is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 7, 12-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kritische Kroniek

Nico van Suchteten zestig jaar

(Een nabetrachting)

De merkwaardige behoefte om te huldigen is misschien evenzeer een bewijs van armoede als van hartelijkheid. En zeker heeft de man, die nu door een brede schare van vrienden in het zonnetje der openbare eer werd gezet, tevoren nimmer verwacht en nog minder gewenst, dat hij het middelpunt zou worden van een dankbaarheids-vertoon van grote omvang. Dat dit geschieden kon, ja geschieden moest, ligt aan dezelfde omstandigheden, die voor ruim twee jaar de Erasmusherdenking tot een demonstratieve daad maakten. Het is de tegenstelling tot de heersende tijdgeest, die de betekenis van Erasmus heeft geaccentueerd; het is diezelfde tegenstelling, die op het ogenblik van zijn zestigste verjaardag de betekenis van Nico van Suchtelen heeft verduidelijkt en verscherpt.

Het Humanisme heeft behoefte aan karakter-vaste figuren, aan getrouwe dienaren, op wie het on voorwaardelijk tot de dood toe rekenen kan. Geen helden, zoals de grauwe massa ze wenst, getooid met een onrechtmatig verkregen stralenkrans van deugden, waar een critischjer oog slechts een nikkelstalen bordje ziet, meestal met bloed bespat; geen romantische nog minder politieke helden, maar onverstoorbare, onverzettelijke denkers en scheppers van geestelijk goed. Ménsen, die in de wirwar van deze na-oorlogse, vóóroorlogse jaren, hun steunpunt vinden buiten de tijd. Om deze innerlijke vastheid, om dit eigenlijk vanzelfsprekende trouw-zijn aan de humanistische cultuur, in deze periode van neergang, heeft men behoefte gevoeld Van Suchtelen te eren —■ ach, hoe troosteloos moet de tijd reeds zijn, dat men eren gaat wat gewoon en algemeen diende te wezen!

Van de aanvang van zijn literaire arbeid af tot heden toe, heeft Nico van Suchtelen niet enkel de sfeer van onze beschaving in zich opgenomen en in zijn werk vertegenwoordigd, maar zich direct gewend tot de oorsprongen van deze beschaving, en aldus een onmiddellijke verbinding tot stand gebracht. Zoals zovele dichterlijke naturen Goethe, Gorter, Verwey, Henriëtte Roland Holst —• heeft ook hij in de wijsbegeerte van Spinoza de heldere inzichten gezocht, die hij behoefde. Het Spinozisme komt, door de strakke logica van z’n betoogtrant, tegemoet aan de wens-totvastheid, die juist in vaag-dromende poëtische figuren niet vreemd is. Het Spinozisme bovendien heeft in z’n conclusies een visionaire inslag, die de tijdens het betoog gebannen droom tot verhevigd leven herwekt. De aan Spinoza ontleende kracht is bij Van Suchtelen zó sterk geweest en gebleven, dat in al zijn werk de elementen daarvan zijn terug te vinden, verbonden somtijds met moderne psychologische opvattingen, vervormd ook naar eigen persoonlijke inzichten, beïnvloed door verwante richtingen als de Groninger School van Heymans, maar nimmer geheel afwezig. De sterke ethische trek, hem stellig aangeboren, vond in de autonome zedeleer van den grootsten en onafhankelijksten denker onzer gouden eeuw een emigrant! een theoretische bevestiging en tegelijk een practische versteviging. Zo werd de jongeman, die op Walden omstreeks het jaar 1900 Van Eeden hielp, doch véél zakelijker en daardoor véél critischer was dan hij, tot den cultuur-essayist, die in geschrift na geschrift de ondermijnde positie van het Humanisme verdedigt en in een wereld, waar belang en moraal vrijwel samenvallen, stelselmatig de aparte en dwingende betekenis van de innerlijke geboden handhaaft.

Van Suchtelen behoort tot die kunstenaars, die méér zijn dan zij uit hun werken schijnen. Het is immers.duidelijk, dat de dichter-in-hem bepaaide factoren heeft gemist om te worden tot één van de belangrijksten uit dit land en deze tijd. Wie zijn poëzie herleest, vindt daar ten duidelijkste de opvattingen van Verwey en de Beweging in terug, maar mét het voorbijgaan van de Beweging is ook dit onmiskenbaar voorbijgegaan. Rijker en veelzijdiger is de

prozaïst-in-hem, de schrijver van Quia Absurdum —■ het boek, waarin hij zijn Walden-tijd

uitbeeldde en scherp-critisch te boven kwam de auteur van de Stille Lach, van Demonen en Eva’s jeugd. De Stille Lach heeft in 1938 óók reeds iets ingeboet van z’n artistieke waarde, maar behield volledig z’n documentair karakter. Ontstaan in de eerste jaren van de wereldoorlog, draagt het daarvan en van de tijden daarvóór de kenmerken zo sterk, als nauwelijks één ander boek. Wat ons thans niet meer bevredigt, is de overgevoeligheid van

sommige personen, en meer nog: de somtijds ietwat breedsprakige overdaad van taal. Men zou willen schrappen, willen inkorten, niet in het feitelijke materiaal, maar in woordherhalingen en uitweidingen, om door concentratie het boek te doen winnen aan innerlijke kracht en geslotenheid. Juist de zachtmoedige levenshouding kan zich niet veroorloven zich te uiten in een al te zachtzinnige stijl, daar ze dan het gevaar loopt voor halfzachtheid te worden aangezien. Blijkbaar is dit ook Van Suchtelens eigen mening geworden want de latere cultuurbeschouwingen, zoals zijn tekst bij de vertaling van Erasmus’ ~Oorlog” c-n evenzeer de pas-verschenen schets „Interview” tonen hem in een uiterst militante houding, die men eerder hardhandig dan slap zal kunnen noemen. Niet enkel heeft dus de tijd zijn figuur geaccentueerd, óók heeft de tijd aan het in hem levende gevoel van beschaving en geestelijke waarden een nadrukkelijker klem. gegeven en hem van beschouwer gemaakt tot polemist.

