is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 20, 11-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lilt de Kerkelijke Wereld

De nieuwe Hervormde zangbundel Voor vele buitenstaanders wordt de protestantse kerk gekarakteriseerd door haar lamlendig zingen. Ook wie nooit in een kerk is geweest, kent van buitenaf het geesteloos geluid, dat hangen blijft tussen de gewelven. Oeen vaart, geen rythme, geen kleur, geen gloed.

Het is misschien wel goed, dat ook buitenstaanders weten, hoe niemand zich daar meer over verontrust, dan de godsdienstige mens zelf. Hij stelt zich echter de eerlijke vraag, of het buiten de kerken in Nederland zoveel beter is. Hij vraagt dat niet, om van de schuld af te komen, maar om de oorzaak van dc slechte toestand op te zoeken. Want ook al zou het overal slecht zijn, dan zou de kerk nog niet gerechtvaardigd zijn, indien zij deze toestand bestendigde. Ofschoon de kerk midden in de wereld staat, en door die wereld beïnvloed wordt.

Men moet inderdaad met enige nauwkeurigheid luisteren, om achter het hedendaagse protestantse kerklied schoonheid te ontdekken. Maar, voeg ik er direct bij, men moet overal in Nederland met erg veel oplettendheid luisteren om in samenzang schoonheid te ontdekken. Ook in de schoolklas, óók op de 1 Meivergadering.

De oorzaak van ons slechte zingen is moeilijk na te gaan. Volkskarakter, traditie moeten hier een belangrijk aandeel hebben. Het lied immers veronderstelt een opgaan in de massa. Het vraagt woorden te zeggen van een ander. Het eist, dat men zijn ziel voor een heel klein stukje bloot geeft. Al die dingen wekken bij ons, Nederlanders, veel weerstanden. Wij willen niet graag massa zijn, wij willen, wat wij te zeggen en te belijden hebben, liefst in eigen woorden zeggen, wij zijn lichtgeraakt, dus wij geven ons niet graag bloot. Daarom zingen wij niet spontaan. Nergens. Ook niet in de kerk.

Het is een verheugend verschijnsel, dat in alle godsdienstige kringen dit gebrek wordt ingezien. Méér dan elders zelfs. Omdat meer dan elders, juist daar de betekenis van het gemeenschappelijk lied, beseft wordt. Een gemeenschap, waar niet meer gezongen, en dat wil steeds en overal zeggen beleden wordt, verkeert in verre staat van ontbinding. Er komt nog iets bij. Het verlangen naar nieuwe kerkbundels is ook een teken, dat men een nieuw verlangen kent naar, wat men dan noemt, de geestelijke schat der eeuwen. Dat aan zulk een verlangen gevaarlijke kanten zit-

ZONDAGSRUST BIJ DE EENDEN

ten, behoeft in een socialistisch blad niet (misschien moet ik zeggen: nóg niet!) betoogd te worden. Een goede zijde is in ieder geval, dat men althans het verleden beter leert kennen, en ontdekt, hoeveel verleden nog levend heden is. Zo ligt dan de nieuwe bundel van de grootste protestantse kerk in Nederland voor ons. Hij verschaft de gemeente gelegenheid weer te laten zien, dat zij gemeenschap is. Hij dwingt zich te realiseren, wat samenzingen is.

Er worden aan de musikaliteit veel hoger eisen gesteid. Allereerst zullen de inderdaad prachtige psalmmelodieën vlugger en weer rhythmisch gezongen moeten worden. Terecht merken critici op, dat bij dat rhythmisch zingen een andere vertaling behoort. De samenstellers zullen die niet hebben aangedurfd, omdat men geen slapende honden moet wakker maken. Het is n.l. makkelijker christenen samen te laten zingen dan samen te laten spreken over het berijmen van psalmen Een nieuw rhythme is echter al grote winst Er staan 150 nieuwe gezangen in. Verschillende uit de tijd van vóór de reformatie. Sommige van moderne dichters. Vele oude heeft men blijkbaar laten staan, omdat zij, zonder verder van enige religieuze, en aesthetische betekenis te zijn, nu eenmaal waren ingeburgerd.

Hierover een oordeel uit te spreken valt op korte termijn niet mee. Dat kan alleen na intens gebruik. Daarom wantrouwen wij zowel de jubelaars als de critici. Als religieus-socialisten moet ons echter wel wat van ’t hart. Een woord van lof en een woord van aanmerking. Met grote blijdschap kunnen wij vaststellen, dat deze bundel geen burger- en, wat nog belangrijker is, geen staatsverheerlijking toelaat. Zes liederen staan erin onder het hoofd: „Vaderland”. Alle zes zijn het toch geen hinderlijk-vaderlandslievende liederen geworden Geen Nederlands uitverkiezingsgeloof en geen bodemmystiek, noch vorstenverheerlijking, komt naar voren. De meeste van deze zes zal een religieus-socialist van harte kunnen meezingen. Dat deze liederen, en geen andere erin staan bewijst ons, dat de Ned. Herv. Kerk afstand wil bewaren tot de natie.

