is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 15, 07-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Veelkleurige universiteiten

ij erkennen het recht der ouders, om ’ ’ hun kinderen ook door de school in hun geest op te voeden. De meerderheid der soc.- democraten is tegen een neutrale staatsschool voor alle kinderen; vele ouders zouden op grond hunner overtuiging daartegen ook ernstig bezwaar hebben. In het parlement hebben dan ook de soc.-dem. Kamerleden gestemd voor de financiële gelijkstelling tussen het openbare en het bijzondere lagere onderwijs. Troelstra heeft zich daarbij laten leiden door zijn eerbied voor de geestelijke vrijheid, die wij niet alleen voor onszelf moeten eisen, maar ook aan anderen gunnen. Omdat hij deze .vrijheid voor allen wilde, kwam hij op voor „de vrijheid van elke richting, om in de school die geestelijke dampkring te brengen, waarin zij zelf ademt.”

Geldt hetzelfde voor het hoger onderwijs en moeten bijzondere universiteiten en hogescholen dus evenzeer als de rijksuniversiteiten door de schatkist bekostigd worden? Wie a zegt, moet ook b zeggen en zo bindt de consequentie aan het gehele alfabet. Wij doen vaak echter heel verstandig, het bij a te laten en zouden zelfs onredelijk en verkeerd handelen, door verder te gaan. Consequenties leiden volgens een spreekwoord naar den duivel; zij leiden zeker naar de wereld der onmogelijkheden of naar een doolhof van moeilijkheden. De soc.-dem. hebben zich onder leiding van Troelstra steeds verzet tegen pogingen, om een deel der kosten van het bijzonder hoger onderwijs door de staat te doen betalen. Enige weken geleden heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken voor een subsidie van /1 aan de R.K. Handelshogeschool te Tilburg. Een .gulden is niet veel, maar vertegenwoordigde bij deze stemming een beginsel en op grond daarvan zal zeker een volgend jaar getracht worden, geld uit de schatkist te krijgen voor het bijzondere hogere onderwijs.

Het zal waarschijnlijk zo’n vaart niet lopen. Door een vergissing is de uitslag der stemming anders geworden, dan de Kamer bedoelde. Maar er is een goede aanleiding, om de kwestie straks aan de orde te stellen. Troelstra heeft hierover een paar opmerkingen gemaakt, die ons een helder inzicht geven, waarom de financiële gelijkstelling voor het hoger onderwijs moet worden afgewezen. Hij zei 15 jaar geleden in de Kamer:

„Ons verschil van standpunt tegenover hoger en lager onderwijs zit hierin. Wij achten het hoger onderwijs als instituut van wetenschap nog belangrijker dan als inrichting tot aflevering van technisch bekwame ambtenaren. Dit standpunt geldt niet voor het lager onderwijs, dat zich niet de ontwikkeling der wetenschap, doch de opvoeding der kinderen ten doel stelt.”

„De student kan worden geacht tot zelfstandig denken in staat te zijn en de bewering, dat hij in de geest zijner ouders zou moeten worden onderwezen, is een belediging voor het opgroeiend geslacht, dat juist tot taak heeft, wereld en wetenschap op nieuwe banen verder te voeren.”

Scherp, maar ook juist heeft Troelstra de bijzondere universiteiten zorgvuldig van elkander gescheiden geestelijke broeikassen genoemd, waarvan en de wetenschap en het maatschappelijke leven der natie slechts groot nadeel kan ondervinden.

Ook onder de voorstanders der kerkelijke politiek zijn tegenstanders van het bijzonder hoger onderwijs. Zo noemt het chr.-hist. blad „De Nederlander” de verscheidenheid van wereldbeschouwingen aan een universiteit en hogeschool van grote waarde. Immers daardoor leren beoefenaars der wetenschap uit verschillend kamp elkander kennen. Het gevaar van zich in te spinnen in een eenzijdige gedachtenkring wordt hier ondervangen door een voortdurend onderling contact. De gelegenheid tot uitwisseling van gedachten is volop aanwezig. Hier leert men elkander vertrouwen en waarderen met volkomen eer-

biediging van principiële tegenstellingen.

