is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 5, 29-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gebed van de Werklozen

Ze zeggen, dat wij liever lui dan moe zijn Heer, en sigaretten roken, slentrend langs de straten.

Ze zeggen smalend, „Kijk, daar zijn de stemplaars weef’! Luister toch niet naar hen, o Heer, en laat ze praten!

Wat weten zij van schrijnend leed, van angst en pijn, van onze strijd, doorstreden in de wanhoopsnachten!

Wat van de schreeuw tot U, volkomen mens te zijn hier in uw wijde wereld, waar wij wachten, wachten

op arbeid, stage arbeid, waar het hart naar haakt; Geloof hen niet, o Heer, dat wij niet werken willen;

Waarom, waarom, o God, hebt gij ons sterk gemaakt? Om heel dit jonge leven doelloos te verspillen?

Laat, laat ons moe zijn, moe van ’t zware werk, o God, om in gezonde slaap de zorgen te vergeten. Als zuivere muziek klinkt ons Uw streng gebod:

„Gij zult het daaglijks brood in ’t zweet Uws aanschijns eten”! Betsy Bulsing—v. Besouw.

Maurice en Kingsley

IX. ontslag ais hoogleraar ; de Arbeidershogeschool

In Maurice’s leven is de 27ste October 1853 een zwarte dag geweest. Het is de dag, waarop hij uit zijn beide professoraten aan King’s College werd ontslagen.

Maurice en Kingsley waren beiden hoogleraar, een functie, die zij naast hun geestelijk ambt vervulden. Sedert 1840 was de eerste aan het op kerkelijke grondslag staande King’s College als professor in de Engelse letterkunde en moderne geschiedenis verbonden, terwijl hij sinds de instelling van de theologische faculteit in het begin van 1846 daar tevens een stoel in de godgeleerdheid bekleedde.

Hoezeer ook het onderwijs van Maurice in aanzien stond, het was aan het merendeels uit hoogkerkelijke heren bestaande bestuur een doorn in het oog, dat Maurice deel uitmaakte van de gehate groep der Christensocialisten en zijn naam naast die van Klngsley in dikke letters op grote plakkaten prijkte. Kleine conflicten en uiteenzettingen hadden reeds een paar maal plaats gehad, het Christen-socialisme bood echter geen voldoende aanvalsgelegenheid om zich van den man te ontdoen, die door zijn geleerdheid en zijn persoon diepe eerbied afdwong, maar toch niet in de gunst stond vanwege die ene vlek, die hem aankleefde. Totdat er zich wel een gelegenheid aanbood, waarvan grif gebruik werd gemaakt.

In de zomer van het jaar 1853 verschenen Maurice’s „Theological Essays”. Deze theologische verhandelingen waren gegroeid uit in Lincoln’s Inn gehouden preken en een neerslag van Maurice’s denkbeelden over de diepste godsdienstige onderwerpen. Aan de zestien essays was er nog één ten besluite toegevoegd over eeuwig leven en eeuwige dood. Daarin gaf Maurice een uitlegging van het Griekse woord „aioonios”, dat in het Engels met „eternal” (eeuwig) en met „everlasting” (altijddurend) wordt vertaald. Volgens Maurice had het woord „eeuwig” steeds dezelfde betekenis, had het niets met tijdsduur te maken, maar drukte het een qualitatieve verhouding tot God uit. Het hield niet iets volkomen negatiefs in als „zonder begin en zonder einde” maar iets heel positiefs. Eeuwig leven bezat de mens, die God en Christus kende (Joh. XVII vrs. 3) ‘). Diezelfde uitlegging moest aan het begrip „eeuwig” gegeven worden, wanneer over eeuwige dood en eeuwige straf gesproken werd. En zo was „everlasting punishment” (eeuwige straf) niet het in eindeloze tijdsduur na de dood vertoeven in de hel, maar het leven buiten de kennis Gods.

