is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 7, 12-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De negen mannen

In 1848 hebben negen mannen van talent en invloed met Thorbecke aan het hoofd door een aantal voorstellen de weg gebaand naar een nieuwe democratische ontwikkeling van ons staatsleven. In 1938 hebben negen leiders op het terrein van handel en finantiën de alarmklok geluid tegen het gevaar van een vloed van schulden, waarin de kracht en het welzijn van onze natie en staat dreigen verloren te gaan. Zij verwijten den minister van finantiën, dat hij de tekorten te klein en de finantiëie toestand te gunstig voorstelt. De negen mannen van 1848 gaven weinig critiek en veel goede raad; de negen mannen van 1938 geven veel critiek en weinig of geen goede raad. De eersten riepen: Zo moet het!; de laatsten waarschuwen: Zo moet het niet! De critiek is oneindig veel makkelijker dan de kunst.

Wij hebben geen verstand van de staatsfinantiën en de millioenennota is ons een kruisraadsel, dat wij niet trachten op te lossen, als we vragen zien naar de naam van een schaaldiertje, een plakmiddel, een Indischen kluizenaar en een Portugees eiland. Mannen van gezag, die wel verstand van staatsfinantiën hebben, ontkennen echter, dat de critiek van onze negen mannen juist en gerechtvaardigd zou zijn. Een minister van finantiën is altijd een pessimist. In persoonlijke omgang moge minister De Wilde al een blijmoedig christen zijn; hij bewaakt de schatkist nijdig en fel als de bok de haverkist. Hij gooit het geld niet te grabbel en speelt niet voor Sinterklaas. Daarom alleen hechten wij niet te veel waarde aan de critiek der negen mannen, al kunnen wij hen niet narekenen.

Zonder te duizelen van millioenencijfers, weten we twee dingen heel klaar en zeker en we durven ze inbrengen tegen het betoog der negen mannen. Het is niet waar, dat ons volk „op een te hoge voet” leeft. Een groot deel van ons volk heeft niet of nauwelijks genoeg, om aan eenvoudig en zelfs sober gestelde levenseisen te voldoen. Naar verhouding van het gebrek der massa, van de verminderde volkswelvaart en de zware eisen, die aan de schatkist gesteld worden, leeft echter wel een klein deel van ons volk op te hoge voet en geeft alleen voor genoegen en weelde veel meer uit, dan menig gezin aan voeding, kleding en huisvesting kan besteden. De negen mannen kunnen die te hoge voet dicht bij huis vinden; het geschut van hun vermaningen behoeft niet ver te dragen.

Wij weten ook van een zuinigheid, die de wijsheid bedriegt. De heren willen de productiekosten verminderen en bedoelen daarmee zeker in de eerste plaats loonsverlaging; zij willeil de uitgaven van de staat verminderen, besparen dus op werkverschaffing en de salarissen van ambtenaren. Zij zullen de koopkracht van arbeiders en kleine ambtenaren verder verzwakken en daarmee het bestaan van de neringdoende middenstand, bakkers, kruideniers, slagers, kleermakers, enz. nog moeilijker maken. De schatkist wordt niet door verder gaande verarming maar door middelen, die nieuwe welvaart scheppen, gebaat.

Ook weten wij, dat het niet altijd de hoogste wijsheid is, om inkomsten en uitgaven in overeenstemming te houden. Er zijn in het leven van enkeling en volk goede en slechte tijden en het is verstandig en rechtvaardig, dat de goede tijden een deel der lasten van de slechte tijden te dragen krijgen. Als zijn zaak lijdt door de crisis en zijn omzet vermindert, zal een wijs zakenman eer meer dan minder uitgeven voor reclame en ook van zijn reserve durven nemen of zelfs schulden maken, om nieuwe machines aan te schaffen, die hij dan later, als het weer goed gaat, kan betalen. Er zijn omstandigheden, waarin ondergang het eind is der wijsheid, om niet meer uit te geven, dan het inkomen bedraagt.

