is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 6, 05-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Onder de druk der revolutie

kj ooit zijn er zovele gebeurtenissen en personen van vroeger tijden herdacht en bejubeld ais tegenwoordig. De mens verlangt naar het licht en omdat het heden duister is en de toekomst ais een nacht voor ons ligt, wenden wij ons naar het verleden. Zo heeft men 3 November het ontstaan negentig jaar geleden der Grondwet herdacht. Onder de druk van revolutionaire bewegingen in het buitenland kwam in 1848 een herziening der Grondwet tot stand, die een ingrijpende hernieuwing betekende in zake staatsinrichting en bestuur, aan het volk zijn rechten en vrijheden verzekerde en de macht van den koning zeer sterk begrensde. De Grondwet van 1848 is vooral het werk van Thorbecke, den leider van het toen nog jonge en krachtige liberalisme, dat tot grote daden van hervorming bereid en in staat was. Deze Grondwet heeft onze staat op stevige democratische grondslagen geplaatst.

De revolutionaire bewegingen in Frankrijk, Oostenrijk en andere landen hebben toen niet weinig meegewerkt, om in korte tijd grote veranderingen in onze staat te voltrekken. De koning, die aanvankelijk fel tegen de Grondwetsherziening was, waardoor hij niet veel meer dan schijn en schaduw van zijn oude macht zou overhouden en van de hand aan het roer tot de vlag zou worden van het schip van de staat, heeft eerlijk verklaard, dat hij noodgedwongen de Grondwetsherziening goedkeurde. Hij sprak toen tot de gezanten der grote mogendheden de bekende woorden: Gij ziet een man voor u, die in vier en twintig uur van zeer conservatief zeer liberaal is geworden. Ik heb het beter geoordeeld ten minste schijnbaar vrijwillig in te stemmen, met hetgeen mij later toch zou zijn af gedwongen.

Wij leven feitelijk nog onder de Grondwet van 1848, al zijn er later voor en na wel wijzigingen in aangebracht, die haar echter eer versterkten dan verzwakten als bolwerk der volksrechten en vrijheden. Niet alleen de koning zal in 1848 de voortstuwende kracht der revolutie van over de grens gevoeld en gevolgd hebben.

Dit alles doet denken aan de springvloed van democratische gezindheid en hervormingsijver in het najaar van 1918. In Duitsland was een revolutie-storm opgestoken, die evenals een werkelijke storm zich allicht niet zou storen aan grenzen. Troelstra heeft toen de regering gewaarschuwd, dat zij gehoor moest geven aan de eisen van het volk, omdat dit anders tot revolutie zou overgaan. Hij heeft een revolutie willen voorkomen, in plaats van er een te verwekken! Vrij zeker heeft hij de mogelijkheid ener revolutie hier te groot geacht; dat is dan zijn vergissing geweest. Maar het is onwaarheid en onrecht en onzin, hem te beschuldigen van staatsgreep, aanval op het koningschap enz., beschuldigingen, waarmee burgerwachtredevoeringen smakelijk gekruid worden.

De revolutievrees heeft in het najaar van 1918 ook tot snelle en wonderbaarlijke bekeringen geleid. De heer Rink, unie-liberaal, sprak toen zijn overtuiging uit, dat er op dat ogenblik behoefte was aan het onmiddellijk ter hand nemen en onmiddellijk doorvoeren van grote, democratische hervormingen op wetgevend en op sociaal gebied.

Deze overtuiging werd door de liberalen in de Kamer per motie uitgesproken. Zelfs de N. R. Crt. schoot in een draf op de nieuwe weg van hervormingen en schreef: De ernst der tijden wordt door ieder beseft en het ogenblik is gunstig, om langs wettelijke weg binnenkort hervormingen tot stand te brengen, waar in normale omstandigheden wellicht nog lang op zou worden gewacht. En de Koningin vond ook bij vele conservatieven instemming, toen zij getuigde van het verlangen, om de voorgenomen hervormingen door te zetten en aan te vullen met de snelheid, die past bij de polsslag van deze tijd. „Reactie zij uitgesloten. Wij moeten vooruit.”

