is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 2, 08-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want zalig zijn die nimmer zijn ontweken en weerloos stonden in den regenval;

zij zijn het die, bevloeid door alle beken, rijpen en vruchten dragen zonder tal.

Want zie, zij zullen groeien en gedijen en door den tijd niet minderen in kracht, maar stil zich spreidend als de bosaardbeien

de grond bedekken met hun zoete dracht.

Zij worden bij het einde niet te schande, als een geschonden rijk zijn vonnis beidt; en zullen zich als 'onvermoeide handen

opheffen, als de handen aller standen en aller volken zijn ontkracht.

RAINER MARIA RILKE. Verf. M. H. van der Zeyde.

Het mirakel dat geen wonder was

Naar aanleiding van „Pater Malachius’ Mirakel”, door Brian Doherty.

Om meer dan één reden verdient de openingsvoorstelling van het Nederlands Toneel onze bijzondere aandacht. Niet omdat het stuk zelve een litteraire prestatie zou zijn of de opvoering een artistieke daad, maar terwiiie van het probleem en zijn oplossing. Laat Doherty de handeling plaats hebben in onze tijd, mirakel en ongeloof, geloof en wonder zijn van alle tijd. Hierin ligt de betekenis van het stuk en zijn veraanschouwelijking.

De Italiaanse monnik Malachius komt om de Gregoriaanse koorzang te verbeteren te Edinburgh. Tegenover de kerk, in een stille, afgesloten straat, bevindt zich een derderangs dancing, die den kanunnik een grote bron van ergernis is. Pater Malachius maakt kennis met den Anglikaansen geestelijke Hamiiton, die ' als modern theoloog niet in wonderen gelooft. Er ontwikkelt zich een twistgesprek, waarin Malachius op zich neemt een wonder te verrichten door de dancing weg te laten vliegen naar een plaats, die Hamiiton bepalen mag. Inderdaad ziet Malachius kans het wonder te verrichten en de dancing dertig mijl verder neer te laten komen op een eenzame rots in zee. Nu stelt hij alles in het werk om op deze klip een kapel te stichten en er een bedevaartsoord van te maken. De eigenaar van het danshuis maakt van de sensationele gebeurtenis echter gebruik om zijn „paiais de danse” geheel te moderniseren en het op Kerstnacht te openen. Malachius, geheel ten einde raad, omdat zijn wonder niets geholpen heeft en den mensen het geloof niet heeft teruggebracht, besluit na afloop der Kerstmis' zelf naar de Bass-rots te gaan ter bekering der aanwezigen. Als zijn woorden geen succes hebben, knielt hij neer en bidt God om uitredding, waarop de dancing weer naar zijn oude afgelegen straat terugvliegt.

Wie meent, dat Malachius het wonder verricht ais protest tegen de dans, heeft het mis. De kanunnik is degene, die beweert, dat het dansen meer ellende heeft veroorzaakt, dan de zeven hoofdzonden bij elkaar. Volgens Malachius’ uitspraak heeft de dancing er niets mee te maken. „Is eigenlijk de H. Mis ook niet een dans op het rhythme der Gregoriaarse muziek?” Malachius trekt te velde tegen het ongeloof, maar hij begaat de theologische fout ongeloof gelijk te stellen met geen geloof in

wonderen. Tegen de opvatting van den dominé keert hij zich, dat er heden ten dage geen wonderen meer gebeuren, en dat men derhalve sceptisch heeft te staan tegenover wonderen die ons verhaald worden in het Boek, welks inhoud is samengesteld uit „overleveringen van ongeletterde vissers en boeren”. In zijn naïef idealisme meent Malachius, dat de mensen zullen gaan geloven als er een wonder geschiedt. Het wonder geschiedt en de ellende is niet te overzien: het wordt een sensatie voor de pers, reden tot proces-verbaal wegens huisvredebreuk voor de politie, brengt een verwijdering tussen het verliefde paar en tenslotte vraagt de eigenaar schadevergoeding en maakt daarna de Bass-rots tot dé attractie van Schotland.

Er is hier geen sprake van een wonder. Op zijn hoogst van een mirakel, en pater Malachius heeft geen recht deze „hemelse krachttoer” te vergelijken met Lazarus’ opwekking uit de doden b.v. Wat wij hier te zien krijgen is een spectaculair wonder op expressionistische wijze ten tonele gebracht. En de schrijver maakt ons ondubbelzinnig duidelijk, dat een dergelijk mirakel (in ’t stuk zelf wordt steeds van wonder gesproken!) geen waarde heeft. Wie indertijd Shaws St. Joan zag, zal zich onmiddellijk het verschil bewust worden. Daar is sprake van een „seelisch” wonder, van bekering, yan het luisteren naar de innerlijke stemmen, van de trouw aan Gods geboden. Bezield door haar opdracht, is Jeanne zelf het wonder.

