo erg is het in ons land nog niet. Men kan echter ook arm worden, zonder plotseling een groot verlies te lijden, maar door zachtjesaan voortdurend te verarmen. Zo zijn wij ook armer geworden aan vrijheid; telkens zijn er ons de laatste jaren brokjes van ontnomen. Wij mogen op 1 Mei niet meer met een rode tulp in ons knoopsgat lopen en de Radio-Contróle-Commissie staat dadelijk klaar met een: Hou je mond!

Op de nieuwe lijst van verenigingen, die voor ambtenaren verboden zijn, staan de voornaamse pacifistische verenigingen, alsof Nederland onder het Hitlerbewind leefde. Het is dus positief christelijk om niet voor de vrede te ijveren. Men kan het ook zo zeggen: is dus positief christelijk, om niet voor de vrede te ijveren. Niet alle verboden verenigingen staan op het standpunt der nationale ontwapening, maar zonder onderscheid zijn ze verboden voor ambtenaren; de pacifisten zijn daarmee tot staatsburgers van mindere rang verklaard; ze zijn ongewenste burgers. De volgende verenigingen staan op de nieuwe zwarte lijst:

Kerk en Vrede; Algem. Ned. Vrouwen Vredesbond; Int. Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid; Jongeren Vredes Actie; Alg. Ned. Vredes Actie; Kath. Jongeren Vredes Actie; Ned. Sectie van de „War Resisters International”; Vrienden van India.

De regering, die Gods wil en wet tot richtsnoer neemt en die maar niet zo’n beetje vaag en algemeen, maar echt en zuiver en stellig christelijk is, acht hen, die in de geest van het christendom de oorlog bestrijden, ongeschikt om de staat als ambtenaar te dienen.

De strijders voor de vrede worden uitgeworpen door de belijders van den Vredesvorst!

J. A. BRUINS.

BOEKBESPREKING

Kurban Said: „AU en Nino”. Uitg. Van Holkema & Warendorf N.V., A’dam, 1938. 318 blz.

Dit buitengewoon fris geschreven en goed vertaalde boek is het lezen alleszins waard. Het speelt in de landen rond de Kaspische Zee, vóór, tijdens en na de wereldoorlog en schildert ons het ontstaan van de republiek Aserbeidsjan. In Bakoe, de petroleumstad, ontmoeten Oost en West elkaar en dat wordt in deze roman als het ware gesymboliseerd door de ontmoeting van AU en Nino, de beide hoofdpersonen.

Ali, het kind van Azië, met zijn liefde voor de onafzienbare steppen en woestijnen, zijn trouw aan de Oosterse zeden en gebruiken. Zijn Mohammedaanse geloof.

Nino, de Georgische prinses, die de bossen liefheeft, een Westerse opvoeding heeft genoten en in het Christelijke geloof is grootgebracht. De schrijver toont ons de onvermijdelijke conflicten, die de ontmoeting van deze beide jonge mensen te weeg brengt, de schier onoverbrugbare kloof tussen Oost en West. En dat doet hij op een wijze, die in ’t geheel niet diepzinnig of zwaar op de hand is, maar wèl geestig en raak. Een door en door gezond boek! L. W.—S.