Aan deze laatste woorden der koningin heb-

ben veie der angst-democraten zich niet gehouden. Hun bekering was kort van duur. En de reactie heeft als een boze macht vele hervormingen tegengehouden of verzwakt. Hun tijdelijke democratie was een paraplu tegen de zware bui, die zij zagen naderen. Toen de bui afdreef, hebben zij de paraplu weer opgeborgen. De Franse adel heeft eens vrijwillig afstand gedaan van zijn voorrechten, toen de klok der revolutie zijn eerste zware tonen deed horen. Blijven wij in ai de nood en verwarring van oorlogstoerusting, ~vreedzame” handeisooriog tussen alle staten, crisis en werkloosheid, omdat de massa zo rustig en lijdzaam alles ondergaat en ernstig verzet uitblijft en zal ais de voorjaarsstorm een revolutie eerst alle wlnternevelen moeten verjagen en de lucht doen opklaren en de zon helpen, overal met haar licht en warmte door te dringen? Onze tijd zaait wind en zal eens de storm oogsten. De storm, die veel breekt en vernielt maar ook de weg baant voor het nieuwe leven. Terecht heeft men van de Franse revolutie gezegd, dat in haar veel uit den duivel maar ook veel uit God was.

Uit het Kwaad der revolutie kan vooruitgang ontstaan, zoals het jonge leven uit het lijden der barende vrouw.

Een nieuwe wet feestelijk ontvangen ewooniijk wordt een nieuwe wet met twijfel, hoon, ook wel bitterheid ontvangen. Wij herinneren ons aUeen vreugde bij velen, toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en in bijzonder bij het aannemen der wet-Talma in zake de ouderdomsverzekering en wel om het helaas wegsmeltende klontje, dat het kamerlid Duys erin gedaan had, de premievrije uitkering aan de 65-jarigen en ouderen, hun toegekend bij het in werking treden der wet.

De Bond van landpachters en hypotheekboeren is van plan in een feestelijke vergadering de nieuwe Pachtwet te begroeten, die hen 1 Nov. komt helpen in hun nood en die nood zeker zal verlichten. Veel hangt nog af van de verklaring en vooral de toepassing der wet, maar in elk geval zal zij de positie der pachtboeren en hypotheekboeren belangrijk verbeteren. De normale duur van de pachttijd wordt op tien jaar gesteld. De overheid kan door haar organen waken, dat de pachtsom niet te hoog wordt gesteld maar een redelijk bestaan mogeiijk maakt. Zij kan ook de pachtsom verlagen voor het jaar, waarin de pachter door misoogst of natuurrampen getroffen wordt. En de pachter krijgt nu ook recht op schadeloosstelling voor de verbeteringen, die hij aangebracht heeft aan de eigendom van zijn verpachter of landheer. Veel hangt af van de beslissingen van pachtbureau en pachtkamer. Als deze handelen naar redelijkheid en rechtvaardigheid, zal de pachter zich veiliger voelen en meer kans hebben, door zijn arbeid met zijn gezin behoorlijk te kunnen leven. Er is geklaagd en getoornd over deze wet als een aantasting der eigendomsrechten. De vereniging „Het Grondbezit” vindt de wet bolsjewistisch en heeft er krachtig tegen geageerd.

Vooral de kleine pachters zullen door deze wet beschermd worden en meer kans krijgen, om op hun weiden en akkers niet alleen door zware arbeid te zweten maar daarbij ook voldoende hun brood te verdienen.

De nieuwe pachtwet waakt tegen al te grote hebzucht en heerszucht van het grondkapitaal.

De Joden hebben het gedaan!

I s er wel ellendiger positie mogelijk dan van * den jongen op school of het dienstmeisje in een gezin, die nooit iets goeds kunnen doen en altijd van alles de schuld krijgen, die elke dag lijden door onverdiende standjes en harde, onrechtvaardige behandeling? Zo gaat het thans in meerdere landen met het arme Joodse volk. Men denkt daarbij aan het vonnis, dat in het werk van Lessing, Nathan de Wijze,

ondanks alle bewijzen van onschuld uitgesproken wordt: De Jood moet verbrand worden! Ze worden thans beroofd, opgejaagd, verstoten. Die Jodenhaat is niet van de laatste jaren. Wij herinneren ons een bijzonder aanvaiiig, vrolijk Weens meisje, dat hier kwam mager, bleek en zwak, om in het verre en vreemde Hoiland, waar het zo spoedig thuis was, nieuwe krachten op te doen. Met een boos bits gezichtje zeide zij het, dat alle Joden ~Schieber” waren en daarom schuld aan de armoe en honger in haar iand. Met bolsjewisten en vrijmetseiaars heten thans in Duitsland de Joden ook de schuld te zijn van al de onrust en verdeeldheid der volkeren. Zij zijn de zondebok, die de schuld van alle anderen moet dragen en ook de woestijn ingejaagd wordt. Er zijn er thans duizenden in Duitsland, in Berlijn en Wenen, die uit Polen afkomstig zijn, in Duitsland niet mogen blijven en in Polen niet worden toegeiaten.