Deze polemiek geldt eigenlijk, gedurende heel zijn leven, het geweld. Alle vormen van bruutheid, van machtswellust, van absolutisme zijn hem niet enkel vreemd, maar komen hem weerzinwekkend voor, omdat hij de mens en het menselijke steeds relatief ziet en siechts volstrektheid toekent aan de Idee. Zichzelven relatief steliend en dus in bescheidenheid arbeidend aan het even omvangrijke als intensieve cultuurwerk van schrijven, studeren, vertalen, uitgeven kan hij het ook niet dulden, dat anderen zich zelf de maat aller dingen achten, en zeker die anderen niet, wier Idee hij niet vergelijkbaar acht met de geestelijke grond der dingen, die hij belijdt. Voor de moderne despoten voelt hij een verachting, die hij nog enkel in bittere, cynische, soms grove woorden uiten kan en éven kan het de schijn hebben, alsof ddardoor de werkelijkheid dezer brute lieden ook overwonnen is. Dan echter ziet elkeen weer de feitelijke verhoudingen: enkele omhoog gevallen knechten, die niettemin in een sfeer van angst en spionnage de macht hebben dit werelddeel te gronde te richten, letterlijk tot niets te doen verkeren, en daartegenover de machteloze verachting van een fijnzinnig, begaafd, bescheiden, zachtmoedig mens, naar wien men nauwelijks luistert in deze tijd. Wat is al zijn arbeid

anders, dan een slag in de lucht, een Don Quichotterie tegen windmolens? Ach, wè,ren zijn tegenstanders maar niets dan draaiende molenwieken, de toekomst zou lichter zijn! Toch, méér dan een loos protest, meer dan een ledig gebaar is deze verbeten strijd: want zonder te kunnen zijn de vernietigingsfactor voor den tegenstander, is het en kan het wezen: de bevestigingsfactor voor zichzelf en voor de eigen kring van verwanten.

In de relativiteit der historie gaan en komen kunstenaars en gaan en komen dictators en demagogen. Van het werk der laatsten blijft niets over, volmaakt niets. Van het werk der eersten misschien tóch een weinig. Maar waarom zouden we speculeren op een onzekere toekomst, wij, die maar één taak hebben: trouw te zijn in het heden, en onszelf te blijven, nu en voorgoed?

Van Suchtelen is zichzelf gebleven, veertig arbeidzame jaren lang; dat is in een tijd van massaal verraad een dankbare gelukwens meer dan waard. G. STUIVELING.

BOEKBESPREKING

Dr. K. A. H. Hidding. Mystiek en Ethiek in Schweitzer’s geest. H. D. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem 1938. 102 blz. ingen. ƒ1.75, geb. ƒ2.25.

Dit boekje dat rust en aandachtsconcentratie vraagt, maar dan ook vruchten opbrengt wil meer zijn dan alleen een inleiding in de gedachtenwereld van Albert Schweitzer; het wil meehelpen, in Schweitzer s geest en voortbouwend op door hem gelegde grondslagen, aan een algemeen geldige levensbeschouwing, die Europa zo zeer mist. De woorden „mystiek” en „ethiek” zijn, in onderlinge verbondenheid, de centrale begrippen van een dergelijke levensbeschouwing; ethiek, d.w.z. de erkenning van enkele fundamentele zedelijke waarden; mystiek: de innerlijke beleving van, het deelhebben aan de levensgrond. In het begrip „eerbied voor het leven” vindt Schweitzer de verbinding van mystiek en ethiek.

Dr. Hidding heeft bezwaar tegen de wijze waarop Schweitzer deze verbinding tot stand brengt; ethiek en mystiek laten zich niet tot een ongescheiden eenheid verbinden (43). Wel handhaaft hij „in hoofdzaak” het resultaat van Schweitzer’s denken 80) en pleit hij voor die „edele humaniteit”, die ontstaat uit de eenheid van gedachte, (het denkend één worden met het oneindige leven) en wil (de daar die getuigt van den eeuwigen geest.) „Daar, waar ethiek en mystiek opgaan in die edele humaniteit, die de smart en de vreugde als gaven aanvaardt, is die irrationele, ethische mystiek, die alleen de cultuur dragen kan, werkelijkheid geworden (81).

Een boekje, om dankbaar voor te zijn. W. B.

Record-razernij

Tanden op elkaar. Hard, hard, hard! De [strijd van de mens tegen de nog snellere tijd.

Vinnige worsteling tegen de afstand. Uitvallers verdwijnen naar de baankant.

De banden ribbelen, suizen over de latten. De renners loeren gespannen als katten. Een schot, de bel, sprint Hoera! de snelste wint.

De stalen spieren reppen zich soepel.

Ze buigen om de oksel als een koepel. Hart en longen stellen de grens.

Sneller, sneller is onze wens!

Druk op de chronometer. De strijd is nu veel heter. De wijzer schokt over de seconden. Zenuwtrekking om de monden.

Het enthousiasme kolkt als een vulkaan. Alweer een oud record, dat eraan is gegaan. En steeds slaat muziek door de microfoon

Journalisten rennen naar de telefoon. Sneller, sneller, sneller, sneller! De strijd wordt nu nog feller. Tanden op elkaar. Hard, hard, hard! De [strijd

van de mens tegen de nog snellere tijd. Vinnige worsteling tegen de afstand. Uitvallers verdwijnen naar de baankant. A. STEENHUIZEN.