is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 22, 25-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kom uit

JAMES REID OPWEKKING VAN LAZARUS

Joh. 11 : 28—44. Martha ging haa~ zuster Maria roepen en zeide heimelijk; De meester is daar en roept u. Toen Maria dit hoorde, stond zij ijling.s op en ging naar hem toe. Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond zich nog in de plaats, waar Martha hem ontmoet had. Toen de Joden, die bij Maria in huis waren en haar troostten, zagen, dat zij ijlings opstond en naar buiten ging, volgden zij haar, in de meriing, dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Zodra Maria kwam, waar Jezus was en hem zag, wierp zij zich voor zijn voeten en zeide tot hem; Heer, indien gij hier waart geweest, zou mijn broeder niet zijn gestorven. Jezus nu, toen hij haar zag wenen en eveneens de Joden, die met haar meekwamen, vertoornde zich innerlijk, bracht zich in ontroering en zeide; Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot hem; Heer, komt het zien. Jezus weende. Nu zeiden de Joden; Zie eens, hoe lief hij hem had. Enigen van hen zeiden; Kon hij, die de ogen van den blinde geopend heeft, niet verhinderen, dat deze stierf? Jezus nu, opnieuw vertoornd, ging naar de grafstede. Het was een spelonk, en een steen lag er op. Jezus zeide; Neemt de steen weg. Martha, de zuster van den overledene, zeide; Heer, hij riekt al; het is reeds de vierde dag. Jezus zeide tot haar; Heb ik u niet gezegd, dat gij. wanneer gij gelooft, de heerlijkheid Gods zult zien? Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen naar boven en zeide; Vader, ik dank u, dat Gij mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij mij altijd verhoort; maar dit zeg ik ter wille van de schare, die hier omheenstaat; opdat zij mogen geloven, dat Gij mij gezonden hebt. Na dit gezegd te hebben riep hij met luide stem; Lazarus, kom uit! Nu kwam de overledene er uit, handen en voeten met doeken omwikkeld, het aangezicht in een doek gehuld. En zeide tot hen; Maakt de windselen los en laat hem heengaan.

Willen wij dit verhaal met enig begrip lezen, dan hebben wij allereerst te beseffen, dat het staat in het Johannesevangelie. Waar de eerste drie evangeliën vertellen over een menselijke gestalte, die al vertellend naar het volmaakte, ja naar het goddelijke, wordt getrokken, daar spreekt het vierde deel van „het

woord Gods, dat vlees werd”, van de Goddelijke geest, werkend in deze wereld en het leent aan deze geest mensengedaante.

Zo spreekt het Joh. ev. niet van de verzoeking in de woestijn, en zoeken wij omgekeerd de ~opwekking van Lazarus” vergeefs in de andere evangeliën. In dit licht wordt het bovenstaande al minder vreemd, ja krijgt het zijn diepe zin. De dood was dan gekomen in het huis van Jezus’ vrienden te Bethanië en had den broeder. Lazarus, getroffen. En nu is daar, vier dagen na het sterfgeval, het gewone rumoer van troostende vrienden en jammerende klaagvrouwen, alsof men den Christus nooit ontmoet had en als de verre voorvaderen alleen wist van dit zichtbare, bonte, goede en moeilijke, eindige leven. Maar Martha merkwaardig, dat zij, de aardsbezige, hem het eerst verneemt ontglipt, gaat Jezus tegemoet en spreekt hem van haar geloof, het joodse geloof der latere eeuwen, in een verrijzenis ten laatsten dage. Daartegenover, daarboven, stelt hij de stralende ervaring van het leven in de dood: Wie gelooft, wie weet van Gods werkelijkheid en daarin leeft, zal leven, ook al is hij gestorven. Ja, voor wie leeft in God, is de dood slechts schijn; hij „zal in der eeuwigheid niet sterven”, (vs. 26). En zij zeide tot hem: „Ja, Heer”. Voor Martha was Lazarus’ opstanding niet nodig meer.

Maar Maria weent en de anderen wenen. In Jezus’ toornige tranen zien zij smart. Niet in medelijden, niet om een vriend te „redden” gaat Jezus nu naar de grafspelonk, maar „opnieuw vertoornd”. En Martha, die nu steliig weet, dat de dood bij het leven hoort, protesteert tegen een inbreuk op de „normale” gang van zaken: „Het is reeds de vierde dag”. Lazarus moet toch de zware weg terug gaan, om een levend bewijs te zijn voor de nietigheid van de dood, opdat velen „geloof mogen erlangen”.

Wij wenen als Maria bij elk pijnlijk afscheid, alsof niet evengoed de gemeenschap met den levenden naaste verloren kon gaan, alsof zien en tasten alles was, alsof er geen trouw bestaat, die over de dood heen reikt. En als cr geen onmiddellijke aanleiding tot geween is, rillen wij van angst. Is niet alle leven voortdurend bedreigd? En zijn niet onze bescher mende en afwerende handen vaak machteloos? Het meest beschutte leven verwelkt als een bloem bij de eerste nachtvorst. Elders tiert het als hardnekkig onkruid. Het leven komt en gaat naar eigen wetten. En aan dat leven hangt ons wel en wee? Hoe verdienen ook wij Christus’ toom!

