is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 22, 25-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erieren uit het Zuiden

Dat de sociale toestanden in het Zuiden zich de laatste vijftig jaren geweldig gewijzigd hebben, is te algemeen bekend om het nader te betogen; niet alleen, dat ook het Zuiden meegeprobeerd en mee-geleden heeft aan al de veranderingen, die nu eenmaal internationaal en nationaal plaats hebben gevonden, maar de afstand tussen vroeger en nu is er misschien wijder dan ergens elders. De opkomst der groot-industrie (mijnbouw, Philips, etc.) heeft het aanschijn van het Zuiden veranderd, maar meer nog heeft het maatschappelijk leven Wijzigingen ondergaan, die, minder opvallend, nochtans feitelijk van groter betekenis zijn. Het gaat er hier niet om eens in bijzonderheden te vertellen, hoe geleidelijk in dit Zuiden een in hoofdzaak landelijke bevolking, levend onder patriarchale omstandigheden, zich omzette tot een van dag tot dag meer van de industrie levende maatschappij, maar om, o heel oppervlakkig, iets te vertellen van de gewijzigde psyche van den zuiderling. Het moderne leven is er oorzaak van; de opkomst der industrie, de opheffing van het isolement vanuit de kleinste dorpjes razen de autobussen over de wegen de trek van het platteland naar de stad, dit alles is factor en nog veel meer, maar feit is, dat de ouderwetse Brabander of Limburger zich nauwelijks herkent in de jeugd van vandaag. Laat ons eens op een tekenend onderscheid wijzen. Ook in de tweede helft van de vorige eeuw waren de toestanden voor de arbeidende bevolking in het Zuiden allesbehalve rooskleurig. Er zijn daar woningtoestanden geweest, er is daar armoede geleden, en echte hongersnood als de aardappeloogst mislukte, er heersten arbeidstoestanden (kinderen vrouwenexploitatie, gedwongen winkelnering, fantastische werkdagen), die werkelijk ten hemelschreiend waren. Vandaar een angstig hoog cijfer aan zuigelingensterfte, vandaar ook een schandeiijk, maar hoezeer begrijpelijk! alcoholmisbruik. Deze mannen, afgestompt door een meedogenloos zwaar werkleven op steenbakkerijen (Limburg) of op textiel- en lederfabriekjes of bij rijke boeren (West-Brabant) kenden slechts één vlucht uit de naargeestige werkelijkheid: de alcoholroes en de luidruchtige gezelligheid van het café. Nu is het uitgesloten, dat men die ellende vandaag zou aanvaarden. Toen wél. Ziedaar in enkele woorden een merkwaardige verandering, die allerlei vragen O'Pwerpt; allereerst deze: waren die mensen van vroeger en vergeet niet: we leven snel; die tijd ligt nog niet zo ver achter ons: er leven nog oudjes, die er kleurige verhalen van kunnen vertellen ik vraag dus: waren die mensen van vroeger dan zo onnozel om dat alles maar te slikken. Men spreekt veel van bewustwording van het proletariaat: het is mij wel, maar een woord is nog geen verklaring. Wat is er gebeurd?

Terloops gezegd: parallelle feiten hebben ook elders plaats gevonden, maar het verhaal uit het Zuiden heeft toch zijn eigen gang. De natuurlijke leiders van het volk waren de Rooms-Katholieke geestelijken en misschien nergens ter wereld, behoudens lerland, was de gehechtheid van het volk aan zijn priesters zo groot. Dat kwam, omdat inderdaad deze stand regelmatig mannen opleverde van een voortreffelijke opofferingsgezinde zielenijver, mannen die heel hun leven maar één zorg hadden: het welzijn hunner kudde, een ongedeelde zorg, wijl ongehuwd, mannen ook, die door hun wetenschappelijke vorming de aangewezen vraagbaak en gids waren voor de hun toevertrouwde mensen; daar kwam bij, dat ze vergroeid waren met dat volk in de jaren der vervolging. Men is het in ’t Zuiden nog lang niet vergeten, dat deze wingewesten, ja inderdaad wingewesten, eeuwenlang uitgebuit en vervolgd zijn geworden om geloofsredenen. Zie: zulke toestanden smeden een gehechtheid tussen priester en volk, die veel kan doorstaan voordat ze breken zou. De vraag is gewettigd: wat deden deze priesters, in hun kwaliteit van volksleiders, tegen de eigenlijke sociale mistoestanden. Aanvankelijk was hun W'erken tweevoudig: enerzijds verschaften zij de troost van de godsdienst en anderzijds poogden zij bij de werkgevers een mildere

