is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 2, 08-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TROUW

In het hoofdartikel van Tijd en Taak van 24 Sept. j.l. breekt dr. Banning een lans voor de Trouw, die ons in een ontredderde trots alles, op onze gewone dagelijkse post doet blijven. En als de ontmoediging over ons komt en wij ons afvragen, of het nog zin heeft ons werk te doen, zegt hij: „Onmiddellijk weet ik, zoal niet hèt, dan toch een antwoord: de zin van ons werk in dit uur blijft de trouw. Vanmorgen gaan de duizenden opnieuw naar hun dagelijks werk in de fabriek, op het kantoor, in de school; het raderwerk van het maatschappelijk leven draait voort, neemt ons mee, eist ons op. Het is maar een dóódsimpele wijsheid, helemaal niet groots, niet wereld-hervormend en nog minder revolutionair de wijsheid, dat wij nu in strenge trouw ons werk hebben te doen.”

Ik kan dit alles geheel onderschrijven, ook om de economische noodzaak dier duizenden, die zich schrap zetten om niet uit het lood geslagen te worden en die trouw hun dagelijkse arbeid willen blijven verrichten, zolang hen de mogelijkheid daartoe niet wordt ontnomen.

Maar er zijn gevallen, waarin het woord ~trouw” ook vervangen zou kunnen worden door een minder mooi woord n.l. ~ontoegankelijk”. En als dr. Banning zegt in verband met de getijden der Benedictijnen in het nabijgelegen klooster in het Derde Rijk, die zijn blijven weerklinken zonder onderbreking en zonder afleiding „op de plaats waar wij staan, blijven staan in trouw, het is niet romantisch-opvallend maar wel rustig-dapper, bewijs van karakter”, dan dringt zich dat woord „ontoegankelijk” aan mij op. Of getuigt het niet van ontoegankelijkheid, getijden en gebeden in regelmatige cadans te blijven prevelen, alsof er niets in de wereld gebeurt, zelfs als die wereld in brand staat en, zoals vlak in de nabijheid van dit klooster, recht en gerechtigheid met grenzeloze bruutheid worden vertreden.

Het is juist die rustige rust, die ik in mijn brochure ~Kerk van Christus, verbreek Uw rust!” beschreef, en die mij telkens weer verbijstert. Die onverstoorbare rust, die niet verbroken schijnt te kunnen worden, al zou aUes in de wereld ineen storten. „Zo hebben de kerken zich niet van de wijs te laten brengen door oorlogsdrift en volkerenhaat, maar te getuigen in onverzwakte kracht van Gods eisen van gerechtigheid en liefde” aldus dr. Banning.

Wat het eerste betreft, ach zij laten zich door niets ter wereld van de wijs brengen, althans de Kath. kerken niet en wat het tweede betreft, n.l. het getuigen van Gods eisen van gerechtigheid en liefde, hiermede gaan zij inderdaad trouw voort, behalve... wanneer oorlog en bewapening in ’t geding komen zo ze al niet hun sanctie er aan geven, dan zwijgen zij er over.

Ik vraag mij af, waar blijven de katholieke en protestantse kerk in Duitsland, die voor de aanranding en de waarden van het Evangelie zo moedig en offerbereid in het strijdperk traden tegenover het hakenkruis-rijk, nu in datzelfde rijk de oorlogsfakkel weer wordt aangestoken? Hier staat nog oneindig veel meer op het spel; oorlog is niet alleen een aanranding van het Evangelie, doch de algehele verkrachting ervan en hiervoor in het krijt te treden door de kerken, in de wereld van nu, betekent de schoonste en hechtste trouw aan de eisen van den Meester.

Zeker heeft het zin, trouw op z’n post te blijven in gewone dagelijkse, zowel als geestesarbeid en de trouw, waarmede Karl Barth en anderen op hun post blijven en in een verscheurde wereld trouw blijven strijden voor het behoud der eeuwigheidswaarden, voor het recht van individu en gemeenschap, dwingt eerbied af en betekent steun en sterkte voor de wankelmoedigen, maar de trouw, waarmee men mechanisch doorgaat te bidden en brevieren te lezen zonder meer ook in de tijden van hoogspanning in het internationaal gebeuren, waarvan het lot van millioenen mensen kan afhangen, zonder dit alles op zich te laten inwerken, zonder zich de zielerust te laten benemen, dit is geen trouw meer, maar onverantwoorde ontoegankelijkheid.

