is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 21, 18-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lit de wereld Tan nu

Met hoeveel lepeltjes zou de chocola het lekkerst zijn?

Het gebed in het Parlement

In het Zondagochtendblad van 5 Februari j.l. wijdt de heer Hans, hoofdredacteur van de liberale Avondpost, een hoofdartikel aan een belangrijke kwestie, welke de laatste weken in de rechtse pers wordt besproken. Het gaat n.l. om de vraag of het gebed bij de aanvang van de vergaderingen der Staten Generaal weer zal worden ingevoerds Wij kunnen ons geheel aansluiten bij hetgeen de heer Hans hierover schrijft. Hij ook immers verklaart met zeer grote schroom tegenover deze herinvoering te staan. Want hoe groot is niet het gevaar, dat het gebed tot een dode formule wordt, dat degene, die het gebed moet zeggen, de voorzitter of de griffier, zelf geen gelovig Christen is, of geen godsdienstige overtuiging heeft, dat er in de vergadering verscheidene zijn, die het gebed niets zegt, dat er na het gebed onmiddellijk dat gegons en rumoer is, dat iedere vergadering kenmerkt, dat het aanwezige publiek niet weet hoe zich te gedragen? En hoe zal men het besluit tot invoering van het gebed voorstellen? Bij meerderheid van stemmen?

Verschrikkelijk! Hoe zal de houding der aanwezigen zijn? Zullen zij de ogen sluiten, de handen vouwen? Ook degenen die godsdienstig niet overtuigd zijn? Wij zouden, aldus de heer Hans, onmiddellijk voorstanders worden, wanneer wij de wetenschap bezaten, dat alle of vrijwel alle leden der Staten-Generaal uit diepe overtuiging zich verklaarden voor de invoering, wanneer wij wisten, dat het hier werkelijk elke dag een plechtig ogenblik van eensgezindheid-in-het-gebed zou worden. Maar het gebed als formule, het gebed als gemeenplaats, het gebed, dat wordt uitgesproken zonder gedragen te worden door de overtuiging van wellicht vele der aanwezigen, dit is voor ons zo verschrikkelijk, dat wij ons vooralsnog niet voor de invoering durven verklaren.

Hef Nationaal-socialisme als Religie

Bij de centrale uitgeverij der N.S.D.A.P. is zo juist een officieel geschrift verschenen van de hand van den „Reichsrechtsführer Reichsminister” dr. Hans Frank, tevens president van de Academie voor Duits Recht, onder de titel; ..Rechtsgrundlegung des nationalsozialistischen Führerstaates”.

Wij lezen hierin o.a. de volgende merkwaardige passages: ~God beoordeelt een volk naar geen andere maatstaf dan naar de vraag of het recht deed wedervaren aan zijn oorspronkelijke opdracht of niet. De wereldbeschouwing van het nationaal-socialisme is de erkenning en de bevestiging van een eigen waarde der wereldgeschiedenis als een verloop van rassen-oorlogen en rassen-ontwikkeling.

Het nationaal-sociallsme is geen belijdenis. Het is echter wel de leer van het geloof aan de goddelijke roeping der volkeren en in het bijzonder aan de grote zending van het Duitse volk. In de vervulling van de dienst aan het eigen volk ligt de wijding van een godsdienst. De geestesgeschiedenis op zichzelf van elk volk kent drie grote gebieden, drie gebeurtenissen: openbaringen, verheerlijkingen en uitleggingen. De openbaring is de verschijning van een heroïsche macht, die vrij-uit, in de een of andere logische, kennelijk-aardse causaliteit, uit een vóór alles eenvoudig ongekend domein, een geloofsinhoud bewerkstelligt. De openbaring verwekt het geloof aan den Heros en grondvest en draagt religies of wereldbeschouwingen. De verheerlijking is de kunstzinnige vormgeving aan een zielservaring door de werkzaamheid van een Meester, die tot bewondering brengt. De uitlegging is de tot overtuiging leidende daadkracht van een geestelijken Leider, van den Leraar, die de resultaten van zijn studie doorgeeft. Uit geloof, bewondering en overtuiging; uit

