is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 6, 05-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aanbidding der herders.

AANBIDDING DER HERDERS

MURILLO

Lukas 2: B—2o.8—20. In die landstreek nu hielden enige herders dien nacht In het open veld wacht over hun kudde. En bij hen stond een engel des Heren, en de heerlijkheid des Heren omscheen hen, zodat grote vrees hen beving. Maar de engel zelde tot hen: vreest niet; want Ik kondig u een grote blijdschap aan. bestemd voor het ganse volk; want U Is heden, In de stad van Davld, een verlosser geboren, namelijk Christus, de Heer. En hieraan zult gij hem herkennen: gij zult een kind vinden, In doeken gewikkeld en liggende In een krib. En plotseling was bij den engel een schare van het hemelse helrleger, die God prees en zelde: Ere zij God In den hoge en vrede op aarde onder de mensen In wie Hij welbehagen heeft!

Zodra de engelen van hen naar den hemel waren heengegaan, zelden de herders tot elkander: Laten wij toch naar Bethlehem gaan en zien wat geschied Is, hetgeen de Heer ons bekend gemaakt heeft. Zo gingen zij spoedig daarheen en vonden Maria en Jozef en het kind, dat In de krib lag. En toen zij het zagen, vertelden zij, wat hun over dit kind gezegd was. Allen die het hoorden, verbaasden zich over hetgeen de herders hun zelden; en Maria bewaarde al die woorden en overwoog ze bij zlchzelve. De herders keerden terug, lovende en prijzende God over al wat zij gehoord en, juist zoals hun gezegd was, gezien hadden.

r ligt In deze regels een eenvoud en een natuurlijkheid, een blijdschap ook, die ons wel brengt In een andere wereld dan de felheid der profeten, dan de vaak moeilijke gedachtengang van een Pau-

lus. In de kring, waar dit geboorte- en aanblddlngsverhaal ontstond, schijnt men werkelijk In een blijde boodschap geleefd te hebben.

Het heilige openbaart zich hier In stralend licht en In bovenaardse zang. Het eerste woord van Gods bode Is geruststellend: Vreest niet! Het verbond van Jahwe met zijn volk Israël, bezegeld gezien In de regenboog, een zaak van trouw aan Gods zijde, van afval en bekering aan de zijde van het volk, wordt opgeheven In een andere sfeer, waarvan ook Jezaja 9 weet: „Het volk, dat In duisternis wandelde, heeft een groot licht gezien!” Hier Is nu het licht: een blijdschap is komende, die allen volke wezen zal! Daarin bevestigt zich Gods' trouw, daarin wordt de menselijke trouw tot een natuurlijke uiting van dankbaar geluk. De mensen hebben gesmacht naar verlossing uit allerlei druk, maar nu Is er de verlosser, naar wlen men zo lang had uitgezien.

Het Is een zeer Ingetogen verrukking, waarmee hier van God en zijn boodschap wordt gesproken. Maar het Is verrukking, en wie de woorden van onze simpele vertaling sober lezen wil, voelt hoe zijns ondanks zijn stem zich verheft. Hier wordt alomvattend geluk verkondigd aan arme herders. Mensen hebben In dit kleine stukje de som van hun stralend geloof neergelegd, hun geloof in een hoge, heiligende ontferming. Het is een geloof In den God der hemelen, die toch te maken heeft met de vrede op aarde. En het aanknopingspunt ligt In de mensen, In wie Hij welbehagen heeft, In geheiligde mensenharten.

Den herders wordt deze verkondiging tastbaar voor ogen gesteld In de eenvoudigste, rijkste menselijke verhouding: zij vonden Maria en Jozef en het kind, dat In de kribbe lag. En daarin Is het kind, het nieuwe, juist begonnen leven, middelpunt: de verlosser Is nu al In de wereld, hulpeloos nog en o zo zwak, maar hij Is er, en hij zal groeien. Wat zij zien Is de bekrachtiging van wat zij gehoord hebben.