B. BULSING—V. BESOUW.

De vroomheid van Woodbrooke

In de afgelopen zomer hield de vereniging van oud-Woodbrookers haar jaarlijkse reunie in Barchem. Er werden verschillende lezingen gehouden. Een er van lijkt mij van bizonder belang voor de leden en vrienden van de Hollandse vereniging van Woodbrookers met haar werkverbanden. Zij werd gehouden door dr. H. G. Wood, dien men als den geestelijken leider van Woodbrooke kan beschouwen en had tot titel: De getuigenis van Woodbrooke (The witness of Woodbrooke).

Het komt mij voor, dat de titel, die ik boven dit artikel plaatste, beter nog de inhoud weergeeft. Dr. Wood gaf zijn lezing feitelijk als een beschrijving van de vroomheid, wil men, het godsdienstige type, van prof. Rendel Harris, den eersten leider van Woodbrooke, die er zijn stempel op gezet heeft.

Was het bescheidenheid, was het dankbaarheid, dat hij zo deed? In feite gaf hij een beschrijving van het godsdienstige ideaal, waarnaar Woodbrooke streeft. Ik zal trachten, kort de inhoud van zijn lezing weer te geven. Daarbij volg ik den spreker niet, in zoverre hij de te noemen trekken beschreef als die van de vroomheid van Rendel Harris. Ik beschrijf de vroomheid van Woodbrooke, wat dr. Wood toch feitelijk ook deed. De lezer wil wel bedenken, dat hij slechts de voornaamste gedachten verneemt en het belangrijkste eigenlijk mist. Daartoe behoorde zeker de ontroering, waarmee de lezing werd uitgesproken.

1. Als eerste trek is te noemen het christocentrische der godsdienstigheid van Woodbrooke. De persoon van Christus staat in het middelpunt. Niet het christelijk dogma, maar de persoon is het belangrijke. Het feit immers is meer dan enige bizondere uitleg er van. Zodoende zal men misschien een kleiner belijdenis, maar een wijder God hebben. Men stelt zich bewust onder de invloed van het beeld, dat de evangeliën van Christus tekenen, waarbij men meent, dat de godsdienstige ervaring leert, dat de verschillende beelden, die men in het Nieuwe Testament vinden kan, elkaar aanvullen en bij elkaar behoren. Anders gezegd, men kent Jezus en heeft Hem lief als een karakter. Hij is voor de Woodbrookers de gekruisigde, verrezen en levende Heer. Men vertrouwt dus niet op een dood iemand, maar op iemand die heeft getriomfeerd over de dood.

Christus is de grote gave van God aan de mensen, waarin Hij zichzelf ontsloten heeft. ledere man of vrouw behoorde Christus daarom te kennen. Dit brengt mee de plicht tot en de rechtvaardiging van de zending. Dat alles betekent niet, dat er geen andere dan de christelijke openbaring is. De verhouding van de christelijke openbaring tot de andere is dezelfde als die van Jezus tot de profeten, n.l. vervulling.

2. Als tweede trek valt te noemen het geloof in voorzienigheid en leiding, de overtuiging dus dat niets bij toeval geschiedt. Het woord leiding is wat gevaarlijk. Bedoeld is niet zozeer spontane, onmiddellijke leiding in het dagelijks leven. Deze mag voorkomen, maar is zeldzaam. Bedoeld is meer de bereidheid om te erkennen, dat God in deze of gene ervaring was, ofschoon wij op het ogenblik zelf het niet bemerkten. Daarmee is weer niet gezegd, dat achteraf het gebeuren doorzichtig en alles opgehelderd wordt. lemand die de leiding Gods volgt, zal teleurstellingen krijgen. Het gaat om het geloof in Gods leidende hand in alles.

3. Vervolgens valt te noemen de vreugde in het ontdekken van en dus de openheid voor nieuwe waarheden, denkbeelden, enz. Hierachter steekt het geloof, dat elke waarheid Gods waarheid is. Onderricht is daarom niet het overhandigen van een geheel van waarheden, maar een aansporing tot zelfstandig onderzoek. De geloofsgemeenschap is een kamp van onderzoekers op weg. De zin van het Christenfeit trachten te doorgronden betekent telkens nieuw gebied in bezit nemen.

