is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 9, 26-11-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS GESPREK

Over lot en schuld

Twee jongeren melden zich voor Ons Gesprek, want zij komen met zichzelf niet klaar, zij kunnen hét antwoord voor de dingen, die hen diep verontrusten, niet vinden. Het gaat om de ontstellende gebeurtenissen der laatste maanden en weken. In de discussies naar aanleiding van „het dictaat van München” is herhaaldelijk naar voren gebracht de schuld van het Vredesverdrag van Versailles, waarvan de naweeën tot op heden voortduren: er is verband, direct en zeer sterk, tussen het lot der wereld van 1938 en de schuld van de leiders van 1918. Maar juist dat roept een zo fel verzet op bij de jongeren, die niet willen boeten voor de schuld der ouderen. Ziehier:

~Moeten wij nu boeten, omdat in 1918, toen wij nog niet bestonden, door anderen een verdrag in elkaar gezet werd, waarvan tevoren vast stond, dat het om wraak riep? Moeten wij nu boeten daarvoor? Kunt u zich voorstellen, hoe wij dat vorig geslacht, dat heel de wereldoorlog als jonge mensen meegemaakt heeft, moeten zien?

Zij die al die ellende in al zijn vormen en graden van dichtbij en van verre aan den lijve ondervonden hebben, maar die er zo bitter weinig van onthouden en begrepen hebben, dat ze nu al die tussenliggende jaren van 1918 tot nu toe practisch niets hebben gedaan, om een nieuwe ellende voor het volgende geslacht onmogelijk te maken?

Is het niet om vertwijfeld de handen te wringen, te bedenken, dat onze ouderen, die toch hun ervaringen en vorderingen op alle gebied aan ons moesten kunnen bieden, dat die ons een wereld achter laten, die in plaats van iets vooruit, mijlen achteruit gegaan is, waarin ze geleefd hebben met de gedachte: „’t Is te hopen, dat het gedurende mijn tijd rustig zal blijven (soms durven ze daar nog om te bidden ook), zonder verder in die richting ook maar daadwerkelijk één vinger uit te steken. Ik moet denken aan wat Viruly zei op een getuigenisavond van het Kunstenaarscentrum tegen de ouders: „en als uw zoon opgeroepen wordt, en hij komt voor u staan en zegt: „maar moeder, wat heb jij voor de vrede gedaan” en: „Vader, heb jij dan niets, hebben jullie dan samen niets voor de Vrede gedaan?!!”.”

Als alle ouderen onder ons dat in zich opnamen, met welk gevoel moesten ze dan de jongeren beschouwen! Dit is de noodkreet van iemand, die ~als een van de vele duizenden” ziet, dat het begin van het einde daar is en dat hij er misschien, lichamelijk of geestelijk, of allebei door zal ten onder gebracht worden, buiten zijn schuld. (Want u zult toch niet van me willen vergen, dat ik dit alles zal willen onderbrengen onder: „en de zonden der vaderen bezocht aan de kinderen, tot in het derde en vierde geslacht... enz. enz.”). Daarvoor is er veel en veel te veel mensenwerk bij in het verrichte kwaad en in het pogingen kunnen doen tot afweer daarvan.”

Een ander trekt de gedachtengang door, en wil tot konsekwenties komen. Hij meent ten eerste, dat hij als ieder mens recht heeft op leven en geluk en wil zich dat door niemand laten ontnemen, maar zeker niet door hen de machthebbers der tegenwoordige wereld die een zo mateloze ellende over de wereld hebben uitgestort. Maar bovendien: hij is diep overtuigd dat het voortgaan langs dezelfde wegen niet anders kan betekenen, dan dat de hoeveelheid lijden opnieuw wordt vergroot: oorlog b.v. kan tot niets anders lijden dan tot een nieuwe nog afschuwelijker haat moeten wij daarom niet weigeren om aan oorlog en oorlogsvoorbereiding mee te doen? ~Anarchist ben ik overigens niet; ik ben overtuigd sociaaldemocraat, maar geloof in de oorlog heb ik volstrekt niet, óók niet in een z.g. democratische oorlog tegen het fascisme.”

