is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 14, 31-12-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Bij de wisseling van het jaar

Ij et kost enige moeite, na twee kostelijke ** winterse Kerstdagen weer tot de beslommeringen des levens terug te keren. De ijsvreugde roept in allen, die er deel aan kunnen hebben en wie kan dat niet, aan deze meest democratische van alle volksvermaken? het kind weer wakker. Waarom zouden de muizenissen en de zorgen niet evengoed uit het leven kunnen worden weg-gevroren als zoveel ander ongedierte?

Wanneer wij op zo’n oer-Hollandse ijsbaan jong en oud, arm en rijk in de weer zien, fris en vrolijk, opgelucht en met een gezonde blos, ook de bleekneusjes, dan gaat ons het hart open, en dan zijn we trots op dit Nederlandse volk, dat ondanks zijn innerlijke verdeeldheid, ondanks de talloze vreemde, moderne beschavingsinvloeden van buiten, zichzelf toch altijd weer in de vluchtige, maar daarmee niet zinloze gemeenschap van het ijs terugvindt. Wordt op de ijsbaan, waar ieder zijn deel kan vinden, niet telkenmale een stuk van onze nationale traditie, ons populair, democratisch volksverbond vernieuwd? En is deze winterse vreugde, ondanks alle beklemmende zorgen, niet een bewijs van de vitaliteit van dit Nederlandse volk, van zijn diepgewortelde gehechtheid ook aan een gezond sociaal leven?

Toch; onwillekeurig moesten wij temidden van al die vrolijke bedrijvigheid terugdenken aan een soortgelijke manifestatie van democratische levenswil. In onze zomer-vacantie kwamen wij aan de oevers van de Moldau, waar het krioelde van gezonde, bruine lijven, die waarlijk niet tot de sociale élite alleen behoorden, onder de indruk van de vitaliteit van het volk der Tsjechen, dat toen reeds onder zulk een sterke druk leefde, maar er niet onder gebukt ging. Het is tevens een waarschuwing, want dit volk heeft moeten bukken, al is het misschien nog niet geheel en al gebroken.

En wanneer wij dan verder over de wijde sneeuwvelden zien en de gure stormen langs de huizen horen gieren, dan komen ook de schaduwzijden van deze winter weer scherper uit. Dan denken we aan de ellende in eigen land. Er zijn toch wel kinderen op het ijs, die er al te schamel uitzien. Er zijn baanvegers, die mopperen. Maar er is ook de gedachte aan de vluchtelingen, die duizenden in de barre koude aan de Pools—Duitse grens, die honderden Joodse kinderen, die nog altijd geen thuis terugvinden konden. En dan denken we tevens met dien zwaargewonden vrijwilliger op het kille Parijse station terug aan de sneeuwvelden van Teruel, waar vorig jaar het rode bloed van duizenden de witte vacht der natuur ontluisterde. Koude, honger nog meer, teistert ook het Spaanse volk. Zoals reeds zo vaak, schijnt Franco bovendien ook nu weer voor zijn beulswerk bij voorkeur christelijke feestdagen te hebben uitverkoren. Neen, laat ons toch maar niet pogen, het zware zorgenpak van ons af te schudden en op rappe ijzers een lichter toekomst tegemoet te snellen. De vlucht zou ons niet gelukken.

Een nieuw jaar wacht ons. De frisse, zuiverende atmosfeer van deze jaarswisseling mag wat muizenissen hebben opgeruimd, de reis gaat verder en de noden trekken mee, onze eigen dagelijkse en die van het hele mensdom.

Europa

Het was op gezag van den Europesen staatsman dr. Eduard Benesj, dat wij het jaar 1938 indertijd meenden te mogen begroeten als een „jaar van verzoening”. „Het jaar 1938 zal een jaar van voorlopige accoorden zijn, die de definitieve vrede voorbereiden”, luidde het in de Nieuwjaarsboodschap van den, thans reeds ver van zijn vaderland verwijderden.