Haat is onredelijk, wil niet luisteren, geeft niet om argumenten, beschuldigt zonder grond en is ongevoelig voor weerlegging van beschuldigingen. In de afdelingen der Tweede Kamer is de goedkeuring van een verdrag in zake het gebruik van de radio-omroep in het belang van de vrede besproken. Enige leden merkten daarbij op, dat de berichtgeving in binnen- en buitenland in handen is van het internationale Jodendom en dat de regeringen der niet-totaiitaire staten sterk aan Joodse invloed onderhevig zijn, zodat gepubliceerd wordt, wat van Joodse zijde wenselijk wordt geacht. De Joden brengen door onjuiste beweringen de goede internationale verstandhouding in gevaar. Zo zeiden de nat. soc. Kamerleden.

Een bewering zonder bewijs. Dergeiijke beweringen zijn juist gevaarlijk, omdat iedere poging tot bewijs ontbreekt. De grootste dwaasheden zijn het moeiiijkst te weerleggen. Men kan niet weerleggen, ais er zelfs geen schijn van bewijs is. Tegenover de veie beschuldigingen tegen de Joden kunnen wij alleen onze verontwaardiging, onze afschuw en onze deernis met de slachtoffers plaatsen.

Dat onze regering onder Joodse invloed zou staan, is een belachelijke bewering, maar toch niet ongevaarlijk, want ook hier is, zij het nog zwak, wel antisemitisme, dat bereid is, om alle mogelijke kwaad van de Joden te geloven.

J. A. BRUINS.

Maria Gleit: „Du hast kein Bett, mein Kind”. Oprecht Verlag, Zürich.

Tot mijn grote spijt kan ik het met de bewering van den uitgever Oprecht, dat Maria Gleit zich met deze roman in de eerste rijen der hedendaagse literatuur geschaard zou hebben, niet eens zijn. De schrijfster is van de beste wil en bezield door een sterk ethos. Maar telkens weer komt zij in botsing met de elementaire wetten der letteren. Maria Gleit wilde ons de twee werelden doen zien: die van het geweld en gene der geweldloosheid-

Wat daar echter ontstond, was: een verzameling van onwaarschijnlijkheden, onduidelijkheden, psychologische fouten, vaag getekende figuren, onjuist geschetste details, een veraameling ook van overbodige herhalingen, die het gezegde niet versterken, maar verzwakken. Te vaak stoot de lezer zich hier aan. Het spreekt vanzelf, dat deze gebreken de totaalindruk zeer beïnvloeden, helaas... Want wij zouden zo graag alleen goeds over dit boak geschreven hebben, over een boek waaruit een bezieling spreekt zoals men haar in deze mate slechts in weinige romans van de laatste jaren vooral in Silone’s „Brood en Wijn” gevonden heeft. Dit is het grote plus van dit werk waarvan ons de zedelijke kracht en de soms profetischvlammende taal zo menigmaal aangegrepen hebben. Ja, ook de problemen die de roman van Maria Gleit naar voren brengt, zijn ónze problemen: de totalitaire macht der onrechtvaardigheid scheurt de mensen uit elkaar: broer van zuster, vader van dochter, man van vrouw. Aan deze infernale macht onderwerpen zich niet diegenen, die de weg van God en dus ook die naar Golgotha volgen. De vertegenwoordiger van het meedogenloze geweld is op jacht naar den naamlozen „granen Thom”, den „laatsten rechtvaardige”, die liever slachtoffer dan beul wil zijn en door den mensenjager tenslotte vernietigd wordt.

Vaak Is het ontbrekende uitbeeldingskracht die een auteur naar symbolen en imaginaire gebeurtenissen laat zoeken; zodoende gelooft hij zich een heldere, juiste en logische beschrijving van de zo belangrijke details en de agerende figuren te kunnen besparen. Wij hebben de indruk dat het zó ook met Mara Gleit is gegaan. Het is te hopen dat haar tweede werk vrij zal zijn van de gebreken harer eersteling. Dan pas zou zij werkelijk naar de eerste rijen der hedendaagse literatuur kunnen oprukken. H. W.