is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 14, 31-12-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WITTE ROZEN

Er bloeiden in de laatste Octoberdagen nog witte rozen over de oude schuur, Trots regenstriemen, storm en hagelvlagen, stonden ze daar nog ongerept en puur.

O blanke schoonheid in het donk’re heden van marteling en van geschonden recht. Nu in de zielen ’t hoogste wordt vertreden en ieder pleit door machtsleuzen beslecht.

Bloeiende witte rozen, stille oase

bij vliegtuigronken door de najaarslucht, het imiteren van de oorlogsfaze, van oorlogsdreiging en oorlogsgerucht.

Vw blinkend wit doorglansde ’t avondduister; ook, toen men alle lichten had geblust,

stondt gij te stralen nog in wond’re luister, en troosttet ons met uw serene rust.

BETSY BULSING—V. BEBOUW.

Macht

Over het in- en beperken van macht handelt dan het laatste hoofdstuk van Bertrand Russell’s boek over „Macht”. Ziehier het geestige en terzake dienende begin; Toen Confucius de berg Thai naderde, zag hij een vrouw bij een graf bitter schreiende. De Meester haastte zich om haar spoediger te bereiken: hij zond Tze lu om haar te ondervragen: „Uwe weeklachten zijn als van iemand die door het ene leed na het andere is getroffen.” Zij antwoordde: „Zo is het. Op deze plek werd eenmaal de vader van mijn man door een tijger gedood. Ook mijn man onderging hetzelfde lot en nu is mijn zoon op dezelfde wijze omgekomen”. De Meester zei: „Waarom verlaat gij deze plaats niet?” Het antwoord was: „Er is hier geen dictatuur”. De Meester zei daarop: ~Onthoudt dit, mijne kinderen, dictatuur is erger dan tijgers”.

Het vraagstuk, nog onopgelost, van een regeringsvorm die de kunst van samenleven verbindt met eerbiediging van den individuelen mens, heeft de eeuwen door de denkende mensheid beziggehouden. Russell vervolgt dan hoe de aanhangers van den Chinesen wijsgeer Loa Tse (600 v. Chr.) het machtsprobleem voor onoplosbaar hielden: zijn aanhangers vervielen tot anarchisme. Confucius intussen geloofde dat ethische politiek en sociale scholing de machthebbers tot wijzen zou omvormen die wisten van zelfbeheersing en welwillendheid. In Griekenland streden terzelfder tijd democratie, oligarchie (regering van weinigen) en tirannie om de macht. Democratie, die machtsbeperking beoogde, viel telkens ten prooi aan den een of anderen demagoog. Evenals Confucius zocht Plato de oplossing in een regering niet van wijsgeren maar van wijzen. Sedert bewijzen allerlei regeringsvormen dat de oplossing er nog niet is. Maar, aldus Russell, voor een ieder die de geschiedenis en de menselijke natuur bestudeert, is het zonneklaar dat democratie, schoon geen volledige oplossing, een wezenlijk deel van de oplossing uitmaakt. Wie zich beperkt tot politieke voorwaarden, vindt de complete oplossing zeker niet, rekening moet gehouden worden met economie, propaganda en psychologie in dier verband met opvoeding en levensomstandigheden.

Onderzocht worden dan de politieke, de economische en propagandistische en de psychologische en opvoedkundige voorwaarden.

In het kort komen Russell’s beschouwingen hierop neer: De verdiensten der democratie zijn, negatief, voor zover zij geen waarborg is voor een goed bestuur, maar zekere onheilen voorkomt.

Zonder haar zou de vrouw van een dronkaard geen beschikking hebben over eigen verdiend geld tot onderhoud van haar kinderen; zonder haar ware het vakverenigingswezen nooit wettig erkend; zonder haar geen vermindering van slavernij, zonder haar geen minderheden die zich bekommeren om het lot der massa. Dat alle samenleven onmogelijk wordt zonder verdraagzaamheid en zekere mate van onpartijdigheid en de erkenning van het betrekkelijk recht der tegenpartij, ligt voor de hand. Doch daar collectieve actie op velerlei gebied noodzakelijk is, is daar de heerschappij der meerderheid de enige uitvoerbare vorm van onpartijdigheid.

Dat een democratie intussen alleen reeds nog geen waarborg is tegen machtsmisbruik blijkt b.v. wat Engeland betreft, uit de onderdrukking van lerland. Dat niet alle nationale, doch ook godsdienstige en politieke minderheden onder een democratie kunnen worden onderdrukt, bewijst o.a. de houding der regering tegenover dienstweigeraars.

Een wezenlijk bestanddeel van machtsbeperking is de beveiliging van minderheden, wat veel moeilijker is waar deze niet in groepsverband doch verspreid leven. Dat verschillende geloofsgemeenschappen vreedzaam onder een regering in eenzelfde land leven kunnen, is nu mogelijk in de democratieën, was het vroeger niet. Hoe nodig het is rekening te houden met psychologische verschijnselen waar het vragen geldt van machtsbeperking, blijkt o.a. hieruit, dat het besef van medezeggingschap bij de meeste staatsburgers zeer zwak is. En dat dit waarschijnlijk nauwer samenhangt met de belangrijkheid der verkiezing dan met de uitgestrektheid van het verkiezingsgebied. Al naar de zaak waarom het gaat, zal de algemene of de plaatselijke verkiezing een hoger percentage kiezers oproepen.