Tsjechoslowaaksen president. Het werd inderdaad een jaar van accoorden, maar zijn wij niet verder van een definitieve vrede afgeraakt dan ooit?

Niet dat van den beginne af het optimisme, waarvan Benesj blijk gaf, volkomen ongegrond scheen. Er waren elementen in de nieuwe politiek, welke vooral van Engelse zijde werd ingeluid, die enige verwachtingen konden wekken. Chamberlain’s bereidheid, buiten de bestaande diplomatieke methodes om de dictatoren op de een of andere manier aan de conferentie-tafel te krijgen, waarbij speciaal aan de economische kanten der internationale moeilijkheden aandacht scheen te worden gewijd, had iets aantrekkelijks. Het is achteraf het zuiverste dilettantisme gebleken en wanneer de Britse minister-president in zijn jongste Lagerhuisrede durft verklaren, dat hij, indien hij nog eens zou moeten overdoen, wat hij de laatste achttien maanden had moeten doen, hij daarin geen tittel of jota zou veranderen, wordt de zelf-ingenomenheid daarvan slechts overtroffen door het walgelijke rondsturen van Kerstboodschappen met het befaamde „September-vliegtuig” erop afgebeeld.

Na achttien maanden nieuwe Britse koers; na het aan de dijk zetten van den enigen Engelsen minister, die behalve internationale routine ook positieve ideeën had; na het eindeloze broeden op het Paas-ei van Rome, waaruit nog altijd geen Brits—ltaliaans vriendschapskuiken te voorschijn is gekomen en dat in Januari door Chamberlain nog eens wat moet worden aan-gewarmd; na het smadelijke verraad jegens de republiek van Masaryk; na al het eindeloze, onsamenhangende en perspectiefloze geredekavel van den heer Chamberlain over „zijn” vrede, die hij nog altijd niet „voor onze tijd” gewonnen heeft, zou men het liefst tegen den Britsen premier zeggen: slik in uw parapluie en verdwijn. Maar dat zou niet netjes zijn.

München, voorbereid door de annexatie van Oostenrijk in Maart, betekent practisch, dat Duitsland vrijwel de baas is geworden in Oosten Zuid-Oost-Europa; dat althans niets meer buiten Berlijn in deze hoek van ons werelddeel kan gebeuren. Men kan zich dan ook afvragen of het nog zin heeft, zoals in Frankrijk de Blums en de Delbos in deze dagen doen, hun medeburgers er tegen te waarschuwen, alle betrekkingen met de Oost-Europese statenwereld te verbreken. Evenals men betwijfelen kan, of het hele gedoe van Londen, zich een deel van de Zuid-Oostelijke markten te verzekeren, nog enig nut heeft.

Wat München voor het Oosten betekende, moest Rome voor het Middellandse Zee-gebied worden, waar Mussolini aanspraak maakt op een invloed, die practisch op overheersing neerkomt. Wie zal zeggen, of de heer Chamberlain, die ongetwijfeld respect voor den Italiaansen dictator bezit, niet tenslotte een soort taakverdeling met Rome zal pogen te bereiken, waarbij Mussolini tot op zekere hoogte de politie-agent in de Middellandse Zee zou worden, mede ter „bescherming” van de gevestigde Britse belangen?

Een Europa, waarin Frankrijk achter zijn Rijngrens zou zijn opgesloten. Waarin geen grenzen meer zouden worden gesteld, zoals de „Frankfurter Zeitung” ondubbelzinnig schreef, „aan de natuurlijke groei van het Duitse wezen (lees: nazi-imperialisme) in ons werelddeel”. Waarin zowel de Franse als de Britse rijksverbindingen in de Middellandse Zee aan de genade van het „dynamische” Italiaanse fascisme zouden zijn overgeleverd. Zulk een Europa zou weldra het knekelhuis van de Westerse beschaving worden. En toch, wanneer de dictatoren verder in de Oekraine, in het Donaugebied, in Spanje, in Palestina, straks wellicht in Tunis, hun gang mogen blijven gaan, dan gaat het deze kant uit.

