is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 20, 11-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Amerikaans intermezzo

Het is de vorige week een beetje anders gelopen, dan men wel had verwacht. In de diplomatieke rederijkerij, waarin achtereenvolgens de Franse ministers Bonnet en Daladier, Chamberlain en de Duitse rijkskanselier ten tonele waren verschenen, was het thans de beurt geweest aan den Italiaansen dictator. Dit optreden is achterwege gebleven.

De redenen zijn ons tot dusver onbekend, waarom Mussolini zijn verbeide en enigszins gevreesde speech binnenskamers heeft gehouden. Het is mogelijk, dat de Spaanse zaken nog niet ver genoeg gevorderd waren, hoewel de débacle in Catalonië toch eigenlijk Zaterdagnacht wel reeds vaststond. Het is ook mogelijk, dat Rome van andere kanten waarschuwingen heeft ontvangen, zich in te tomen of een beter ogenblik af te wachten. Maar in elk geval moet de aardigheid er toch reeds enigszins voor den ~Duce” zijn af geweest. Want de ban, waarin de Europese mening door de kwasi-verzoenende melodie, die in Berlijn had geklonken, en die min of meer contra-punctisch door Chamberlain was opgevangen, bevangen was geraakt, was plotseling ruw gebroken.

Aan de overzijde van de Atlantische Oceaan voelde men blijkbaar niets voor de kunstmatige ~verzoenings”-atmosfeer, die in Europa werd gekweekt. In klaarblijkelijke afwijking van de Bonnets en Chamberlains bleek het Amerikaanse staatshoofd allerminst gerustgesteld door de Berlijnse aria’s. President Roosevelt had het, aldus luidden de berichten, ter verdediging van een royale wapenleverantie aan de beide westerse democratieën nodig gevonden, openlijk te verklaren, dat in de grond van de zaak de grenzen van Amerika in Frankrijk lagen, of dat althans minstens Frankrijk de eerste linie der Amerikaanse defensie vormde.

Roosevelt heeft deze pers-berichten naderhand, zij het vrij laat, geducht herzien. Hij heeft de scherpste uitdrukkingen eenvoudig als een boosaardig verzinsel voorgesteld, waarmee zijn tegenstanders hem voor de Amerikaanse publieke opinie wilden compromitteren.

Het merkwaardige verschijnsel deed zich echter voor, dat de tegenstanders, tndien dit de opzet van het geval was, met hun truck niet geslaagd waren. Want al was er inderdaad hier en daar verzet, bij de doorgewinterde neutralisten en isolatie-aanhangers, van een opstand mening was geen sprake.

En de totalitaire staten hebben hunnerzijds, door hun mateloos scherpe reacties, Roosevelt meer goed dan kwaad gedaan en zijn tegenstanders min of meer geblameerd. Het Amerikaanse volk heeft het in het bijzonder de Italiaanse pers kwalijk genomen, dat zij zelfs de lichamelijke gebreken van Roosevelt in het geding bracht, daarbij voorbijziend, hoe trots dit Amerikaanse volk juist op de moed en volhardendheid van zijn President is, die zich in de strijd tegen zijn kwaal (kinderverlamming, naar men weet) zijn grootste energie verworven heeft.

Roosevelt’s felste bestrijders in Amerika zelf, mensen als oud-president Hoover en de verstokte isolationist Norris hebben zich, ondanks alle critiek, tot uitspraken iaten verleiden, die in anti-totalitaire gezindheid voor Roosevelt niet onderdoen.

Zowel Norris als Hoover gaven blijk van de verontwaardiging, die de wrede bombardering van onbeschermde steden en dorpen door de totalitaire luchtmoordenaars bij het Amerikaanse volk heeft opgeroepen. Dezelfde Hoover, die Roosevelt verwijt door zijn politiek de Verenigde Staten in een Europese oorlog te verwikkelen, verklaart, dat dit laatste ongetwijfeld zou gebeuren, „indien een grootscheepse aanval werd gedaan op vrouwen en kinderen door een weloverwogen verwoesting van steden uit de lucht”.

Wie ontveinst zich, dat een dergelijke aanval tot de vanzelfsprekende elementen der moderire strategie behoort en dat de Verenigde Sta-

ten dientengevolge onmiddellijk in het begin van iedere Europese oorlog er bij betrokken zouden raken?

Roosevelt's Boodschap ïje beste uiteenzetting der Nieuwe Bedeling buitenlands politiek gebied blijft de indrukwekkende Boodschap, die de Amerikaanse president de 4e Januari tot het 76ste Congres heeft gericht en waarin de Verenigde Staten werden opgeroepen, partij te kiezen in de strijd voor „de verdediging van de godsdienst, de democratie en de goede trouw tussen de naties”.

Het was een typisch Amerikaans betoog, deze Boodschap, in de goede en de kwade zin van het woord. Men kan zich voorstellen, dat de nazi-hekelaars zich op woorden als de „Godvrezende democratieën” geworpen hebben. Wie iets van de persoonlijkheid van den Amerikaansen president weet, zal echter inzien, dat een dergelijk, misschien wat eigengereide en zelfingenomen, maar ook naief optimistische beoordeling van het eigen systeem volkomen eerlijk gemeend is.