stemming op te wekken en vooral hun liefdadlgheld te bevorderen. Men moet dit goed begrijpen: in een tijd van bittere strijd heeft gesproken en men doet dit nog, van voor het volk”; ik zal daar nu niets zeggen, alleen dit: een godsdienst, welke dient niet allereerst om deze aarde beter bewoonbaar te maken; men gaat naar een om medisch advies en niet om geld te vragen, waarmee men versterkende mid(jgjen ’ zou kunnen kopen; vervolgens, wenselijke behoefte jjgbben aan troost in ’t lijden van dit leven; altijd geleden worden op deze wereld; giekte en dood en oorlog en armoede gaan teisterend rond; er gaat een klagende mond Qpgn, die vraagt om de zin van dit alles; er wonden, die niet geheeld kunnen worden, waar er is toch de balsem van een, die wetende troost; die zeggen kan, dat het zo vader lijdt mee verstaat; Hij heeft het zo gewild tot ons aller bestzijn en later zal alles weer terecht Neen, men moet daar niet gering over denken: het wordt pas erg, als men meent, dat uitspreken van dergelijke troostende woorontslaat van de zware plicht hard en doortastend te werken aan de verbetering ener maatschappij, die het lijden nodeloos VGrmoni^vu.ldi§t

Daarom was het tweede middel in de grond gevaarlijker: daarmee, met het bevorderen nl. liefdadigheid van de werkgevers, bestendigde men min of meer de ellende; de bazen konden menen, dat een lief cadeautje op het Communiefeest door mevrouw zelf gebracht, volstond; een geweten werd gesust, dat af en de vraag opwierp, of de bedrijfsvrinst wel eerlijk werd gedeeld. Daarenboven, (jeze toestand stelde de priesters in een scheve verhouding: wie bedelend de huizen der rijken bezocht voor aalmoezen voor zijn arme parochianen, kon niet in een adem meteen protesteren tegen de rotte toestanden op de fabriek en was wel gedwongen lief te doen en dikwijls op visite te gaan bij lieden, die men eerlijkheidshalve moest beschouwen als de uitbuiters van de eigen parochie; echter deze ngden waren het, die vandaag een altaar en morgen een preekstoel gaven en overmorgen fancy fair voor winterkleding deden slagen

socialisme! O, niet in het anti-clericale gezindheid maakte see«elllkheia was op haar hoede en hanteerde veelzijdig machtsapparaat, waarover zij beschikken kon. Neen, men moet dit anders . t a a- 1 Ta,j„ara „0,, vooizien. Internationaal heeft de opkomst van het ~ „ o-aci socialisme Rome beïnvloed de ogen gaan , a aa a. „„„ ontzettende gevaren van het kapitahsme voor de godsdienst worden Duidelijk en nu verschijnt de pausehjke brmf Rerum ovanim, een a hpplq pnomen matig stuk, met sterke dec amaties tegen het socialisme, met een eenzijdige beklemtoning van het eigendomsrecht, maar gok met een hartelijk uitgesproken woord deernis voor het lijden en de ellende der jnmigenen en vooral dit: met een sterke bekfemtoning van het verenigingsrecht. Deze eucydfek had een veelzijdige uitwerking; belang: ijverig been becommentariseerd op de semide gids voor een jonger geslacht geestelijken, dat sociaal voelde; dat de arbeiders leerde zich te organiseren en niet jugu hun aandeed; toentertijd op pastories soms heftig „egtreden werd (wordt!) tussen een oude en generatie, dat meerdere geestelijken, en vooral paters, het scheldwoord (vandaag communist!) werd toegekantoor, was achteraf verwachten. Maar het leek wel, of de 3gnvoudige arbeiders hierop gewacht hadden ontstaan de machtige Roomse arbeidersbonden, die, hoe ook geremd door de matiging van hun geestelijke weer schrokken van de die ze hadden opgeroepen, toch, het gezegd!, inderdaad het hunne hebben yy om deze wereld althans wat bevioonbaarder te maken, ook voor het arbeiderseezin RENk.