Met deze woorden prijst ~De Nederlander” de veelkleurige universiteiten. Zij zijn toch niet kleurloos noch eenkleurig, maar mannen van de meest uiteenlopende wereldbeschouwingen geven hier in volkomen vrijheid hun wetenschappelijk onderwijs. „De Nederlander” wil dan ook van subsidiëring van bijzondere universiteiten en hogescholen niet weten. Het verzekert vast te willen houden aan de niet genoeg te schatten waarden, welke in de beginselen onzer hoger-onderwijswetgeving besloten zijn.

Vrijheid en verdraagzaamheid zijn kostelijke goederen, die door scheiding en afzondering licht voor een deel verloren gaan. Hoe meer men met elkaar omgaat en elkaar leert kennen, des te meer waardeert en begrijpt en verdraagt men althans andere beginselen en hun aanhangers. De Roomsen zijn tegenstanders van gemengde baden, ook bij de beoefening der wetenschap: de Gereformeerden trekken op ieder terrein graag scherpe scheidingslijnen. Dat leidt tot de oprichting van bijzondere universiteiten en de eis van subsidie.

Vrijheid en verdraagzaamheid en daarmee ook de wetenschap worden het best gediend door onze veelkleurige universiteiten. Zij gedijen het best in het open veld, waar de winden uit elke richting vrije toegang hebben.

De Joocfse overheersing

I r. Mussert schreef onlangs, dat een paar • honderdduizend Joden geleidelijk maar zeker de Nederlandse bodem in bezit nemen, de handel beheersen, de industrie onder hun macht brengen, de opvoeding onzer jeugd beheersen, recht spreken, uitmaken hoe ons volk moet denken, zich gedragen en handelen. Dit alles, verzekert hij, is ondragelijk, dit dulden wij niet, nu niet en nooit; het is onze plicht, daaraan een eind te maken.

Het is dezelfde beschuldiging, die al jaren tegen de Joden in Duitsland geuit is; daar spreekt men zelfs van een Joodse wereldoverheersing. Zelfs de regeringen van Engeland en thans in het bijzonder van Amerika, heten onder Joodse invloed te staan.

Dr. H. Polak, wien het waarlijk niet aan scherpzinnigheid, vurigheid en ook felheid ontbreekt bij de verdediging van zijn volk tegen de nat.-soc., heeft de moeite genomen, eens te onderzoeken, wat er waar is van die Joodse overheersing op ongeveer ieder gebied. Sinds 1815 heeft ons land twee Joodse ministers gehad, nooit is een Jood commissaris der Koningin geweest, er is geen enkele Joodse burgemeester, onder de 20000 gemeenteraadsleden vindt men nog geen 100 Joden, in de Eerste Kamer zitten twee en in de Tweede zeven Joden. Aan de zes openbare hogescholen zijn ongeveer twintig Joden werkzaam. Onder de Joden zijn zeer weinig grondbezitters. Er zijn hoogstens zes Joodse rechters. Van de voornaamste bankinstellingen is geen enkele directeur een Jood; evenmin vindt men er een In de directies der stoomvaartmaatschappijen en cultuurondernemingen. Joden hebben enige grote bedrijven gesticht, maar nemen in de nijverheid geen overheersende positie in. Geen enkel Nederlands dagblad heeft een Joodsen hoofdredacteur, met uitzondering van een provinciaal dagblad. Het aantal Joodse romanschrijvers, dichters, publicisten, is gering.

Wij doen slechts een greep uit de vele, merkwaardige gegevens van dr. Polak, die hem tot de conclusie leiden, dat de Joden in ’s lands politiek, oeconomisch en geestelijk leven een bescheiden plaats innemen.

En als zij daarin nu eens een grote plaats innamen? Zou men dan moeten klagen over Joodse overheersing, en maatregelen beramen, om ons volk van de Joden te verlossen? Ir. Mussert heeft al aangekondigd, dat de Joden, die zich na ’IB hier gevestigd hebben, ons land zullen moeten verlaten, als hij de macht in handen krijgt. Dit zal nog wel een paar dagen duren! Ook hier weer navolging van het Duitse voorbeeld. Immers in het

eerste program der N.S.D.A.P. lezen wij diezelfde eis.