Het zijn wel heel eenvoudige mensen, die deze wonderen beleven, en zij aanvaarden het alles even natuurlijk als de schrijver het ons vertelt. Zij deden hun werk, zij hielden wacht over hun kudden. Zij presteerden niets nieuws of geweldigs, maar zij onderhielden mee het goede leven op het land; zij lieten de schapen weiden en bewaakten ze, zoals dat sedert de dagen van den herdersknaap David op de Bethlehemse heuvels was gebeurd. Een ogenblik verschrikt hen het grote, dat de duisternis en de stilte doorbreekt, maar zij laten zich geruststellen, zij luisteren en verstaan. Zij willen ook zien. Zonder enige pretentie geven zij het woord door, dat tot hen kwam,-zoals kinderlijke mensen doen. Dan keren zij in blijdschap en dankbaarheid, met gesterkt vertrouwen, terug tot het oude werk, dat hen weer wacht. Eenvoudigen zijn zij, maar misschien juist daardoor toegankelijk voor Gods openbaring, voor de belofte van het heil? Zo ziet het de dichter Rilke. In stille, zwijgzame mensen, zegt hij, vindt alles zijn eigen plaats. Zonnegloed en regen, de trek van de vogels, de wind, en ook het eigen werk, de eigen verlangens spreken. En er is tijd en aandacht om te luisteren. Het ene verdringt het andere niet. De dingen mogen hun woord spreken, zij worden niet uitgespeeld tegen elkaar, zij worden niet steeds door gevoelens gekleurd, of handig verwerkt tot argumenten vóór of tegen. Nee, al wat komt, mag komen. Zo is het werk gekomen, hec leven, gewoon en toch verheugend, zo komt nu het ongewone, maar zij zijn niet zeer verwonderd. Zij luisteren als steeds, en zeggen enkel rustig tot elkander: laat ons gaan.

Is dit eigenlijk leven? Zo zwijgzaam tussen aarde en hemel staan, en luisterend en aanbiddend het eigen stille pad veiwolgen? Het schijnt vaak anders. Wij worden voortgedreven van keuze tot keuze, van verantwoordelijkheid tot verantwoordelijkheid.

Maar soms mogen wij zien hoe weinig er aan onze keuze is overgelaten. Hoe de grote, grote massa in een lot staat dat bij de aanvang wel zo ongeveer geschetst kon worden. Dan gaan wij beseffen, dat de eigenlijke keuze niet ligt tussen deze weg of die weg, maar tussen de wijzen waarop die éne weg betreden kan worden: „Toen gij jonger waart, omgordet gij u zelven en gingt waarheen gij wildet, wanneer gij oud zijt, zult gij uw handen uitsteken en zal een ander u omgorden en brengen waar gij niet wilt komen.” (Joh. 21:18.)

Och nee, er valt niet zo heel veel te kiezen. Het zou al heel mooi zijn, wanneer wij een taak, die nu eenmaal op ons wacht, werkelijk natuurlijk aanvaardden en konden luisteren.

Maar is dit nu niet louter berusting? Blijft zo niet de wereld even donker als zij is? Misschien is de wereld niet zo van God verlaten als het ons toeschijnt. Misschien is er licht en een troostende stem vol belofte en opdracht, waarop wij niet letten. Misschien is er, nu nog, nu al, een kiem van verlossing, maar wij maken ons niet op om te gaan zien.

Wij hebben het zo druk met het „kiezen” van onze taak, en zien over het hoofd wat voor de hand ligt; met het peinzen over onze eigen plaats, en vergeten die plaats in te nemen; met te vragen zelfs naar de zin van het geheel, waar wij de zin van onze schaarse uren verspelen.

Zou niet de vreugde van den evangelist en van de herders om het heil, dat er in beginsel is, als een oordeel over onze sombere, angstige, van zichzelf vervulde wereld gaan? Zou de, in dank aan God, aanvaarde weg niet een revolutie betekenen? Zou er in waarlijk eenvoudige, gelovige levens niet een helende kracht schuilen?

Wij ontwijken geen enkele verantwoordelijkheid, wanneer wij bidden om een eenvoud des harten, waarin vóór alles dank en vreugde en eerbied en gehoorzaamheid ontbloeien.

F. KALMA—KOOPS.