In het bijzonder naar aanleiding van deze beschouwingen ontspon zich een correspondentie tussen den principal van het College.

Dr. Jelf, en Maurice. Wat Maurice geschreven had, was in strijd met de leer der kerk. Wanneer deze niet in een eeuwigdurende straf na de dood geloofde, dan beleed hij den braven God, die de zondaren ook zonder bekéring verloste. Neen, dat deed Maurice in genen dele. Hij wist heel goed, dat geen toegang tot God zonder bekering en wedergeboorte mogelijk was; het is, of hij de vraag voorvoeld had, toen hij in diezelfde verhandeling schreef:

„Ik vraag niemand uit te spreken, want ik heb zelf daartoe de moed niet, wat de mogelijkheden van verzet in een menselijke wil zijn tegen de liefhebbende wil van God. Daar zijn tijden, waarin zij mij meer aan mijzelf denkende dan aan anderen bijna oneindig voorkomen. Maar ik weet, dat er iets is, dat oneindig moet zijn. Ik ben gedwongen te geloven in een afgrond van liefde, die dieper is dan de afgrond van dood; het geloof in die liefde mag ik niet verliezen. Ik zink weg in de dood, in de eeuwige dood, als ik dat doe. Ik moet gevoelen, dat die liefde het miiversum omvat.

Meer kan ik daarover niet weten. Maar God weet het. Ik vertrouw mij en alles aan Hem toe. Het is van dit geloof, dat sommigen ons trachten te beroven.”

Op grond van deze opvattingen is Maurice, die zelf overtuigd was daarmee geheel in overeenstemming te zijn met de leer der kerk, wegens onrechtzinnigheid bijna zonder vorm van proces door de voor het grootste deel uit leken bestaande bestuursraad op staande voet uit beide professoraten ontslagen. Gladstone, de beroemde liberale staatsman en lid van die raad, had nog het voorstel gedaan, den bisschop van Londen te verzoeken een commissie van drie godgeleerden te benoemen, die zou nagaan, of Maurice’s denkbeelden werkelijk in strijd waren met de negen-en-dertig artikelen van de staatskerk, maar dat vond bijna geen steun.

De Engelsen spreken van zegeningen in vermomming. Aan dit middeleeuwse proces hebben wij te danken, dat Maurice tijd en kracht heeft gevonden om zich te wijden aan de oprichting en instandhouding van een hogeschool voor arbeiders.

Juist twee maanden later, op 27 December van het genoemde jaar had naar aanleiding van deze gebeurtenissen een grote bijeenkomst plaats, waar Maurice een adres werd aangeboden, door ongeveer duizend arbeiders, vijfen-negentig verschillende beroepen vertegenwoordigende, ondertekend. Dat adres getuigde van de hoge gevoelens, die de arbeiders hem toedroegen, en van hun warme erkentelijkheid voor wat hij ten hunnen behoeve deed. „Indien iets”, aldus dit hooggestemde stuk, „ertoe bijdraagt de massa in werkelijke gemeenschap met de kerk te brengen, dan is het, dat zij onder haar leden mannen telt als gij.”

Op die avond werd door één dergenen, die het woord voerden, de hoop uitgesproken, dat Maurice, nu hij opgehouden had professor aan King’s College te wezen, het hoofd van een hogeschool voor arbeiders zou worden. Dat werd niet aan dovemansoren gezegd. Reeds een twee weken later is het denkbeeld in de

al vroeger genoemde „Raad van promotors” besproken en aan Maurice opgedragen de zaak nader uit te werken. Op grond van het door hem ingediende schema werd tot oprichting van het „Working Men’s College” besloten. Ten einde bij het publiek voor het denkbeeld sympathie te wekken, hield Maurice in de zomermaanden een zestal merkwaardige voordrachten over de saamhorigheid van ~Leren en Werken”. In het najaar 1854 kon reeds tot opening van het nieuwe instituut worden overgegaan. En zo is in Londen een instelling op het gebied van onderwijs aan arbeiders ontstaan, dat tot één der grootste op dit terrein is uitgegroeid en nog steeds een belangrijke plaats inneemt.