Er waren negen wijze mannen in 1848; de negen zuinige mannen van 1938 kunnen wij zo niet noemen.

Lusteloosheid

\A7e leven in een geweldige tijd, waarin ver" ' anderingen ontstaan, die waarschijnlijk

veel dieper gaan en veel wijder strekking hebben, dan wij beseffen. Wij kunnen het alleen vertrouwen, maar het nageslacht zal het eens zien, hoe uit al het kwaad van deze tijd toch veel goeds is opgekomen als eens de schepping uit de baajerd. Het is een tijd, die heel veel te denken en ook te doen geeft; wij zitten in de branding en moeten er door; een geweldige golf kan terugslaan maar ook dichter bij de haven brengen. Het is een tijd, die van allen eist: Hoofden koel en harten warm, ijzeren wü en stalen arm!

En toch is er veel lusteloosheid. „Land en Volk”, een christ. hist. orgaan gaf onlangs dit treffende beeld van vele werkloze jongeren: „Vroeger levenslustig van aard, nu inééngezonken met verdofte ogen voor zich uit starend, zo het kenmerk dragend van een volkomen ineengezakt leven.”

Zo zijn er velen en het is onze taak, alles te doen, om er bij hen de moed in te houden, te zorgen, dat hun geest werkt, ook al hebben de handen niets te doen, om hen te helpen hun ledige tijd goed te vullen en elke gelegenheid aan te pakken, om zich geestelijk te vormen en te verrijken.

Er is ook lusteloosheid in het bedrijfsleven. De voorzitter van het Verbond van Prot. Chr. Werkgevers zei onlangs, dat de geest van onze vaderen der gouden eeuw weer vaardig dient te worden over de kapitaalbezitters en het bedrijfsleven. Hij noemde het vooral nodig, dat de snellere moderne productiewijze een snellere consumptie van geproduceerde artikelen en daardoor een snellere roulerlng van in omloop zijnde geldmiddelen tot gevolg heeft.

En in de vergadering der Ver. voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek wees Mr. Van Leeuwen op de renteniersmentaliteit en de vrees, om schulden te maken en geld te verliezen, waardoor de natuurlijke ondernemersinstincten verdrongen worden. En in dezelfde geest merkte de schrijver van de Schetsen van Geld- en Fondsenmarkt in de N.R.Crt. op, dat de onlust, om iets te ondernemen, groot is, waardoor de handel ter beurze als overal elders vrijwel geheel stil staat.

Er is dus geen, althans te weinig werk, ook omdat er geen durf is, omdat lusteloosheid de energie, om zaken te doen, verlamt.

Bij de regering-Colijn merken we ook lusteloosheid op; ze tracht, zo goed en zo kwaad, als het kan, het evenwicht te bewaren tussen conservatisme en de drang, nieuwe wegen in te slaan; maar tot de grote dingen, waartoe deze grote tijd roept, komt zij niet. Colijn maakt de indruk van den man, die het hoofd voor de storm buigt, in plaats van hem fier en sterk te trotseren. Hij wacht op betere tijden; maar hij maakt die betere tijden niet.

Ook in de socialistische beweging missen wij thans het vuur, de hartstocht, de durf, die zich door angstvallige berekening en bezwaren niet laten weerhouden; zij is en blijft in het defensief en strijdt meer, om te behouden, wat zij gewonnen heeft, dan om grote, nieuwe dingen te doen. De tijd is geweldig maar de mensen zijn klein. Wij nemen dit niemand kwalijk en begrijpen dit alles zeer wel en voelen ook in onszelf de zwakte van den mens in een tijd, waarin kracht allereerst nodig is.

Er is een centrale van heilige krachten, met welke wij voortdurend' in verbinding moeten staan, opdat wij onze roeping ook tegenover deze wereld verstaan en lust en moed krijgen, om ons daaraan ijverig en trouw te wijden.

Er is geen geld!

