is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 19, 04-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MACHT

Had Russell iets te zeggen over de opvoeding in zijn land, dan zou hij ieder actueel onderwerp via de radio voor alle scholen laten behandelen door de heftigste en meest welbespraakste voor- en tegenstanders. De kinderen zouden dan een beknopte opsomming van de argumenten moeten geven en hij zou zachtkens aan het inzicht bijbrengen, dat welbespraaktheid omgekeerd evenredig is aan degelijk redeneren. Immmm zijn voor woordenrijkheid is van het allergrootste belang voor de burgers ener democratie.

Russeli zou op de kleuterschool al beginnen met te waarschuwen voor reclame en advertenties. Hij zou twee lekkernijen laten proeven: de ene, de goede, zou hij aanbevelen door een droge opsomming van de ingrediënten, voor de nare zou hij alle mogeliike reclame-slimheid gebruiken. Oudere kinderen zou hij de keus geven tussen twee vacantieverblijven: een mooi verblijf, dat op een schetskaart, en een onaantrekkelijk verblijf, dat door prachtige aanplakbiljetten wordt aanbevolen.

Het geschiedenis-onderwijs zou deze practische geleerde op gelijke wijze willen geven, om uit te lopen op een vergelijking tussen wat het ene en het andere dagblad over Spanje ten beste geeft, op een vergelijking tussen de officiële geschiedenis van de Grote Oorlog en wat op critieke momenten de dagbladen ervan opdisten. Mochten de leerlingen dit laatste voor ongelofelijk houden, dan waarschuwe men hen dat wij allen, tenzij wij onze wU zeer beslist richten op de vorming van een bezonnen en omzichtig oordeel, in een ommezien tot dergelijke krankzinnigheid kunnen vervallen, zodra de regering een oorlogsstemming opwekt.

Onze mathematicus-philosoof-paedagoogpsycholoog verzuimt natuurlijk niet erop te wijzen, hoe hij een dergelijke, verstandelijke, critische houding alleen aanbeveelt waar het hartstochten geldt die tot collectieve hysterische opwinding leiden, waaruit oorlogen en

dictatuur voortkomen. Want wijsheid is niet enkel verstandelijk, het verstand moge richten en leiden, de kracht tot de daad komt voort uit het gevoelsleven. Volgens hem is het gemakkelijker angst-, haat- en wrokgevoelens op te wekken dan die aandoeningen, welke in haar gevolgen de gemeenschap ten goede komen. Hier hangt veel af van kinderen jeugdindrukken en van economische omstandigheden. Er kan een voedingsbodem geschapen worden waarop alleen weldadige, opbouwende, scheppende gevoelens wortelen en ontkiemen kunnen. Dat is wat religie doet, waar muziek, poëzie, inzicht in het cosmische leven bij aansluiten. Reeds werd opgemerkt dat Russell individualist is, wat hem ertoe brengt in het georganiseerde gemeenschapsleven niets anders te zien dan een noodzakelijk mechanisme, niet iets wat om en op zichzelf waardevol is. In zijn veroordeling van de verabsolutering van de Staat, staan wij even overtuigd aan zijn zijde, als waar hij in het dogmatisme der kerken de vijand ziet van verbroedering en menswaardering. Hij weet

echter blijkbaar niet van een religieuze levenshouding als de onze.

Waar hij tenslotte „Fichte’s Reden an die Deutsche Nation” aanhaalt als een voorbeeld hoe het niet moet en tegelijk met deze de als regel beslissende betekenis van opvoeding aanvaardt, staan wij vanzelfsprekend aan zijn zijde. Waar Fichte 'de persoonlijkheid wil doden, de wü breken en opvoeding gelijk stelt met het temmen van een veulen, eist Russell, zal macht worden ingetoomd, en democratie bestaanbaar zijn, dat alle opvoeding gericht zij op ontplooiing van de persoonlijkheid, waarbij hij niet laten kan, er nadrukkelijk op te wijzen, hoe voor den opvoeder zo goed als voor den staatsman, machtsbegeerte het grootste gevaar is.

Hier volgt de laatste bladzijde uit zijn boek, een boek dat reeds enkele maanden na zijn verschijnen een derde druk beleefde, waarvan prof. De Selencourt zegt: „Het komt mij,voor dat, om de een of andere reden, een ieder lezen moet wat Bertrand Russell heeft te zeggen over macht. Men ontkomt er niet aan”.

Ziehier dan: „Fichte en de machtsmensen, erfgenamen van zijn idealen, denken, wanneer zij kinderen zien: „Hier is materiaal, dat ik kneden kan, dat ik leren kan zich te gedragen als een machine om mijn bedoelingen te bevorderen. Nu moge levensvreugde, spontaneïteit, het speelinstinct, de wens om te verwezenlijken wat van binnen uit ontspringt, en niet van buitenaf wordt opgelegd, mij in de aanvang in de weg staan maar dit alles is dood na de scholingsjaren, die ik opleg; fantasie, verbeelding, kunst en denkkracht zullen vernietigd zijn door gehoorzaamheid, het vermoorden van levensvreugde heeft ontvankelijkheid geschapen voor dweepzucht, en mijn mensen-materiaal zal ten slotte lijdzaam zijn als steen uit een groeve of kool uit een mijn. In de veldslagen waartoe ik ze heenvoeren zal, zullen enkelen sterven, enkelen leven; zij die sterven zullen sterven in vervoering als helden, zij die leven zullen voortleven als mijn slaven met die diepe slavenmentaliteit, waaraan mijn scholing ze gewend heeft.” 'Voor een ieder die de jeugd liefheeft, is dit ontstellend: zoals wij kinderen leren, ervoor te zorgen niet onder auto’s te komen, hebben wij ze te leren ervoor te waken, dat zij niet vernield worden door wrede dwepers. Hiertoe moeten wij trachten onafhankelijkheid van geest te scheppen, ietwat sceptisch en door en door wetenschappelijk, en zover mogelijk de instinctieve levensvreugde te bewaren die eigen is aan gezonde kinderen. Ziehier de taak van een vrije opvoeding: het begrip bij te brengen van een andere waarde der dingen dan overheersing; te helpen om wijze burgers te vormen van een vrije gemeenschap, en door de vereniging van burgerschap met vrijheid, bij individuele scheppingskracht, mensen in staat te stellen aan het leven die glansrijke bloei te geven, die het aan enkelen gelukt is te verwezenlijken.”