Wat ik nu van deze dingen vind? De eerste brief ligt al zo lang naast me hij is geschreven in September van dit jaar, in die éne laatste week, toen de wereldoorlog vlak bij was. Telkens heb ik er weer naar gegrepen, om een antwoord te proberen, maar

ik heb deze hartekreet nog maar steeds onbeantwoord gelaten. Want ik besef diep: hier staan wij voor de ontzaglijke donkere dingen van het leven, waartegen elke redenering, elke theorie en elk dogma te pletter slaat. Maar misschien kunnen we elkaar toch wel een beetje helpen, al vinden we misschien niet een bevredigende oplossing.

Mag ik dan beginnen met een wat eenvoudiger geval te stellen? Een jonge man, zoon van een dronkaard, voelt in zijn aderen en ziel „de spoken”, de boze geesten, die hij van het voorgeslacht erfde. Daar is óók het verband tussen zijn lot en de schuld van anderen, al is misschien die „schuld” niet zo gemakkelijk vast te stellen. Als ik het goed zie, dan zijn er eigenlijk drie grote levensvraagstukken, die uit dit éne geval naar voren komen.

Het eerste formuleer je heel nuchter als „het vraagstuk der erfelijkheid” — mooi woord hè? natuurlijk, met „wetenschappelijke” klank. Ietwat anders gezegd: het is de vraag, of er feitelijk in het leven wetten heersen, die dan hier op neer komen, dat inderdaad de schuld der ouderen tot een onafwendbare vloek der jongeren wordt. En als dat zo is, dan hebben wij daarmee rekening te houden precies als met de wetten van de zwaartekracht en van de wisseling der jaargetijden. Wij zullen dan deze levenswet in het beeld, dat wij van het leven vormen, moeten opnemen.

Een tweede vraagstuk is dat van de erfelijkbelaste jongen: hoe moet hij het verdere leven door? Kan er wat gedaan worden, om de aanwezige, misschien sluimerende geesten te bedwingen? Maar vooral: hoe zou deze jongen zijn vader moeten beoordelen? En ook: hoe zou hij zich verantwoordelijk moeten stellen voor het eigen leven, om van dat van zijn nageslacht nog maar te zwijgen? En een derde vraagstuk komt rechtstreeks af op ieder, die niet met het geval te maken heeft, maar zich toch voor de medemens en zijn lot, maar ook ruimer: voor het toekomstig leven op

aarde, mede-verantwoordelijk weet. Ik geloof dat het goed is, om de vraagstukken zo even te onderscheiden; het zou kunnen zijn, dat een antwoord dat mogelijk is op één ervan (bijv. op het derde) het mij iets minder moeilijk zou maken, om mij neer te leggen bij het harde en wrede, dat er voor ons besef aan veel leven en het lot onafwendbaar vast zit. Mag ik de volgende keer even verder proberen te denken? W. B.

Neen!

Een bord, waarop de vraag: „Regering geef ons werk!”, werd in de Jordaan verboden.

Arbeid eisen is verboden en het klagen van je noden maakt je al bij voorbaat wee! Maar de ogen van de kind’ren.

en de krachten die steeds mind’ren mag dat zwijgen? Dat tekort en al dat wee? Hoort, de stenen spreken: „Nee!”

Arbeid eisen met de vuisten en het schreien in het duister wat je uitgestoten lee! Is verboden! Maar die ogen en dat dieper steeds gebogen

mag dat zwijgen? En geen enkel recht dan: „Wee! ”? Hoort, de stenen schreeuwen: „Nee!” P. V. HEEM.

Het beest uit de afgrond

Het is niet voor het eerst sinds de „Openbaring van Johannes” bekend is, dat men gelooft dat nfi het beest uit de afgrond gekomen is, dat de tijd van de anti-christ is aangebroken.

Dat men het nu weer gelooft in deze barbaarse tijden is niet te verwonderen. En al verbindt men er dan niet dadelijk het naderend wereid-einde mee —• toch hoort men ook in onze kringen nog al eens de uitdrukking „het beest uit de afgrond” gebruiken. Het „beest” uit de openbaring vertoont ook merkwaardig veel gelijkenis met de dictatoriale regering van onze dagen. Minder merkwaardig is die overeenkomst als men bedenkt, dat de schrijver van de Openbaring hier geen toekomende dingen op het oog had, maar de tyrannie van het oude Rome, die hij van zeer nabij kende. De geschiedenis herhaalt zich en wij kunnen met recht vergelijken.