De hoegrootheid der medezeggingschap, die wel zeer gering is bij algemene verkiezingen, schijnt dus van weinig invloed te zijn op de bereidheid tot opgaan ter stembus. Dit geldt niet van een kiezerscorps waarbij het, als in de vakverenigingen, om beroepskwesties gaat waarbij een ieder betrokken is en die in alle plaatselijke afdelingen besproken kunnen worden. Russell ziet intussen in, dat deze methode onmogelijk over de gehele linie kan worden

toegepast. Al was het alleen maar omdat waar publieke lichamen in zovele opzichten het leven raken, hun beroepseisen het voor het overgrote merendeel der staatsburgers onmogelijk maakt actief voor hun belangen op te komen.

Waar levenskwesties als b.v. oorlog en vrede en deze geenszins alleen, de ganse wereld raken, worden de bezwaren al groter: bij den individuelen kiezer groeit het besef van onvermogen, terwijl hij in de meeste gevallen niet op de hoogte is noch kan zijn van de problemen waarom het gaat. Kon de vrees voor oorlog worden uitgeschakeld dan zou de belangstelling voor binnenlandse en plaatselijke belangen zeker groeien.

De methodes ter voorkoming van machtsoverschrijdmg van de vorige eeuwen passen niet langer bij onze veranderde levensomstandigheden. Wat nodig is, zijn verenigingen om deze of die vorm van vrijheid te beveiligen en om snel critiek te kunnen oefenen op ambtenaren, politie, overheidspersonen, rechters die hun macht overschrijden. Ook in de democratie bestaat het gevaar dat openbare diensten in hun opvattingen ten achter zijn bij de publieke opinie.

Ook in een democratie komt het veelvuldig voor dat individuen en organisaties met een welomschreven uitvoerende functie, wanneer men ze ongehinderd hun gang laat gaan, zich zeer ongewenst gezag toeëigenen. Het gevaar voor machtsovertreding acht Russell zeer groot bij de politie. Deze immers, wier bedoeling het is het bewijs van schuld te leveren, begeert van den verdachte een bekentenis.

Aan een bekentenis moet, meent hij, haar overtuigend karakter worden ontnomen en aan een afzonderlijk politiecorps moet de taak worden opgedragen onschuld te bewijzen. Doch aan de tirannieke macht der politie zou, meent hij, eerst een einde komen, wanneer de misdrijven vervolgd werden, die de politie begaat bij het vervullen van haar „plicht” bij het opsporen van overtreding.

Of wat hier voor Engeland geldt, het ook voor ons doet?

E. C. KNAPPERT.

Uit de Wereld van het Boek

A. David—Neel: Pelgrims, Rovers en Demonen. Uitg. H. Meulenhot'f, A’dam. Prijs ing. ƒ3.75, geb. ƒ4.90, 316 bladz.

Alexandra David—Neel heeft ettelijke grote reizen naar het Verre Oosten gemaakt; de laatste hiervan duurde veertien jaar en daarvan bracht zij er acht door in Tibet. Daar zij bovendien vergelijkende godsdienstgeschiedenis bestudeerde en vooral de oude Indische wijsbegeerte, hindoeïsme, boeddhisme e.d., kan men van haar een bij uitstek deskundig boek over Tibet verwachten. De titel van haar boek prikkelt onze verbeelding en de ondertitel: „Een vrouw trekt door Tibet” misschien nóg meer. Is niet Tibet het land, van ouds verboden voor vreemdelingen, het land van de Dalaï-Lama met de geheimzinnige hoofdstad Lhassa? Eki deze vrouw had de moed dit verboden land te betreden niet alleen, maar er bovendien haar plan ten uitvoer te brengen, n.l. als eerste vreemdelinge een bezoek te brengen aan die lokkende verooden stad. In het eerste en tweede deel van haar boek beschrijft zij de geweldige moeilijkheden, die zij te overwinnen had, vóór zij dat doei bereikte. Het is jammer, dat er geen enkele kaart in het hele boek te vinden is. waarop men haar reis kan volgen. Daardoor wordt het relaas van klimmen en dalen, honger en kou lijden, wat eentonig, temeer daar de schrijfster vooral in het eerste deel het onbelangrijke niet uit haar dagboek geschift heeft. Het boek leest niet prettig. Of dit enkel aan de vertaling ligt betwijfel ik. In elk geval is het slecht gecorrigeerd.

In het derde deel beschrijft A. David—Neel haar verblijf in Lhassa en in de laatste twee hoofdstukken houdt zij zich in het bijzonder bezig met verschillende vormen van geloof en bijgeloof in Tibet. Maar dan vooral met de nadruk op de uiterlijke verschijningsvormen en dat is wel heel jammer, want zij kon als practisch Boeddhiste en Lamaïstisch waardigheidsbekleedster, dunkt ons, wel iets méér vertellen van de geest, die er achter woont. Werpt men mij tegen, dat men dit alles niet verwachten mag van een reisbeschrijving, dan zeg ik: accoord, maar geef mij dan Fridtjof Nansen maar. Die weet tenminste van natuur èn geest te spreken en heeft het bovendien wat minder over zichzelf en zijn eigen prestaties! L. W.—S.