is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 23, 04-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Rusland telt nog mee

In West-Europa schijnt de liquidatie van het Spaanse conflict, of wellicht zijn omzetting in een acute internationale machtsstrijd, vooreerst schuU te gaan onder een diplomatiek rookgordijn. Zware nevels versluieren hier de ware toedracht der dingen, zonder dat de atmosfeer er overigens minder drukkend wordt. De heren van de groene tafel zwoegen dag in dag uit. Het is hoogtij voor de geheime diplomatie.

Tegelijkertijd neemt men een opleving in internationale activiteit waar naar het Oosten van ons werelddeel. Daarbij hebben wij niet zozeer de geruchtmakende gebeurtenissen in Polen op het oog, als wel de vrij plotseling aan de dag getreden belangstelling voor Moscou.

De Sowjet-Unie, die in het crisis-jaar 1938 zo uitermate op de achtergrond was gelaten, wordt thans ineens meer voor het voetlicht gehaald. Het meest opzienbarend in dit opzicht is de aankondiging van het bezoek van den Britsen onder-minister van Handel, Hudson, aan Moscou. Wel maakt dit bezoek een onderdeel uit van een algemene tournée, die in Berlijn begint en in de Scandinavische landen eindigt. Ook staan de economische motieven: vergroting van de Britse afzet aan Rusland, dat thans in Engeland de grootste afnemer heeft gevonden, maar bij bestellingen de Engelse industrie te veel passeert, ongetwijfeld voorop. Maar in verband met uitlatingen van Lord Halifax over een gewenste toenadering tot Rusland zowel op politiek als op economisch gebied mag men de politieke betekenis van dit bezoek, een herhaling van hetgeen vijf jaar geleden Eden als minister persoonlijk ondernam, niet onderschatten.

De Britten zijn niet de enigen of eersten, die thans met Rusland contact zoeken. De Polen hebben de vorige maand een belangrijk handels-accoord met Rusland gesloten, nadat zij reeds in November van het vorige jaar het niet-aanvalspact met Moscou hadden verlengd.

Het interessantst, maar ook het duisterst zijn de onderhandelingen tussen Moscou en de beide Europese leden van het anti-Kominternpact. Al schijnen de pogingen van Duitse zijde op het ogenblik te zijn opgeschort, Italië, dat reeds lang de Russische olie op prijs heeft leren stellen (men herinnere zich de Russische leveranties tijdens de sanctie-periode!), heeft wederom zich een deel van dit kostbare product van Sowjet-bodem weten te verzekeren. En daarbij schijnt het zijn noordelijken asgenoot een vlieg te hebben afgevangen.

Tenslotte staat met deze vrijages naar den Russischen beer, al is het dan om zijn bezittingen of misschien zelfs om zijn huid te doen, de afwijzende houding van Frankrijk in scherp contrast. De Franse regering heeft de afgelopen maanden zich aan haar bondgenoot in het Oosten bitter weinig gelegen laten liggen. Een man als Bonnet heeft zelfs min of meer een breuk uitgelokt. De speculatie is in Parijs stellig aanwezig geweest, dat Rusland uit zichzelf het Frans—Russisch pact, waardoor de Franse bourgeoisie zich gecompromitteerd gevoelt in haar toenaderingsstreven tot de totalitaire staten, zou opzeggen. Want een dergelijke breuk met alle tradities in de Franse buitenlandse politiek durfde men in Parijs zelf niet aan.

Rusland heeft, ondanks de Frans—Duitse „verzoenings”-demonstratie te Parijs met Von Ribbentrop, deze zelf-uitschakeling uit welbegrepen eigenbelang geweigerd. Het Frans—Russische pact bestaat verder, ondanks de onvoltooide toestand, waarin zelfs de Volksfrontregeringen het onder burgerlijke druk hebben gelaten.