Ettelijke jaren vóór het ontstaan van de volkshogeschoolbeweging (University extension movement) en vóór de oprichting van het eerste volkshuis „Toynbee-Hall” (University settlement movement) heeft Maurice zijn Working Men’s College in ’t leven geroepen. Al mag niet gezegd worden, dat de oorspronkelijke gedachte van hem afkomstig is reeds had de dissenter predikant Bayley in 1842 te Sheffield een dergelijk college opgericht —, Maurice gaf aan zijn schepping een geheel eigen vorm. Zij kan een combinatie van volkshogeschool en volkshuis genoemd worden en was toch eigenlijk nog meer dan dat. Maurice was bijzonder gesteld op dat woord „College”, omdat dit voortdurend in herinnering bracht de innige gemeenschap, waarin leraren en leerlingen „met andere dan commerciële banden tot hoge doeleinden verenigd waren. Maurice hamerde het er als ’t ware bij de leden in, dat, indien kennis en cultuur, wetenschap en kunst enige waarde bezaten, deze iets anders dan handelswaarde was. Niets was er, dat de hervorming van de samenleving zozeer ten goede zou komen, dan de mensen te genezen van het meten der dingen met de waardemeter van het geld.

Door de arbeiders te laten delen in de diepste en universeelste schatten, welke niet aan klassen maar aan mensen behoorden, door deze toe te dienen, regelmatig en methodisch, als voedsel dat voor allen bestemd was, zouden zij omhoog gevoerd worden tot het gevoel van menselijkheid en vrijheid, van te zijn personen en geen dingen, burgers en geen slaven. De vraag naar verbetering van positie lag buiten de gezichtseinder, zelfs dan, wanneer men voor het afleggen van universitaire examens werd opgeleid.

Naast de avondlessen door de week, waar in tal van vakken gedoceerd werd, hadden gezamenlijke bijeenkomsten plaats, waaraan Maurice grote waarde hechtte, ook al was niemand verplicht ze bij te wonen. Op Zondag werden bijbellessen gegeven en de levensvragen behandeld. Want, al stond het „CoUege” op algemene basis, op de achtergrond daarvan leefde de Christen-socialistische gedachte, dat wij verkeren in een'goddelijke wereldorde, die ook in de menselijke samenleving haar uitdrukking moest vinden. Aan die gedachte móest alle onderwijs en opvoeding dienstbaar worden gemaakt.

Het is voor het Working Men’s College van het grootste gewicht geweest, dat een aantal begaafde enthousiaste jonge intellectuelen zich met zoveel toewijding onder leiding van Maurice aan dit werk hebben gegeven en dat een enkele circulaire, waarin de beginselen werden uiteengezet, een buiten hun kring staanden man als John Ruskin heeft warm gemaakt, die door zijn wekelijkse tekenlessen aldaar het geloof heeft teruggevonden in de mogelijkheid de liefde voor het schone in grote volksgroepen wakker te roepen.

Maurice is tot zijn dood in 1872 Principal van het College gebleven, maar zijn eigenlijke werkzaamheden namen een einde, toen hij opnieuw universiteits-hoogleraar, en wel te Cambridge, geworden was. Wel kwam hij, toen hij daarheen was verhuisd, nog een paar jaar regelmatig voor zijn werk naar Londen, maar zijn gezondheidstoestand noopte hem in 1869 zich geheel tot zijn ambtelijke bezigheden te beperken.

De nagedachtenis aan den stichter is in Working Men’s College nog steeds in hoge ere.

M. J. A. MOLTZER.

’) Joh. XVII VS. 3: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen den eeuwigen waarachtigen God, en Jezus Christus dien Gij gezonden hebt.”