De toverdaad. van pater Malachius is slechts een mirakel en geen wonder, omdat hij geen geloofsontroering wekt bij zijn ongelovige toeschouwers, die, verwend door de techniek als zij zijn, juist voor een door de lucht vliegend huis wel het minst gevoelig moeten wezen! De sfeer van het wonder, van het geloof, dat wat onmogelijk is bij mensen, mogelijk is bij God, is in het drama van St. Joan bij voortduring aanwezig. Niets daarvan ervaart men echter in Pater Malachius’ Mirakel, waar soms maar met moeite het peil bewaard blijft, waarop wonderen worden verondersteld te geschieden. Schijnbaar bevat Doherty’s „mirakelspel” geen oplossing. Maar wat is de oplossing anders dan deze hemelse humor en goddelijke correctie om de dancing weer op zijn oude plaats terug te brengen?

Zoals al werd opgemerkt Is het een stuk zonder veel letterkundige waarde of theologische diepgang. De humor nadert een enkele keer schrikbarend de triviale gein. De zeven taferelen zijn vaak meer vertelde prentjes, dan dat ze door vorm en gedachte belangrijke dramatische momenten zijn.

Van der Lugt maakte van Malachius een eenvoudlgen, In wezen toch dlepgevoellgen, sympathleken pater, al maakte hij soms wel wat een al te seniele indruk. Prachtig toneelspel gaf hij samen met Van Gasteren, den dogmatisch strengen kanunnik, en Van Dalsum als den eplcurlstlschen blsschop. Het fijn afgewogen samenspel van deze drie spelers Is een staaltje van de beste toneelkunst en vormt feitelijk het hoogtepunt van het stuk. De regie was te slap, hetgeen tegenwoordig tot een veel voorkomende fout wordt, wanneer de regisseur tevens de hoofdrol speelt.

STEVEN DE JONGE.

Bij hef vers van Rilke

De gebeurtenissen van de laatste weken, ontstellend ook voor wie het lot van onze wereld niet optimistisch Inzag, moeten bij velen de twijfel hebben doen rijzen, of er voor deze graaiende Westerse beschaving, bereid tot alle gruwelen ter wille van macht en bezit, niet In staat tot een offer voor recht en menselijkheid, meer bezorgd cm koffie en thee dan cm de nood van den naaste, nog een toekomst mogelijk kan zijn.

wij kunnen een algemene oorlog niet anders zien dan als het einde; maar het Is de vraag of een op deze wijze geredde vrede veel anders betekent. Toch zal deze planeet doorgaan te draaien, toch zullen mensen doorgaan te leven, ook als het ergste gebeurt: „een” toekomst zal er altijd zijn. Het Is ons onvoorstelbaar hoe die toekomst wezen zal. Maar dit kunnen wij weten: dat het klemmen aan machtsposities en materieel bezit, aan comfort en aan ogenblikkelijke persoonlijke veiligheid, de wereld en ook ons eigen dierbare hachje alleen maar naar de ondergang voert. Vruchtbaar, productief kan alleen nog die geesteshouding zijn, die dit alles durft loslaten.

Zo ligt er diepe wijsheid en misschien voor sommigen ook diepe troost In het dichterwoord, dat Ik hierbij in vertaling tracht weer te geven. Het hoort tot een reeks gedichten, die In 1903 al! de ondergang van deze demonische beschaving voorspellen en In zekere zin zelfs oproepen; maar tegenover die ondergangsprofetle staat de zaligspreking van hen, die aan die beschaving geen deel hebben, „de armen”, zoals Rilke zegt. Dat hij daarmee niet de proletariërs, nog minder de paupers bedoelt, spreekt de dichter overduidelijk uit. Eer nog zal men zijn bedoeling benaderen, door te herinneren aan het Evangeliewoord over de „armen van geest”.

Een moeilijk te begrijpen woord. Ik weet ook niet of de verklaring, die er van gegeven wordt, de juiste Is, maar rijk aan zin Is zij zeker. Arm van geest, wordt daar gezegd, Is leder, die niet klemt aan bezit, niet krampachtig vast wil houden de vele dingen, die tussen hem en het eeuwige staan. Arm van geest 13, wie niet angstvallig voor zichzelf de kwade kansen zoekt te ontlopen, wie niet door kleln-menselljke belangenkwesties wordt af gehouden van de wezenlijke dingen. Armen van geest zijn, wie In eenvoud en zwijgen gehoor-, zaam zijn aan de grote geestelijke wetten.

Wanneer wij ergens vruchtbaarheid van mogen hopen In deze geschonden wereld, dan van déze ~armoede”, die daarom zallggesproken wordt, dwars tegen alle kortzichtige wereldwijsheid In.

Ralner Marle Rilke behoorde tot de Duitse minderheid In Tsjechoslowaklje. Zijn poëzie dankt zeker voor een deel haar rijkdom, zijn geest haar diepgang aan een hartverheugende verbinding van Duitse en Slavische trekken.

M. H. VAN DER ZEYDE.