4. Grote betekenis wordt toegekend aan de hij kan lachen en hij kan bidden. De mens is

een kokend, schertsend en biddend dier. Daarom niet: dient de Heer met vrees en beven, maar: dient Hem met blijdschap. De vrije christenmens dient God met blijdschap en zo is de gift van humor gewijd.

5. Kort werd gewezen op de zin voor vriendschap.

6. Van belang is ook, dat Woodbrooke diep overtuigd is van de betrekking van het godsdienstige met het maatschappelijke en internationale leven. Er is geen scheiding tussen beide. Ook niet tussen het maatschappelijke en het internationale leven. Het probleem van de armoede en dat van de internationale vrede moeten te zamen opgelost worden en anders is er geen oplossing voor.

7. Woodbrooke heeft steeds gaarne verbindingen met andere „Colleges” en kerken aangegaan. Het is overtuigd, dat geen enkele christelijke groep alleen de problemen kan oplossen, maar dat zij zich alle aaneen moeten sluiten.

8. Men stelt in Woodbrooke hoge prijs op de stilte, en wel om verschillende redenen. Er zijn verschillende vormen van stilte. Er is de stilte waarin de mens tot zichzelf komt en zijn krachten verzamelt. Er is een stilte, waardoor de mens bekent, dat het geheimenis van Gods natuur en liefde onze woorden en gedachten te boven gaat. Er is een stilte der aanbidding. Wij komen samen op de grondslag van de liefde van God. U bent hier in het gebied, waar liefde en kennis niet te scheiden zijn. God kennen betekent Hem liefhebben. Inplaats van: dan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben (1 Kor. 13:12) kan men ook zeggen: dan zal ik liefhebben gelijk ook ik bemind ben en dat is nog meer waar.

H. DE VOS.

Vrede?

Toen ik acht, negen jaar was, zei ik ’s avonds voor het slapen gaan —■ als mijn gedachten niet met wat anders bezig waren een zelfgemaakt gebed op, dat er ongeveer zó uit zag: „Lieve Heer, laten er geen inbrekers komen, laat ik vannacht niet dood gaan, laat de wereld niet vergaan, laat er geen oorlog komen en geen brand, laat helemaal niets naars gebeuren.” Dat laatste voor het geval, dat ik iets had vergeten en dat dan juist eens wèl zou kunnen gebeuren. Een slimmigheidje tegenover onzen lieven Heer.

Een gebed geïnspireerd door allemaal angsten. Vertrouwen en rust waren ver te zoeken. Dat kon ook wel niet anders, want ik geloofde helemaal niet zo vast aan dien lieven Heer. Ik hoopte wel, dat hij er zijn zou, want hij kon maken, dat je niet ~weg” zou zijn als je dood was. Dè grote angst. Maar omdat je het hoopte daarom was ie er nog niet. Hij had allemaal zulke vreemde eigenschappen, hij was er altijd geweest en zou er altijd zijn. —-„Altijd”—-dat kon je je niet voorstellen, ’t werd een nieuwe angst. Maar naast ons woonde een professor, die ook dominee was en dat was bemoedigend. Als zo’n knappe man geloofde... Misschien... En baat ’t niet dan schaadt ’t niet bad ik dus maar om verschoond te blijven van alle akeligheden.

Waarom ik hieraan denk, aan die kinderangsten en aan onzen lieven Heer, die misschien wel in de hemel Is? Omdat ik, vooral de laatste tijd, zo veel mensen heb ontmoet, over zo veel mensen heb gelezen, die mij daaraan herinnerden.

Op 25 September zaten de kerken zo vol als op Oudejaarsavond. Ook op Oudejaarsavond denkt men aan de dood en ziet die naderbij gekomen. Dan wil men wel iets horen over het bestaan van God, men wil ook wel vragen om nog wat te mogen leven. Nu leek dood en verschrikking ook heel nabij en daar ging dan die smeekbede naar den God, die er misschien toch wel is: „Laat er geen oorlog komen!”