de daad van den Heros, de prestatie van den Meester en de werkzaamheid van den Leraar bestaat de geestesgeschiedenis van een volk. Wij geloven aan de staat-scheppende, éénmalige kracht der openbaring van het nationaal-socialisme. Wij bewonderen de kunst van do geniale wetgevers en wij zijn overtuigd van de waarheid van de leer van het nationaalsociallsme van Adolf Hitler. De grootheid van de nationaal-socialistische rechtsidee is gelegen in de belichaming van Heros, Meester en Leraar in de éne gestalte van Adolf Hitler.”

(Uit: Algemeen Weekblad voor Chrd. en Cultuur.)

De Regering en de Vereniging voor Sexuele Hervormng

De Vereniging voor Sexuele Hervorming heeft aan de Leden van de beide Kamers der Staten Generaal een open brief geschreven, waarin de houding van de overheid tegenover de geboorte-regeling, aan critiek wordt onderworpen.

Het sterkste argument, dat de Vereniging o.i. aanvoert is wel dit: Wanneer de bevolkingstoename van ons land zender geboortebeperking van 97 duizend op 241 duizend zou stijgen, dan zou onmiddellijk ook het sterftecijfer aanzienlijk omhoog gaan. Want: een dergelijke stijging der bevolking zou tot zulke onhoudbare toestanden voeren, dat wij ons economisch en hygiënisch peil onmogelijk zouden kunnen handhaven. Honger, armoede en epidemieën zouden het „natuurlijk evenwicht” weer hersellen, maar dan het natuurlijk evenwicht van vroegere eeuwen, toen er van de 10 geboren kinderen maar 4 volwassen werden.

De natuurlijke mens beperkt zijn kindertal niet, maar hij bestrijdt ook zijn sterfte-oorzaken niet. De geboorte-beperking is allerminst een uiting van wuftheid of gemakzucht. Zij is o.a. de noodzakelijke tegenhanger van onze verminderde sterfte.

Arische zitplaatsen in de tram

Een merkwaardige ervaring, door een buitenlander in Duitsland opgedaan, wordt medegedeeld door „Der Deutsche Weg” van 29 Jan. j.1., welke haar ontleent aan het blad ,iLa Croix”.

Een oude heer aldus het blad wiens neus er zeer ondubbelzinnig uitzag, biedt zijn plaats in de tram aan een binnenkomende dame aan. Ontzetting. „Ik ga toch niet op een plaats zitten, die eerst door een Jood is bezet!” In de toon van deze woorden lag reeds opgesloten, dat zij het beleefde aanbod van den passagier als „rassenschande” beschouwde. Alle medereizigers waren getroffen en zwegen: zij durfden den „niet-Ariër” niet aan te kijken, die met zijn hoogrood gezicht maar het liefste door de grond zou zijn gezakt. Men had medelijden met hem, hij maakte de indruk van een geslagen hond.

Daar kwam een arbeider in blauwe kiel met zijn brood onder de arm. Hij deed alsof hij de bewuste zitplaats wilde schoonvegen, ging zitten, stond weer op en zeide: „Nu kunt u rustig gaan zitten mevrouw. Zoals u ziet, is de plaats intussen verariseerd.” Luid gelach volgde op de woorden van den dapperen arbeider en nu was het de beurt van de nazi-dame om een kleur te krijgen.

Ja —■ zo voegt het blad eraan toe „verarisering” is thans een zeer gebruikelijk woord in Duitsland. Men verariseert niet slechts zaken, doch ook mensen. Weten wij niet, dat zo vele nat.-soc. leiders, wier stamboom zeer compromitterend is, door den heer Göring „begenadigd” en „verariseerd” werden?...

(Ons Godsd. Leven)