Amerikaans in de goede zin van het woord is zulk een opmerking, als over „de wedloop om de democratie zodanig te laten werken, dat wij doeltreffend in vrede en veilig in zelfverdediging zullen zijn”. Wij vinden het weer wat erg „Amerikaans”, wanneer die efficiency vooral in de opvoering van het nationaal inkomen wordt gezocht. Roosevelt’s parool is: „Waarom zou ons volk eeuwig een zestig milliard-dollarnatie moeten blijven en geen tachtig-milliarddollar-natie kunnen worden?” In de Europese democratieën vergeet men echter wel eens uit pure fijnzinnigheid de gemoederen der grote massa te beroeren. En dat de democratie bij een Roosevelt stellig niet alleen een materiële aangelegenheid is, bewijst het slot van zijn Boodschap, waarin hij wederom op buitengewoon plastische, aanschouwelijke wijze de dictatuur en de democratie tegenover elkaar stelt.

De democratie zal kosten opleveren, aan belastingen en kapitaalsrisico, wil zij bepaalde resultaten bereiken, betoogt Roosevelt. „De dictatuur echter houdt kosten in, die het Amerikaanse volk nimmer zal willen betalen zij kost ons onze geestelijke waarden; zij kost ons het gezegende recht, in staat te zijn te zeggen, wat wij willen; zij kost ons de vrijheid van godsdienst; zij kost ons de confiscatie van ons vermogen; zij kost ons, in concentratie-kam-

De „Godvrezende Democratieën" in nazi-ogen

pen te worden gegooid en benauwd te zijn, over straat te lopen met den „verkeerden” buurman; zij kost ons de opvoeding van onze kinderen, niet tot vrije menselijke wezens, maar tot instrumenten, gevormd in en slaafs onderworpen aan een grote machine”.

Van het begin tot het eind is deze Boodschap een verweer en een protest tegen de aanmatiging der moderne dictatuur. De Amerikanen hebben zich in het begin van dit jaar, bij monde van hun President, die wat het internationaal aspect van zijn program betrof, de volle instemming der vertegenwoordiging had, tot kampioenen der democratie opgeworpen. En men moet erkennen, gezien de halfslachtigheid en slapheid der grote westerse staten, dat er voor dit ambt een vacature bestond.

„Amerikanisering"

Er is bezig een eigenaardige wijziging in de verhouding Europa-Amerika in te treden, waarop de politieke gebeurtenissen ons in deze dagen attent maken.

Er bestaat ongetwijfeld in West-Europa op dit ogenblik veel minder vrees voor een Amerikaanse leiding, dan er enige tientallen jaren geleden bestond. Integendeel, jarenlang wordt reeds uitgezien naar een gezond initiatief van over de Oceaan, dat het oude Europa uit de verwarring en benauwenis kan halen. Alleen kortzichtige en in de grond van de zaak eigen carrière of eigen kunnen overschattende politici als Bonnet en Chamberlain kunnen aan hun eigen geïntrigeer met de dictatoren de voorkeur geven boven een breder opgezette, wereldomvattende aanpak der dingen. En verder schreeuwen juist die staten het hardst, die door hun massalisering en vertechnisering van de hele eigen cultuur sterker „ver-Amerikaniseerd” zijn dan de Yankees zelf.

Wij hebben hier in Europa geleerd, op economisch gebied Uncle Sam verschillende nieuwe kunstjes af te kijken of te benijden. Maar wij leren vooral op cultureel gebied, enige bescheidenheid tegenover de Amerikanen te betrachten. Zo langzamerhand wordt Amerika het toevluchtsoord niet alleen van de Westerse cultuur-producten, maar ook van de cultuurdragers zelf. En het is uit Amerika, dat, eind van het vorig jaar, in een manifest van ruim 1200 geleerden de vrijheid van de geest en de solidariteit dier vrijheid over de hele wereld, de treffendste demonstratie heeft gevonden.

Deze twaalfhonderd geleerden, onder leiding van den bejaarden ethnoloog Boas, verklaarden de vrije wetenschap onverbrekelijk verbonden met het voortbestaan der democratie. „Wanneer mensen als James Franck, Albert Einstein of Thomas Mann niet langer hun werk mogen voortzetten, wegens hun ras, geloof of overtuiging, dan lijdt de gehele mensheid schade. Zij moeten in hun recht om de waarheid te zeggen, zoals zij die verstaan, worden bijgestaan. Indien wij, Amerikaanse wetenschapsmensen, een gelijk lot willen vermijden moeten wij onze pogingen daarop richten.

Deze bijstand jegens de vrijheid, met politieke en diplomatieke, ook met economische middelen, is hetgeen Roosevelt beoogt. Altijd moet men waarschuwen tegen het element van phrase en snoeverij, dat in deze betuigingen ligt opgesloten en zo scherp is getypeerd in het gezegde: ~Amerika zou Duitsland willen bevechten tot den laatsten Engelsman”. De huidige Amerikaanse president heeft echter reeds meermalen bewezen, zijn woorden in daden te willen omzetten. Wanneer er dan ook ooit een gelegenheid komt voor een of ander ruimer opgezet initiatief, dat vooruitzichten op een betere internationale ordening zou kunnen openen, dan kan men, naar door zeer recente aanwijzingen wordt bevestigd, op den huidigen Amerikaansen president rekenen.

Ter gelegenheid van een Amerikaanse actie voor een nieuwe vredesconferentie, die onge twijfeld op dit ogenblik utopisch en zelfs ongelegen moet worden geacht, maar in een niet verre toekomst onmisbaar zal worden, herin ■ nerde Roosevelt aan zijn ~historisch aanbod met alle andere naties in de wereld te rade te gaan met het doel, de onderlinge aanslagen te beëindigen, de bewapeningswedloop te stuiter; en de internationale handel te doen herleven.”

Het zou ons wat waard zijn, indien dit aanbod te eniger tijd door Europa zou worden aangegrepen. B. W. SCHAPER.

Senator Pittman: „Waarom een man doodschieten, als men hem kan doodhongeren?” Kladderadatsch, Berlijn