is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 23, 04-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zodanig het stempel van minderwaardigheid te drukken. Ik zou bovendien wel eens willen horen, hoe ooit een spreker van de Evangelische Maatschappij het buiten de politiek kon stellen. De macht der R.K. Kerk wordt immers voor de niet-Rooms-Katholieken het sterkst voelbaar èn door vermeende of werkelijke economische machtsposities der Roomsen èn door de politieke invloed der R.K. Staatspartij. Ltngbeek b.v. zou nooit in de Tweede Kamer gekozen zijn als Hoedemakeriaan. Hij is er gekomen als bestrijder van het politieke Rooms-Katholicisme.

Maar, afgezien nog yan dit alles, de principiële vraag is deze: wat zijn eigenlijk „speciale politieke opvattingen”? Politieke opvattingen zijn altijd en overal levensovertuigingen, die geconcretiseerd worden ten aanzien van het staatkundig leven. En als wij strijden voor of tegen een bepaalde politieke opvatting, dan strijden wij niet bepaaldelijk tegen een programpunt, maar tegen een levensovertuiging, die achter dit programpunt staat. Ik zou b.v. een hele reeks nationaalsocialistische programpunten kunnen noemen, die mijn volle sympathie hebben. Maar ik ken de bron, waaruit die „speciale politieke opvattingen” komen. En daarom zeg ik: neen! Zo zeg ik ook „neen” tot iemand, die, als nationaal-socialist komt spreken namens verenigingen, die leven uit de diepe eerbied voor vrijheid, dus voor datgene wat deze nationaalsocialist moet verwerpen. Het mogen dan wel Ezau’s handen zijn, waarmee hij zwaait, het is Jacobs stem, die spreekt!

In de eredienst, dus van de kansel, mag de Kerk alleen maar dulden, dat er gesproken wordt als Christen. Maar dan over alles, dus óók over de politiek. Mits wat daarover gezegd wordt maar gedragen wordt door een oprechte christelijke overtuiging. En voor verenigingen zal ik de eis stellen, niet dat de man zijn mond houdt over zijn overtuiging op staatkundig gebied, maar dat hij geacht kan worden te spreken van de grondbeginselen der vereniging uit. Dan doet het er niets toe het woord toevallig van de kansei dan wei van een ander spreekgestoelte klinkt.

Wat kost het contact tussen verschillende godsdiensten?

„Naar uit het suppletoire budget, dat in Londen gepubliceerd is, blijkt, bedragen de kosten van het Transjordaanse grenscorps, dat ontstaan Is door de onlusten, 1.887.000 Pond Sterling. Voor de Palestina-conferentie te Londen in 14.000 Pond uitgetrokken.”

N. I W. 24 Fetar. 1939. L. H. RUITENBERG.

Uit de wereld van het boek

Theo J. van der Wal, Vreemdelingen.

Schermer’s Uitgeverij, Bolsward.

Theo van der Wal demonstreert dunkt mij in dit, weinig omvangrijke, bundeltje novellen twee dingen: zijn bekwaamheid en zijn jeugd. Vrijwel stuk voor stuk zijn zijn tien verhalen knap van structuur, psychologisch scherp, van ontknoping verrassend.

Alleen: de ribben steken er door. Vermoedelijk beschouwt de schrijver dat zelf als een kwaliteit van zijn werk, dat hij zo zonder enige omhaal, recht op den man af, alleen de essentie geeft: modern, zakelijk, flink. Op den lezer maakt het veeleer de indruk, dat de auteur aan zijn knappe constructies niet veel heeft toe te voegen; vandaar, dat ons het wat koele woord „bekwaamheid” In de pen komt, eer dan begaafdheid of talent.

Tot de jeugdige leeftijd van den schrijver concludeert men niet alleen om het grimmige portret met pijp en neergetrokken mondhoeken, maar ook om deze ‘ schraalheid, en om een allure van cosmopolitisme („Het was in MarseUle. De lucht was oranje en violet. Ik zat op het terras van een café op de hoek van de Cannebière en het Beursplein”), waarachter men den provinciaal vermoedt. Intussen, niet op „het asfalt der wereldsteden” thuis wezen is geen schande, en jeugd is een kwaal, die „met elke dag beter wordt”, naar oud-vaderlandse wijsheid leert. NI. H. v. d. Z.