Van Joodse overheersing is geen sprake, omdat de Joden in geen enkel opzicht bevoorrechting van hun volk najagen, omdat zij niet pogen, hun geloofs- en rasgenoten ten koste van anderen grote of kleine voordelen te bezorgen, omdat zij op generlei wijze de niet-Joden in ons land pogen te onderdrukken. Men kan veilig zeggen, dat de Jood, die een vooraanstaande positie heeft verworven, deze kreeg, niet omdat hij Jood, maar omdat hij deze positie waard is. Men kan ook zeggen, dat vele Joden door de bijzondere talenten, waarover zij beschikken, in velerlei opzicht ons land grote diensten bewijzen.

Meer dan de helft onzer Joden woont in Amsterdam. Mr. Ritter zegt van hun invloed: Het Jodendom heeft de handelsvoortvarendheid, de geestelijke krachten, de vlammende kunstzinnigheid van Amsterdam gestimuleerd (opgewekt) en toen R. Fruin het Joodse element ten onzent kenschetste als het ferment (gistmiddel) van ons volkswezen, heeft hij waarschijnlijk in de eerste plaats gedacht aan Amsterdam. En „De Nederlander” oordeelt daarom: Zo zien wij de Joden vandaag nog als burgers van Nederland, die wij uit de schakering van ons volksleven niet gaarne zouden missen.

Van een Joodse overheersing is hier schijn noch schaduw aanwezig. De Joodse geleerde, kunstenaar en zakenman verrijkt ons geestelijk leven en dient de volkswelvaart.

J. A. BRUINS.

Uit de Wereld van het Boek

H. Bakels, Bijbels Woordenboek, 2e druk. Ultg. Wereldbibliotheek, Amsterdam 1938.

Tot wetenschappelijke beoordeling van het Woordenboek van Rakels acht ik mij niet bevoegd. Wel wil Ik, nu deze tweede druk komt (royaal uitgegeven, met rustig voorname band), en de schrijver vermeldt dat hij speciaal denkt aan de onderwijzers, die op de openbare scholen bijbelse geschiedenis zullen willen vertellen, gaarne uitspreken, dat ik in de jaren van mijn domineespraktijk herhaaldelijk dit boek heb geraadpleegd, en daarvoor dankbaar was Rakels schrijft gelukkig fris en pittig en weet veel. Ik voeg er aan toe, dat ik hem niet steeds vertrouwde, er werden wel eens wat al te vlot oncontroleerbare beweringen als vaststaande waarheid gepresenteerd. Ik heb nog eens nagelezen de kritiek die prof. Oort in 1918 (Leven en Werken) op de eerste druk heeft geschreven, en zie nu, dat Rakels wel enkele dingen heeft overgenomen, maar andere, en toch waarlijk geen onbelangrijke, eenvoudig naast zich heeft neergelegd. Zo beweert prof. Oort b.v. zeer stellig, dat de tekeningen van de tempelindeling van Jeruzalem en omstreken fout zijn is Rakels zo zeker van zijn zaak, dat hij ze nochtans onveranderd laat? En is wat Gort schrijft over de Joodse Godsnaam (hij noemt enkele beweringen van Rakels, die ook in de 2e druk voorkomen, „een droevig staaltje van lichtvaardigheid”) er helemaal naast? Ik weet mij onbevoegd tot oordelen, maar kan het gevoel van onveiligheid, dat ik vroeger bij het gebruiken van dit woordenboek had, toch niet geheel wegdringen al blijft de dankbaarheid stellig overwegen.

W. R.

Gregory Bienetock. Bestrijd om den Graaien Oceaan. Erven J. Bijleveld, Utrecht.

De gebeurtenissen in het Oosten worden van steeds groter belang voor de wereld. Opnieuw houdt Azië ons In spanning door de brutale poging van Japan om aan China’s onafhankelijkheid een einde te maken.

Ter bestudering van de politieke en strategische vraagstukken is dit boek een uitstekende leiddraad. Het geeft een duidelijk beeld van de verhoudingen rond de Stille Oceaan en schetst de positie van de belanghebbende grote mogendheden: Japan, China, Rusland, Amerika, Engeland en Frankrijk.

Het beperkt zich tot politiek en krijgskunde; aan de economische vraagstukken wordt geen aandacht geschonken. De schrijver heeft zich deze beperking welbewust opgelegd en betoont zich op de gebieden, die hij beschrijft, een betrouwbare gids.

De vertaling is behoorlijk. Alleen begrijp ik niet waarom een vrij gezochte woord-combinatie als „geo-politisch” herhaaldelijk in het boek moet voorkomen. V. d. K.