is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 23, 04-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ab een kind

Marcus 10 ; 13—16. Eens bracht men kinderen tot Jezus met het verzoek hen aan te raken, en de leerlingen weerden hen ruw af. Maar toen Jezus dit zag, nam hij hun dit kwalijk en zeide tot hen: Laat de kinderen vrij tot mij komen, verhindert ze niet, want aan dezulken behoort het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u, wie het Koninkrijk Gods niet als een kind aanneemt, komt er niet in. En na ze omarmd te hebben, legde hij hun de handen op, en zegende hen.

„Het wordt hoe langer hoe gekker”, schijnen de verontwaardigde leerlingen rechts op de plaat te zeggen. Ze steken de koppen bijeen en overleggen hoé erg het wel is: Dat Jezus zich inlaat met tollenaars, allerlei gepeupel geneest, zelfs met vrouwen praat. En nu, nu laat hij zich storen door brutale moeders, met kleine kinderen nog wel! De vrouwen schijnen in de boze blikken geen erg te hebben, en om de Christusfiguur is een blijde, beweeglijke rust. Er Is iets zachts in alle vrouwengezichten, hun aandacht en die van Jezus is voor het kind. Maar zijn woorden zijn wel degelijk voor de boze heerschappen bestemd. Het wordt waarlijk nóg pijnlhker. Hun eigen meester stelt hun, baardige, ervaren mannen, zo’n onnozele zuigeling ten voorbeeld.

CRANACH

KINDERZECENINC

Misschien zijn er later nog wel eens moeders geweest die zo welverzekerd hun kind in het middelpunt zetten, en die het op de goede plaats brachten. Maar de anderen hadden toch de overhand. Kinderen? Nu ja, men hoopte dat ze eens mensen zouden worden, en om dat te bereiken is er veel gedrild, veel geboden, veel verboden. De stakkerdjes, die op hun vijfde jaar met de latijnse spraakkimst begonnen, die, opgeprikt in grote mensenkleren, onbegrepen verzen reciteerden, leefden in een „christelijke” wereld. Er is veel verhinderd.

En nu? Ons kroost wordt niet meer in een pak gespeld. Hun ledematen zijn althans vrij. Wie een kinderspeelplaats ziet, merkt dat deze jeugd als ondervoeding ze niet remt lichamelijk onbelemmerd opgroeit. En geestelijk? Onze tijd tracht In zijn beste vertegenwoordigers het kind te geven datgene, waaraan het in elke levensperiode behoefte heeft. Maar de onderwijzers, die met dit doel aan het werk tijgen, worden voor een klas van vijftig kinderen gezet en verhinderen zo zelfs tegen wil en dank.

Maar toch „verhindert ze niet”, zouden we een moderne tekst kunnen noemen. Er schijn?

zelfs wel eens wat heel weinig verhinderd te worden, ook waar het kind nu niet juist het hoogste lijkt te willen naderen. Wie volgens de 18e eeuwse leer, die pas gemeengoed begint te worden nu het standpunt lang overwonnen is, in de kinderziel een onbeschreven blad papier ziet, een rein engeltje, regelrecht uit de hemel afkomstig, is licht in de verleiding achter elk kinderlijk streven een drang naar hoger te vermoeden en al te wantrouwend mogen wij zeker niet zijn, maar ook niet blind. Het kind vraagt allereerst om eerlijk en nauwkeurig te worden waargenomen, en wij landgenoten van de kleine Johannes en van Jaapje en van zovele anderen hebben op dat punt óók een traditie te handhaven, zoals een litteraire jury ons dezer dagen herinnerde.

„Verhindert ze niet.” Al wat zich ~vrijzinnig” noemt, „humanistisch”, al wie van Montessori. Dalton of de vrije jeugdbeweging weet, stemt m met meer of minder reserve.

Maar het evangelieverhaal geeft een motivering: want aan dezulken behoort het Koninkrijk Gods.

Is er inderdaad een rijkdom die des kinds is, iets anders dan een belofte, die haar kans hebben moet? Is er een rijkdom, die verloren ging en die wij moeizaam hebben te heroveren? Zeker is er iets verloren en naar „het paradijs der kindsheid” hebben velen weemoedig en hopeloos terugverlangd. Maar de evangeliewoorden plegen concreter te zijn.

Wat is het, dat wij in het kind zien als iets van hogere orde, iets onaantastbaars, dat toch te loor zal gaan? Men heeft gesproken van de kinderlijke openheid.

Talloos zijn de verhalen omtrent kinderen, die ongedeerd een boze hond aanhalen, gesymboliseerd in het jongske, dat naar de profetie stier en leeuwenwelp hoeden zal in één weide. Als Martin Buber de eigenlijke geloofshouding tekent als de ik-gij-verhouding, dan tekent hij daarin wat voor het kind normaal is. Het staat tot mens en dier en ding in een directe relatie.