B. W. Wierinkt

Toen ik onzen hooggeschatten vriend Wierink vooral voor onze jongste was hij „Oom Ben” gelukwenste met zijn laatste verjaardag, de 4de Januari, wisten wij wel, dat deze brief een afscheid voor het leven betekende. Deze ontroerende gedachte, beheerst, gaf een bepaalde zin aan de woorden, welke hij, de sterke grijsaard, met aandoening las. Hij antwoordde uitvoerig. Zijn kloeke handschrift droeg de vaste woorden van arbeid en geloof. Dank ook aan ons, jongeren, die hem in zijn ouderdom steunden met genegen begrijpen.

Een harmonisch leven, in dienst van de kunst en van het opgroeiend geslacht, zo is zijn rijke bestaan samen te vatten. Het geheim van zijn wel-geslaagde leven als kunstenaar en docent ligt geborgen in de liefde en de bezieling, waarmede hij op de wereld inwerkte. In hart en nieren was deze mens een kunstenaar. Kunstenaarschap vulde zijn wezen.

Onze tijd heeft groter kunstenaars voortgebracht dan hij. Maar groter bezieling is kwalijk hun deel geweest. Bezieling en toewijding, eenvoud en humor maakten hem rijk. Schoon en harmonisch werd alles in zijn omgeving, tot kleinigheden toe. Zijn altijd bezige geest liet geen kans, geen mogelijkheid onge-:- bruikt. Nog in zijn laatste levensjaar vulde hij de glaswand in de wachtzaal van het „Van Leeuwenhoek-huis” met zijn geestige, vrolijke schilderingen op matglas. Hij dacht nog aan zijn medemensen en werkte voor hen, deze hoogbejaarde, wiens scheppende kracht eerst door de dood werd geblust.

Wierink was een geboren leraar. Hij bleef altijd maar ~tekenmeester” aan de Amsterdamse Kweekschool voor onderwijzers, de Industrieschool in de Werkende Stand, vroeger op de Quellinusschool. Tientallen geslachten van leerlingen hebben zijn bezielend onderwijs genoten. Honderden onderwijzers en onderwijzeressen, ambachtslieden uit de kunstvakken: lithografen, meubelmakers, edelsmeden, beeldhouwers en schilders, zullen dezen trouwhartigen mens dankbaar gedenken.

En wie geen aanleg had voor tekenen, onderging de zegen van zijn frissen en goeden geest, van hem, vaak den enigen leraar, die contact gaf met het leven. Juist omdat hij een bezield kunstenaar was, kon zijn onderwijs zo vruchtbaar zijn en zo weldadig voor allen.

Hij hield van de jeugd, zonnige natuur als hij was, altijd opgeruimd en bereid, zich in te leven in den opgroeienden mens. Hij hield ook van Amsterdam, zijn stad, die hij kende, oud en nieuw. En daarom wilde hij ook niet weg van zijn school. Hij was daar gebonden aan de jeugd en de stad. Dat de stad hem ere-burger prees, met een penning in goud, was een hulde, welke zijn eenvoud des te sterker deed uitkomen.

Blijvende vriendschappen met het opgroeiende geslacht, gesloten meer dan dertig jaren her, vriendschap, welke zelfs overging op wederzijdse kinderen, vormden een bijkomende vreugde, welke nog toenam met de ouderdom.

Kinderen en dieren genoten zijn bijzondere liefde. Zijn prachtige litho’s voor Jan Klaassen, het getekende en gerijmde prentenboek, Pims Poppetjes, de Japanse verbeeldingen hier was „Oom Ben” in zijn volle kracht en dan zijn illustraties voor de Reinaert van Stijn Streuvels, getuigen daarvan. De roofdieren, leeuwen en tijgers vooral, hadden zijh grote genegenheid. De dieren in Artis kenden hem, die schetsboeken vol noteerde met hun ledematen, houdingen, standen en spiergroepen. Hij ging wel eens met den opasser mee in de kooi, als een der dieren ziek was en medicijn behoefde.

Talrijk zijn de houtsneden en litho’s, schilderijen ook, waarop hij de gekooide kinderen der wildernis in hun woeste, kleurige somberheid deed leven.

Een vroom en sociaal mens in de rijke zin van het woord heeft er in Wierink geleefd.

Als hij met Nieuwjaar zijn vrienden een linoleumsnede zond, was het in ’34 met de bede, dat zowel het wilde Communisme als het Nationaal-Socialisme mocht blijven getemd...

De wereld ging hem ter harte tot het laatste. Hij heeft op overtuigende wijze meegebouwd aan het Rijk van God. Hij ruste in vrede, met allen, die de mensheid hebben liefgehad.

J. J. MEIJER.