Misschien ook hopen wij op een verre toekomst, een weerzien „aan gene zijde”, een opstanding. Dan zullen wij hebben te leren, dat opstanding en eeuwig leven werkelijkheden van deze dag zijn, in geloof te ervaren. Het wonder, waarmee het oude verhaal werkt, zou op ons waarschijnlijk geen indruk maken, maar het zijn nog altijd wonderen, die ons tot inkeer brengen. Een kind, dat wij al meenden te zien verdrinken, zit vrolijk bij de tafel, een ander herademt na een hevige benauwdheid: ze hebben het leven weergekregen. Wij danken, wij erkennen Gods macht over leven en dood, maar hebben we de diepste roep van het wonder verstaan? Is er ook toe ons niet gezegd: Kom uit!, kom uit uw angstige gebondenheid aan dit leven, kom uit uw angst. Zie toch, dat beide, leven en dood, in een groter leven rusten.

leder ogenblik, dat wij zelf, dat onze naasten beleven, hebben wij als terug ontvangen uit

de dood. De dood, die andere levensmogelijkheid, biijft wachten. Was het nu geen minachting van het aardse leven, wanneer wij dood en leven gelijkelijk konden aanvaarden? Misschien is het zo als met de landen der aarde. Wij weten, dat er veie zijn. Wij vermoeden, dat elk land zijn schoonheid heelt. Toch is er één, waarvan wij de lucht en de wijdheid en de kleuren en de mensen werkelijk kennen, een land, dat ons innig eigen en vertrouwd werd. Wanneer v/ij het veriaten moesten, zouden wij gaan, maar het scheiden zou pijn meebrengen.

Is het zo niet met dit leven? Zijn vreugden en moeiten zijn ons zo vertrouwd en wij zullen het nooit zonder weemoed verlaten, maar naast dit aardse vaderland zijn er andere oorden. Wij weten niet hoe en waar, maar zij kunnen niet buiten God zijn.

In onze kringen richt zich het geloof zo sterk op tijd en taak, dat de dood vaak buiten beschouwing blijft en toch is er een duidelijker criterium voor geloof dan de houding tegenover de dood? Wij kennen wel allen uit ervaring of aanschouwing de gezinnen, waar de dood „zijn teken heeft gegeven...” Dan is er soms de angst: zal het vandaag zijn of morgen? Die angst is er vaak, doordat er weinig geloof in onze wereld is. Men heeft het „kom uit” zo zelden verstaan.

Misschien hebben we het ook wel eens anders gezien. Een huis, waar van de dood hoogst zelden wordt gesproken, waar het leven als met voorzichtige handen eerbiedig wordt aanvaard: „En ’k had het leven nooit zó liefgehad”, zegt Jacqueline van der Waals. En toch juist in dit verwelkomen van elke dag, van elk mens, van elke bloem, past ook het verwelkomen van de dood, wanneer hij binnentreedt.

Dit is toch ook de les, die wij allen hebben te leren, dit is het, waaruit blijkt, of wij werkelijk geloven: van ü zijn alle dingen. Dood, redding, leven, het zijn alle wonderen. Wonderen, die ons deze wereld meer doen liefhebben, maar die haar ons tonen als deel van een onzegbaar rijke, grotere wereld, waarin mensendood en mensenleven hun plaats hebben.

Toorn over ons kortzichtig gejammer, ruimte over onze kleine angst, zekerheid voor armzalige verwachtingen, dat alles wil Gods geest ons schenken, die tot benarde mensen spreekt: Kom uit! F- KALMA—KOOPS..

Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad, Ik wachtte, en zag u na een korte poze. Hoe ’t dennenbosje en de rozen!

Toen gij mijn open woning binnentradt. Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt, O Dood, niet overmoedig, niet vermetel. En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel.

Gelijk een knaap zo schuchter en beschaamd: „Ik kom misschien wat ongelegen?

Maar God heeft mij gezonden met een last.” Ik sprak: „Wie tot mij komt van zijnentwege Is mij te allen tijde een lieve gast.”

Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn. Toen spraakt gij vragend en uw ogen zagen

De mijne niet, naar de uwe opgeslagen. Maar staarden peinzend in den avondsehijn. „Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd, Die gij zo juist van plan waart te betrekken? Dat gij de taak, door God u toevertrouwd Ten laatste aan uzelve wondt ontdekken. Als gij uw eigen leven leven zoudt?”...

Maar met een giimiaeh sprak ik snel en stil: „Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken? Spreek en verkondig mij des Meesters wil.” Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teken.

Waarmee gij de uwen wlj d t, o Dood. Ik deed u even later uitgeleide,

Ik zag u, duister In het avondrood, Verdwijnen in de duisternis der heide. En keerde huiswaarts iangs het kiezeipad.

Ik sprak niet „goede Dood”, ik sprak niet „boze”, Maar ’t dennenbosje geurde en de rozen. En ’k had het ieven nooit zo iiefgehad.

JACQ, E. VAN DER WAALS.