Maar zó bedoelt men het meestal niet als men van het beest spreekt. Als een voorspelling is de opkomst van het beest neergeschreven en zó spreekt het ons aan: de heerschappij van Satan, van de anti-christ zal over de aarde gaan. En waarlijk, is het dan niet of deze voorspelling bezig is in vervulling te gaan?

Het moet wel een angstaanjagend denkbeeld zijn, dat Satan op het ogenblik dingt naar de wereldmacht, dat hij al een groot deel van de wereld beheerst en zijn macht nog dagelijks groeit. Er gaan mensen gebukt onder de angst van dit denkbeeld. Satan en zijn demonen houden huis. Wat moet er van de wereld worden? Ja, eens , ééns zal Christus het winnen van de anti-christ, eens God van Satan. Maar hoe ver lijkt het nog En intussen sluipt het kwade nader, regeert de Boze. Het beest komt uit de afgrond op. Angst gaat door de dagen. Angst voor hen die dit geloven. Maar doet deze dualistische wereidbeschouv/ing niet te kort aan God’s almacht? Het is immers God die regeert. Hij alleen. Niet straks, maar nu en altijd. De mens weerstreeft hem, de mens, die hij de mogelijkheid tot het kwade gegeven heeft om Hem in vrijheid te kunnen gehoorzamen. Lees daar het zin-rijk paradijsverhaal op na! De mens maakte van die moge-

lijkheid een ontstellende realiteit, een gruwelijke realiteit zoals nu bijvoorbeeld. Het éne kwade zet aan tot nieuw kwaad. Wereld-oorlog, Versailles, nationaal-socialisme, Mensen-schuld, Onze schuld. Het bestaan van een Satan, van demonen, zou een deel van de schuld opheffen. God en Satan strijden samen, wij worden heen en weer getrokken. Maar nee, zo is het niet, God alleen trekt ons en wij zijn het die wederstreven.

Het kwade dat is menselijke verdwazing. We kunnen er om treuren, we behoeven er niet bang voor te zijn. We hebben alleen te zorgen, zelf niet verdwaasd te raken, zelf niet ongehoorzaam te zijn. We willen het ~beest” neerslaan, er ons op wreken, het aan banden leggen Maar wat is nu eigenlijk dat beest? De verkeerd gerichte wil van den mens. Als er een Satan was, een tegenstander van God, dan mochten we tegen hem ten strijde trekken, dan mochten we haten en vernietigen. Maar we staan tegenover mensen, die God weerstreven en mensen zijn bestemd Gods dienaren te zijn. Wij hebben daarom met elkaar te zoeken naar wegen waarlangs in het wereldleven de roep van God duidelijker zal kunnen klinken. We hebben te helpen en te steunen juist de meest afgedwaalden.

Maar om te kunnen doorgaan moeten wij ons bevrijden van de angst. Angst voor machten der duisternis, beesten en verder griezeligs. Er is één Macht, en dat is de Macht van het licht. Die hebben wij te dienen. Ook als verdwaasde mensen het leven op aarde tot een hel maken. God regeert, bij Hem is rust en veiligheid. Zijn eeuwige Liefde, Christus, doortrekt de wereld. Naast Hem kan niets bestaan. De daden van verdwaasde mensen leren ons hoe weinig men gewend is naar God te luisteren. Dat kan ons bedroeven, ook bedroeven omdat het mede ónze taak is die mensen wel te doen luisteren en wij zo héél weinig van die taak kunnen volbrengen. Bedroeven kunnen die daden ons, maar ze mogen ons niet beangstigen als zouden ze een boze macht vertegenwoordigen, die ons moordend bij de keel kan grijpen. Ze vertegenwoordigen alleen de menselijke ongehoorzaamheid. God roept ons toe te strijden volgens Zijn liefde-wU. Er grijpen naar ons geen demonen, —. maar Hij draagt ons. BEP OTTEN.