Van mensen en dingen

Spreken De weg naar succes

„Met hofdames van de Koningin heb ik dezelfde moeite als met mensen, die alleen maar een lagere school hebben bezocht.” Het pleit is volkomen gewonnen. Vijftig a zestig mannen en vrouwen, zo te zien mensen uit de kleine burgerstand, geven zich over en luisteren met vererende blikken naar den man, die hen met één zin tot geïntroduceerden bij het hof promoveert en hun grootse verschieten opent naar een nieuwe en betere toekomst.

Frank Reusch, psycholoog, heeft de eerste bres geslagen in het wantrouwen, dat zichtbaar aanwezig was, toen voor de aanvang van de propaganda-avond voor angstvrij spreken in het openbaar de mensen onwennig naar binnen schuifelden. Het was duidelijk, dat zij niet waren gekomen uit louter nieuwsgierigheid, want dan was hun entrée onbevangener en hun uitdrukking geïnteresseerder geweest. Maar zij zetten zich neer met het duidelijk onbehagen van lieden, die niet zijn gekomen om klaar en critisch de komende dingen af te wachten, maar die beangst zijn zelf bij het proces betrokken te zullen worden.

De gezichten klaren echter op, het ivoord succes is gevallen, en Reusch, groot, breed, donker, als type een kruising van een toneelspeler en een Amerikaans zakenman, wordt achter de groene tafel in zijn onberispelijk grijze colbert (London-air: 2 rijen knopen) de verpersoonlijking van het Succes, van den man, die geslaagd is in het leven.

De overgang naar de volgende acte is psychologisch volkomen verantwoord. Nog onder de indruk van den meester-spreker zien de toehoorders nu voor hun ogen verschijnen de adepten, de cursisten van maar zes mondelinge lessen. De geweldige afstand, die lag tussen eigen armetierig levensbestaan en het onbereikbaar schijnende ideaal-type Reusch wordt overbrugd. Want de cursisten zijn als alle overige aanwezigen, nette burgermensen, maar die allen verklaren, dat zij na een paar lessen in angstvrij spreken de weg naar succes hebben gevonden. Het is het thema van alle tien discipelen: „De eerste schrede naar succes hebt U reeds gezet door hierheen te komen en ik ben er rotsvast van overtuigd, dat ook U zult slagen.”

Slagen, wie wil dat niet! „Spreken in het openbaar, practische levenskunst, vorming der persoonlijkheid, overwinnen van zielscomplexen, suggestief optreden voor autoriteiten, in gezelschap en vergaderingen, speechen, improviseren, succes in alle situaties van het leven.” Wie begeert deze heerlijkheden niet, wie die huis aan huis leurt met vernuftige spaarklokken, wie die met zuig- en boenmachines door vijandig kierende huisdeuren tot in het salon probeert te dringen, wie die dorpswinkeliers vól tracht te stoppen met puddingpoeders met bonnen voor een zilvervos, wie van dezen droomt zich niet een gloedvol, suggestief en gebiedend spreker op gewichtige conferenties, voor autoriteiten, voor een groot auditorium, dat door een donderend applaus toont op de hoge vlucht der gedachten te zijn meegenomen? Casson en Ford, zij zijn de leiders van de nieuwe tijd, Reusch is hun profeet, die in een peroratie, indringend, enthousiast en tegelijk hoog vermanend het laatste restje weerstand ver weg vaagt om, door geen enkele barricade meer gehinderd, nieuwen volgelingen de helpende hand toe te steken bij hun eerste schrede op de weg naar succes.

Een week later is er een feest- en propaganda-avond van de Vereniging tot Bevordering der Redekunst „De Egelantier”. De stemming hier is opgewekter, ongedwongener, in de toespraken der cursisten is meer variatie, men is kennelijk en familie en dan ook blij zijn spreekkunsten te kunnen vertonen. Maar ook hier klinkt het uit de mond van den cursusleider: welsprekendheid kan een belangrijk middel zijn om verder te komen.

Het is een typisch verschijnsel, deze drang naar welsprekendheid, naar optreden in het openhaar, in een tijd, waarin steeds meer mensen het zwijgen wordt opgelegd. Maar bepaald typerend is, en daardoor ook juist weer zo volkomen passend in onze tijd, dat al deze praat- en spreekwoede blijkbaar alleen dienst-