En nu de aanmerking. Tevergeefs zoeken wij naar liederen van de arbeid, naar liederen, die een opdracht belijden jegens de samenleving én naar liederen, die van vrede en gerechtigheid-nu spreken. Het is mogelijk, dat de commissie er wel naar gezocht heeft, maar ze niet heeft kunnen vinden. Dan zuilen wij

uit deze aanmerking de conclusie trekken, dat er voor het Religieus-Socialisme nog zeer veei werk te doen staat.

Het is voor de wereld waarin wij leven, ook voor Nederland, van de grootste betekenis, als het lied weer gemeenschap wekt. Het is van nog groter betekenis, als de prikkel daartoe uitgaat van een nieuwe liefde voor het geestelijke lied.

In mijn tegenwoordige gemeente is de vervolgbundel, in 1866 uitgekomen, bij kerkeraadsbesluit van 1910 ingevoerd. Het is te wensen, dat de N.H. Kerk in haar geheel er ditmaal niet zolang over doet. Laat het althans aan ons, religieus-socialisten, voorzover wij daartoe in staat zijn, niet gelegen hebben, als her niet gebeurt.

Hitler en de Kerk

Hitler heeft een redevoering gehouden voor de Rijksdag. Hij deed dat voor mannen, die benoemd worden om hem toe te juichen. Een passage van die rede ging in op de verhouding tussen Kerk en Staat. Wij willen die onder de loupe nemen.

Hitler verweert zich tegen de verwijten in het buitenland, dat in Duitsland geloofsvervolging zou zijn. Dat is niet waar, verklaart Hitler. wordt vrij gelaten in zijn geloofsovertuiging. Ja, ging hij voort, de bijdragen uit de staatskas aan de Kerk zijn in de laatste zes jaar zelfs enorm gestegen. In 1933 werd 130 millioen mark, in 1938 500 millioen mark uit de staatskas in de kerkekas gestort. Bovendien, de Staat heeft met geen vinger geraakt aan de tien milliard, die de kerken bezitten. Ja, hij gaf toe, dat er priesters achter slot en grendel zaten. Maar dat was vanwege hun onzedelijke handelingen. Ook leiders in de Staat, die zich indertijd aan knapen vergrepen, had Hitler terechtgesteld. Andere overtredingen van de kuisheidsgeloften der geestelijken interesseren ons niet in het minst, voegde de spreker er kiesheidshalve aan toe!

Hitler komt zelfs met een voorstel. Een royaal aanbod. Als de Kerk niet tevreden is met haar positie, dan wil de Staat wel toestemmen in een volledige scheiding tussen Kerk en Staat. Zoals in Frankrijk en in de Verenigde Staten het geval is.

Wie dit allemaal oppervlakkig hoort, vindt, dat het eigenlijk allemaal logisch, vertrouwd modern klinkt. Welke bezwaren hebben wij er dan nog tegen?

Antwoord: vele. Laat mij ze noemen. Ten eerste: Hitler bepaalt zelf, wat vrijheid van geloofsovertuiging is. Zolang hij, en niet de Kerk daarbij een beslissende stem heeft, is zulk een dictatoriale verklaring van nul en gener waarde. Hitler is immers gewend iedere geloofsovertuiging, waar hij last van krijgt, of zelfs maar van kan krijgen, politiek te noemen. Ik zou, omgekeerd, staande widen houden, dat een geloofsovertuiging, waar de Staat op een of andere wijze niet zijn moeiten, desnoods zijn lasten mee heeft, zeker geen Christendom is. Dat te bepalen is niet een zaak van de Staat, maar van de Kerk. En waar zij, de Kerk dat niet zelf bepalen kan, is geen vrijheid.

Ten tweede: Hitler noemt indrukwekkende cijfers. Ik weet niet, hoe hij daaraan komt. Wel weet ik, dat er naast de subsidie, die van oudsher, ook in Nederland, aan de Kerk wordt gegeven (waaraan de Staat in Nederland sinds 1848 nimmer het onkiese recht heeft ontleend, zich met de aangelegenheden van die kerken te bemoeien), in Duitsland reeds lang voor Hitler’s regering de bijdragen aan de kerken via het belastingbiljet van den fiscus worden geïnd. De gelden, die uit de staatskas aan de kerken betaald worden, zijn daarom nog geen staatssubsidies. Hoezeer zouden de kerken nu een andere wijze van incasseren begeren! Ofschoon haar ervaringen met het organiseren van collectes ook niet van de aangenaamste aard is. Hitler legt een collecte nogal gauw als een politieke aangelegenheid uit. Het lijkt mij overigens niet aangenaam voor de Kerk telkens zo aan een historisch verklaarbare, maar thans zeer knellende afhankelijkheid herinnerd te worden.

Ten derde: Priesters, die onzedelijke handelingen plegen, dienen uit hun ambt ontzet en gestraft te worden. Maar dan toch spoediger, dan Hitler deed met zijn S.A.-leiders, die hij