De regering heeft geen geld, om het lager onderwijs te herstellen; zij heeft geen geld, om te voorzien in de nood van duizenden ouden van dagen; zij heeft geen geld, om vele nodige dingen in het welzijn van ons volk te doen. Maar ze had dadelijk de 100 millioen, toen er oorlogsgevaar dreigde, hoewel minister Colijn ons volk geruststelde, dat dit gevaar voor ons land niet zo groot was als in ’l4, toen de vloed van oorlogsgeweld zich naar het Oosten richtte en thans in omgekeerde richting. Het Friesch Dagblad verdedigt een en ander heel populair. In een gezin bestond het gevaar, dat een der kinderen geopereerd moest worden. Dat zou wel een honderd gulden kosten. Vader redeneerde: Het moet, dus het geld komt er! En het kwam er; maar de operatie bleek niet nodig te zijn. Toen pruttelden de andere kinderen. Vader had wel honderd gulden, maar wilde niets weten van een nieuwe mantel, van een nieuw behang, van een nieuw gebit, dat al half en half beloofd was, als de tijden beter werden. Maar nu houdt vader de hand op de zak. ’t Is een schandaal!

Een eenvoudig verhaaltje voor eenvoudige lezers. Onder die eenvoudigen zullen echter wel meerderen deze verdediging der regering er naast vinden. Noodzakelijkheden worden hier met wenselijkheden vereenzelvigd. Steviger bestrijding van werkloosheid, betere steun aan de werklozen, betere zorg voor het volksonderwijs en voorziening in de nood van hen, die werkende arm zijn gebleven en oud zijn geworden, dit alles kan toch niet op een lijn geplaatst worden met een nieuwe mantel, een nieuw behang, zelfs niet met een nieuw gebit, dat ook vaak meer tot verfraaiing dan tot nut dient.

Wij verwijten vader Colijn, dat hij wel geld heeft voor stevige grendels op de deur, die een inbreker toch niet zullen tegenhouden, maar geen geld, om zijn kinderen goed te laten leren en voldoende te kleden en te voeden.

De millioenen tegen oorlogsgevaar loaren direct gevonden. Begin ’36 bestond er bij de regering reeds twijfel, of de gezondheidstoestand en voedingstoestand onder werklozen wel in orde waren; een regeringscommissie werd benoemd tot onderzoek. Haar rapport verschijnt waarschijnlijk niet voor Maart ’39. Haast je langzaam! Drie jaren onderzoek en dan?

J. A. BRUINS.

Van de Federatie

Een nieuwe brochure: de rede van dr. Banning op de jaarvergadering is verschenen. Het thema is een hernieuwde plaatsbepaling en koersbepaling na de Septembergebeurtenissen. De stelling, dat wij nog slechts te kiezen zouden hebben tussen oorlog of fascisme wordt hierin afgewezen als onjuist, als niet socialistisch, als niet religieus. Tegenover het burgerlijke, het proletarische en het fascistische menstype stelt Banning opnieuw het evangelische; voor de opbloei hiervan voelen wij religieus-socialisten ons sterk verantwoordelijk.

Een actuele brochure, die eigenlijk verspreiding in vele duizendtallen verdiende. Onze oplage is ook nu niet meer dan een paar duizend, maar laat ieder dan ook zorgen, dat die in een oogwenk weg zijn. In de eerste plaats is dit het werk van de R.S.G.’s die hun bestellingen hopelijk al gedaan hebben in de tweede plaats van elke Tijd-en-Taaklezer, die immers x maal 10 cent kan storten op giro 257553 van J. van Rhijn, penningmeester van de Federatie van R.S.G.’s, Doezastraat Bb, Rotterdam, onder vermelding van „brochures Banning” en daarvoor omgaand x exemplaren van de fris uitgevoerde brochure krijgt toegezonden.

Als u ook helpt kan het in een week gebeurd zijn. D. TINBERGEN, secr.

Escamplaan 64, Den Haag.