Dan zijn de accoorden van Rome en München inderdaad slechts voorlopig en zijn wij onderweg naar een definitieve vrede, die tevens het graf van onze vrijheid zal zijn.

Wereldpolitiek

Q e tijd is voorbij, dat Europa eigen lot ge- heel in eigen handen heeft. „De strijd om de vrede, schreef dezer dagen de Duitse socialist Schifrin in het nieuwe, nog frisse weekblad ~Zukunlft”, is niet meer een Europese aangelegenheid Hij moet noodgedwongen wereldpolitiek worden.”

De fascistische opmars van Duitsland naar Voor-Azië en van Italië naar Noord-Afrika; beider intriges in Zuid-Amerika; Japan’s opmars in China; het zijn slechts enkele elementen in de fascistische wereldpolitiek. En men heeft het fascisme vergund het initiatief te nemen. Uit West-Europa alleen zal het niet meer mogelijk zijn, deze opmars af te snijden en het initiatief over te nemen. West-Europa Is in het defensief gedrongen.

De West-Europese staten kunnen in een geisoleerde tegenstelling tot de fascistische staten slechts een wankel evenwicht vormen, waaraan elke mogelijkheid tot constructieve arbeid ontbreekt. Bij elk groot confUct zijn echter buiten-Europese machten evenzeer betrokken als Europese.

In de strijd om de Oekraïne worden Polen en Roemenië gedwongen, dekking te zoeken bij het half-Aziatische Rusland; bij een conflict in West-Europa zullen Frankrijk en Engeland meer nog dan in 1914 genoopt worden, een beroep te doen op de Verenigde Staten.

Deze in de natuur der dingen opgesloten verbindingen zijn echter waardeloos, wanneer zij pas bij het uitbreken van een conflict in werking treden. Een onmiddellijke aaneensluiting van de vier grootste, om welke reden dan ook, de vrede boven alles begerende wereldmachten: het Britse Rijk, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland, kan psychologisch nog altijd een zekere rem vormen tegen het verder af glijden langs de helling van capitulatie naar capitulatie. Wat daarbij de rol van Rusland zal zijn, valt moeilijk uit te maken. De Verenigde Staten, hoe onwillig overigens, hebben echter reeds meer dan eens tekenen van een democratisch wereldleiderschap gegeven. Hoe ruw en onbehouwen veelal ook, dit Amekaanse optreden deed ons goed in vergelijking met de dubbelzinnige halfslachtigheid der West-Europese staatsleiders. Wie is er, die, bij alle bittere ervaringen, met de Chamberlains en de Bonnets opgedaan, niet herademde, aan het eind van dit trieste jaar. toen hij niet alleen de afstraffing las, die het brutaal „protesterende” nazi-Duitsland deelachtig werd, maar ook kennis nam van het kloek besluit van Washington, met Amerikaanse regelingsschepen graan naar het hongerend Spanje te zenden?

Er zou heel wat minder reden tot vrees en onrust zijn over de toekomst van onze wereld, indien een energieke vredes-coalitie onder leiding van een onvooringenomen, maar ook ongeïntimideerd Amerika het initiatief nam tot een daadwerkelijke pacificatie. Onder de inspirerende invloed van den huldigen Amerikaansen president zou zulk een initiatief stellig niet op een onvruchtbare machtsvrede behoeven uit te lopen.

Het jaar 1939 is het laatste jaar vóór de presidentsverkiezingen in Amerika. Het ware ■te hopen dat Roosevelt een ander stempel op 1939 kon drukken, dan het jaar 1938 van Chamberlain ontvangen heeft.

B. W. SCHAPER.

KERSTVREDE 1938

„Populaire”.