A 1 deze intriges zouden ons weinig belang inboezemen, indien zij niet onmiskenbaar demonstreerden, hoe enkel macht en naakt eigenbelang op dit ogenblik de internationale

politiek beheersen. Het ideologische element beïnvloedt op dit ogenblik in Europa wellicht nog het meest de politiek van het land, dat de zwaarste verdenkingen tegen zich heeft horen richten. Alle preutsheid van Marianne tegenover den Russischen bondgenoot is in laatste instantie grotendeels reactionnaire klassehaat van de Franse bourgeoisie tegen het Voiksfront, in internationale verhoudingen overgezet.

Moscou's „bekering”

De Russische politiek zelf is reeds lang volkomen ge-„nationaliseerd”. Zij is overigens nimmer zo zeer van voor-revolutionnaire tradities afgeweken, of zij toonde althans die eigenschappen, waarom de Russische diplomatie altijd beroemd is geweest; een soepelheid en geslepenheid, die waarschijnlijk een erfenis zijn uit het Aziatisch verleden.

List betekent niet hetzelfde als onbetrouwbaarheid, soepelheid niet karakterloosheid of verraad. De laatste jaren heeft de Sowjet-Unie stellig de politiek der collectieve veiligheid ernstig genomen. Al kwam ons de ijver van Litwinow in Genève meer dan eens verdacht voor en al lijkt het ons, dat de Russische gangmakerij in West-Europa het Geneefse systeem vaak meer geschaad dan gebaat heeft, men mag niet aannemen, dat Rusland zelf zich aan de consequenties ener scherpe collectieve veiligheidspolitiek zou hebben onttrokken.

In dit opzicht vormt ook de Tsjechosiowaakse crisis geen uitzondering. Het staat thans wel vast, dat Rusland in September niet alleen, bij monde van Litwinow, zich bereid heeft verklaard haar bijstandsverplichtingen, zoals die in het pact met Praag waren neergelegd, na te komen, maar dat de Sowjet-Unie het bij verklaringen alleen niet heeft gelaten. Rusland was tot militair overleg met Frankrijk en Tsjechoslowakije bereid geweest. Moscou had de Volkenbond of een internationale conferentie, zoals Roosevelt later voorstelde, over het Duits—Tsjechisch geschil willen laten oordelen. De Sowjet-Unie pleegde overleg met Roemenië over de doortocht van Russische troepen naar Tsjechoslowaaks gebied, zij hield Polen de consequenties van een uitval tegen Praag voor ogen, zij mobiliseerde de bondgenoten van de Kleine Entente en zij hield zelf in de Oekraine een legermacht van meer dan 300.000 man, met o.a. 3000 vliegtuigen, gereed.

In de Septemberdagen heeft men van dit alles niet zo heel veel bemerkt. Ten dele door een soort samenzwering, waarin vooral de Franse minister Bonnet de hand had, die brutaalweg de Russische toezeggingen liet verdraaien of loochenen. Ten dele ook, schijnt het, omdat de Sowjet-Unie zelf de zaak van Praag niet in de ogen van de Europese opinie wilde ~compromitteren” door een al te duidelijke „rode” steun. Moscou heeft echter door München geleerd, wat de collectieve veiligheid in Europa thans politiek waard is. Wanneer zelfs de republiek van Europeanen als Masaryk en Benesj niet op de Europese solidariteit kon rekenen, hoe veel te minder zou het „Aziatische” Rusland dan ooit van Genève mogen verwachten.

Men kan er dan ook wel zeker van zijn, dat de Russische ijver voor de gehele Volkenbondsideologie ontzaglijk is afgekoeld. Vooral, toen men in Moscou waarnam, dat er belangrijke stromingen in de westerse politiek aanwezig waren, die het onweer wel graag naar Oost-Europa wilden laten afdrijven. Het is niet toevallig, dat in de laatste bijeenkomst van de Volkenbondsraad Litwinow schitterde door afwezigheid.

Een onverdeeld nadeel behoeft dit afstand nemen van de Sowjets ten aanzien van Genève niet te zijn. Al zal men moeten beseffen, dat de radicaalste ‘„zuivering” van ideologische en politieke smetten de Volkenbond wel eens het

lot zou kunnen doen ondergaan, op sterk water te worden gezet. Men acht echter een toenadering van Engeland tot Rusland wezenlijk vergemakkelijkt, nu ook Moscou tot het „realisme” in de Internationale politiek bekeerd schijnt.