Ja, iets stemt overeen in de houding van kind en gelovige, maar Is die overeenstemming niet enkel uiterlijk? Komt de kinderlijke „openheid” niet voort uit gebrekkig kennen? gebrekkig weten?

Wanneer wij trachten terug te zien in eigen eerste jeugd en ons af vragen: wat was daarin het heerlijke? dan weten wij zelf van de openheid weinig meer af. Het heerlijke was het volkomen vertrouwen, dat alles in orde was. Soms verstoorden wij dat door stoutigheid, waarop boze gezichten volgden. Maar de ouders konden dat alles opheffen door ~weer goed te zijn.” Dan was de hemel opgeklaard en we wilden alles doen om het zo te houden.

En als het héél erg geweest was, dan bleef er de zalige zekerheid, dat het de volgende morgen alles weer goed zou zijn, een nieuw begin. Niets anders kon ons wezenlijk bedreigen dan „boosheid” van vader of moeder. Zij hadden immers de macht alle andere kwaad van ons af te wenden? (Hoe waarschuwt ons dit tegen willekeurige ontstemming, en wijst het naar het scheppen van een nieuw begin, eerder dan naar vergeldende straf.)

Het is het onbewolkte vertrouwen, dat een kind open doet zijn, het besef in een „lichte wereld” te leven, zoals de hoofdpersoon uit Hermann Hesse’s Demian het noemt. Maar voor dezen jongen doemt, zoals voor ons allen, al vrij vlug een „donkere wereld” op, van armoe en bedrog en vuilheid. Dan biedt het andere, het licht, waarin moeder de planten begiet en hij met de zusjes zingt, of in het lamplicht platen kijkt, geen échte veiUgheid meer. Vader en moeder zijn de duisternis niet langer baas. Dan is het kinderparadijs verloren. Was het het Koninkrijk Gods? Misschien toch wel. Het was de wereld, waarin lichte machten onbeperkt regeerden en waarin wij niets liever wilden, dan te passen in hun orde.

Misschien hoeft ons verlangen hiernaar toch niet hopeloos en niet weemoedig te zijn. Nee, vader en moeder kunnen nooit weer de góden worden; wij hebben hen met iets als pijn hun plaats tussen de gewone mensen zien innemen. En als we later eens gemeend hebben, m de verhouding tot één mens alle zekerheid en vreugde te vinden, dan is dat toch wel steeds een dwaling gebleken. Alleen wie „het Koninkrijk Gods aanneemt”, vindt zijn kindervreugde weer, verdiept. Het Koninkrijk Gods aannemen, dat is Gods koningschap over licht èn donker in deze wereld, dat is bovenal het dienaar willen zijn in dat rijk.

Geen mens neemt Gods koninkrijk aan op gezag of met woorden of met één beslissende daad. Wie het waarlijk aanneemt, doet dat als een kind, waarin het vertrouwen onwankelbaar gegroeid is. Hij kan niet anders.

En uit dit vaste vertrouwen op de wereldomvattende liefde groeit ook opnieuw de openheid, de directheid. De gelovige Is ~als een kind”.

Er is een man geweest, kinderlijker dan wie ook, ook met kinderlijke fouten en gebreken, maar zijn kinderlijke deugden kwamen voort uit een rotsvast vertrouwen in de overmacht van het licht, vertrouwen in een God, dien hij waarlijk Vader noemen mocht. En deze Hans Christian Andersen schonk ons de sprookjes, waarvan gezegd is dat zij naast het Nieuwe Testament het duidelijkst het evangelie der liefde verkondigen.

F. KALMA—KOOPS.

„Kom e’keer hier, fllefflodderke’), ’k hebhe u, ’k hebbe u zo hef!” Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet, en ’t liet mij allene zijn. ’t Was wel van dat lief fllefflodderke.

want, hadde Ik het eens genaakt. Ik hadde ’t, het lief fllefflodderke, ’k en wete niet wat gemaakt: geen hand van ’nen mense ’n mocht ’et ooit genaken zijn heve kleed.

of ’t was en het wlerd ’t fllefflodderke, het was en het wlerd hem leed; de hand van die ’t mlek allene mag er, wandelend, over gaan. Dus, wakker en weg! fllefflodderken.

op planten en bloeiend gers, alwaar dat u God geschapen heeft, alwaar dat ’t uw woning es! En zoekt gij nu, kind, een zin hierin, 't fllefflodderke, wie dat zij. Uw herte is het, alderllefste mijn, al, wat zou het anders zijn!

God mlek het u, maakt dat God alleen kan zeggen; Dit herte Is mijn, zo zal het, en anders en zal ’t, o neen, het uw’, noch gelukkig zijn! Zo zong hij, die lang en lusteloos gezeten had, enen dag.

wanneer hij, op de eerste lenteroos, het eerste fllefflodderken zag. G. GEZELLE. ‘) vlinder.