iVie zich de betekenis van Russell’s boek op dit tijdstip wil waar maken leze prof. Roberts’ boek „The House that Hitler built”, dat voor kort in het Hollands is uitgekomen.

E. C. KNAPPERT.

VRIENDSCHAP

Wij zijn een uur als dit, stil tot elkaar gedreven. En hebben het, haast woordenloos, aanvaard

Dat mèt de ballast van elkanders leven Ons nieuw verbond van stond af werd bezwaard.

En nu is tussen ons dat klare zwijgen Waarin een hart een ander hart herkent

In dit vertrouwend tot elkander neigen Staan wij opnieuw het Leven toegewend.

L. V.

(vervolg van pag. 2) te doen, totdat zich tegenover hen een werkelijk scheppende geest verheft of de omringende wereld uitgeput is en de rust der uitputting optreedt. Het zijn mannen met een grote taktische begaafdheid. En tegelijk zijn het bezeten, door daemoniën, „gezichten”, voorgevoelens voortgedreven dromers, die zichzelf opzwepen tot god-gelijkheid, en in een onwerkelijke wereld leven, hoe realistisch zij zich van tijd tot tijd ook mogen voordoen”.

In een ander verband, in een artikel in het tijdschrift „Mass und Wert” van Thomas Mann, heeft deze zelfde Rauschning aangetoond, hoe het nationaal-socialisme alle sociale, economische, geestelijke en ethische krachten, alle beginselen van een geestelijke orde in het algemeen, verwoest. De staat wordt tot apparaat zonder meer, waarin alleen absolute leiding en blinde gehoorzaamheid overblijven, waarmee, alle krachten, die het wezen van de staat als gemeenschap van personen uitmaken, afsterven. Het recht verdwijnt met de staat; de weermacht, berustend op de gedachte van de weerplicht der burgers in ruil voor het recht tot deelname aan het openbare leven, wordt ondermijnd. Zedelijke en religieuze krachten worden om hunszelfs wil verlamd, waarbij het nationaal-socialisme niet opmerkt, hoe ook de elementairste geestelijke krachten reeds verzwakken: de jonge generatie begint zelfs het vermogen tot enige geestelijke inspanning en tot de meest primitieve concentratie te verliezen.

Rauschning weet uit de mond van den „Führer”, dat de strijd tegen het christendom van dezen laatste uitgaat. „Hij-zelf is het, die het christendom, en niet enkel de katholieke belijdenis, vernietigen wil, omdat hij het voor het Duitse volk schadelijk acht; in werkelijkheid: omdat het christendom het laatste, diepste en onverwoestbare fundament van een menselijke orde is, die immuun maakt tegen

de verleidingen van het radicale nihilisme en de laatste en uiterste verwoesting en revolutionnering verhindert”.

Deze verwoestingsdrang spaart, naar Rauschning in zijn boek uiteenzet, ook de natie niet, wier hoogste glorie toch zijn eigenlijke rechtvaardiging moest zijn. Het duidelijkste bewijs daarvoor acht de schrijver de blindheid, die Hitler in de Septembercrisis bezat voor de gevaren, die Duitsland toen van alle kanten omringden, een blindheid, die min of meer als welbewust wordt beschouwd. Het resultaat van deze blinde, revolutionnaire, verwoestende machtsdrift moet zijn, dat bij een terugkeer van de verhoudingen van September j.1., die de schrijver niet onwaarschijnlijk acht, Duitsland in een situatie wordt gebracht, die of oorlog, of ineenstorting, waarschijnlijk allebei betekent.

Zonder ons onbeperkt aan te sluiten bij de uitermate sombere opvatting, waarvan deze Duitse conservatieve, maar geestelijk verantwoorde nationale politicus blijk geeft, is zijn gedachtengang, die op een uitgebreide en diepgaande kennis van zaken en verhoudingen in het Derde Rijk berust, wel geschikt ons bewust te maken, welke krachten daar in Midden-Europa werkzaam zijn.

Het is voor ons maar een schrale troost, wanneer daaruit een innerlijke, morele zwakheid Rauschning spreekt in „Mass und Wert” van een „dodelijke zwakheid” van het Duitse Rijk blijkt, die ons ook uit de kringen der strategen en economen wordt bevestigd. De wezenlijke gevaren voor de wereldvrede liggen minder in de directe militaire bedreiging opgesloten, dan in de verwoestende, alles omwentelende geest, die een volk uit innerlijke onvastheid en stuurloosheid tot een haard van ontbinding en bron van explosies maken, waardoor de gehele omringende volkensamenleving voortdurend wordt bedreigd. B. W. SCHAPER.