Wü deze bekering zeggen, dat Rusland als vredesfactor in de Europese politiek is uitgeschakeld? Kan men zelfs een algehele ommekeer, een soort aansluiting bij de totalitaire „as” tegemoet zien? Hoewel niemand de evoluties van een dictatuur, die zowel naar binnen als naar buiten alle mogelijke verrassingen in zich bergt, kan voorzien, is het toch voorbarig hier al te veel spoken te willen signaleren.

Rusland is nog altijd in opbouw, nog altijd aan alle kanten kwetsbaar, nog altijd afhankelijk van een voortduren van de vrede. Rusland beseft meer dan enige andere natie, dat de oorlogen zich op de duur niet laten „localiseren”; de leuze: de vrede is ondeelbaar, is een parool, dat regelrecht uit de aardrijkskundige gesteldheid en politieke begrenzing van deze staat voortkomt. Dat Moscou thans niet meer op üenève de concretisering van dit levensbelang concentreert, maar liever naar een systeem, van bondgenootschappen en anders naar een evenwichtsspel met wip-posities streeft, is alleen een aanwijzing, hoe weinig reëel de gedachte van een solidaire statengemeenschap op dit ogenblik is.

Wanneer in héél Europa het Macchiavellisme de politiek beheerst, kan men dan Rusiand alléén daarvan een verwijt maken?

Rusland 1939

De toenemende onverschilligheid van Moscou voor de westerse democratieën zal er ongetwijfeld toe kunnen bijdragen, de blinde verering en de illusies hier in het westen, voorzover die de bloedige „zuiverings-acties” overleefd hebben, verder te doen afsterven. Anderzijds maakt de toenemende vervreemding ons een objectief oordeel gemakkelijker over hetgeen Rusland in werkelijkheid betekent.

Rusland-1939 mist de romantiek van de omwenteling. Dit Rusland is niet meer de nieuwe, zuivere patriottische eed van het Rode Leger vormt een bewijs het vaderland van alle proletariërs. Het is echter nog altijd het land van een enorm experiment. Het derde Vijfjarenplan, dat thans reeds enige tijd voltrokken wordt, spreekt zelfs van een periode van „socialisme tot communisme”. Onder dit laatste verstaat men dan klaarblijkelijk een samenlevingstechniek, die het bestaan voor negentig procent der bevolking dragelijk en zelfs aantrekkelijk maakt.

De tien procent, van links en rechts afkomstige, openlijke en potentiële ketters worden de laatste tijd zelfs iets minder scherp vervolgd. Na de vervanging van den „zuiveraar” Jezjow aan Binnenlandse Zaken door Beria zijn tallozen weer in de grote steden opgedoken, die men reeds „verdwenen” waande; misschien komt zo ook de weduwe van Mühsam nog wel eens voor de dag...

In het partij-congres van Maart a.s., het eerste na vijf jaar, zal de nieuwe economische koers, die op decentralisatie in het beheer, stimulering van de arbeidsdiscipline en op een vorm van technische rationalisatie is gericht, worden bevestigd. De technische intelligentsia heeft meer armslag en meer sociale waardering gekregen dan ooit omdat zij thans uit Sowjet-discipelen, uit een na-revolutionnaire generatie bestaat.

Dit is thans het nieuwe experiment: de Sowjet-Unie zal als eerste tonen, waartoe een volk in staat is, dat geheel onder de dictatuur is opgegroeid. Wij mogen bezorgd zijn over de uitslag, vooral wanneer men de aanslagen bedenkt, die de dagelijkse wed-ij ver in het groot, het Stachanow-wezen, de „Streberei” op het karakter van dit volk pleegt. Het experiment is waard om onderzocht te worden, ook door degeen, die het niet gaarne zou willen beleven.

Maar dit ver-„spieszbürgerlichte” Rusland, deze in zichzelf teruggetrokken wereld, is te bekrompen voor de Lenins en voor de Trotzkis. Is Kroepskaja, de weduwe van den groten revolutionnair, niet te rechter tijd heengegaan? B. W. SCHAPER.