is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 23, 04-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERS

Nu voor mijn huis de koeien niet meer grazen. Het natte gras den groenen glans ontbeert.

Nu uit het westen kille winden blazen En wolk na wolk in regen zich verteert:

Nu door de vaarten lange pramen schuiven. Geen bloeiend blad den vlakken oever zoomt.

En in een kalen boom een paar verlaten duiven Den dag, al wachtend, eindeloos verdroomt:

Nu keer ik tot de stilte allengs weder. Zie boeken, lees een enkel schoon gedicht.

En voel heel langzaam stijgen het zoo teeder Denken aan zomer, zon, en een heel lief gezicht. •. JAN J. ZELDENTHUIS.

Landelijk menu Antoon Gooien. Herberg in ’t Misverstand. Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam, 1938.

Gij dacht misschien als ik, lezer, dat men zich ten platten lande met een enkel eenvoudig gerecht tevreden stelde: snijbonen met worst, of spekpannekoeken of hutspot. Degelijke kost, wat zwaar en weinig gevarieerd misschien, maar voedzaam en ook heus wel smakelijk.

Ei ziet, in de Brabantse dorpsherberg „In ’t Misverstand” wordt u een volledig menu te verwerken gegeven. De herberg mag oud zijn, en de landelijke traditie taai, maar de gemoedelijke propriétaire Antoon Gooien is met zijn tijd meegegaan, en komt er ’nen ’Oilander pardon, „een Hollander”, dat dialect hebben we afgeschaft en dat gebeurt heus niet zo zelden als hij u wil doen geloven, nu, dan weet „ons Antoon” als de beste wat hem te doen staat. De gerechten zelf mogen dan platlandelijk zijn, maar de verscheidenheid ' van spijs is uitgesproken stads.

Ach, men moet ook al zo’n stadse intellectualist wezen, zo’n droogstok van een boven-Moerdijker, om het maal te gaan zitten analyseren in plaats van trouwhartig en tevreden dóór te eten, en te drinken, en verzadigd en welgemoed verder te gaan. De baas van „In ’t Misverstand” heeft het klaargemaakt voor de mensen, die ervan houden en verder geen complimenten hebben. Maar zo’n spichtige Hollander kan er nu eenmaal een weergaas plezier in hebben, de boeren de kunst af te kijken. In ernst, ik geloof dat het van belang is, de boeken van zo’n typischen plattelandsschrijver • als Gooien, iemand die gelezen wordt én talent heeft, niet kritiekloos te vermalen, maar eens na te gaan wdt hij er nu eigenlijk in heeft gestopt.

~Aan het marktplein onder de schaduw van de oude toren lag de herberg „In ’t Misverstand”, een voor dorpse verhoudingen groot en flink gebouw, met een verdieping, ramen met schilden erboven en een kroonlijst langs de dakgoot. Voor de deur en de ramen van de gelagkamer ” enz., vijf bladzijden lang. Proeft u het al? Hier wordt breed uitgehaald voor een ouderwets verhaal, een verhaal van zeker tachtig jaar geleden. In die herberg kan straks een „vriendelijke boerendeerne” gaan optreden, of een aanvallig daglonerskind met blozende kaken. Maar pas op, straks zitten we misschien met een verlaten vrijster, of ontmoeten een vreemdeling van tanige gelaatskleur, en moord en doodslag zijn volstrekt niet uitgesloten. Zulke stille watertjes

Maar stel u gerust, dit was maar een hapje vooraf, nu komt de stevige Coolen-soep op tafel. Daar gaat van alles in, zoals dat een rechtgeaarde soep betaamt. In de herberg vinden we een heel stel dorpelingen om de stamtafel, deftige en ondeftige door elkaar, die zich daar op ongecompliceerde wijze vermaken met een potje bier en een spelletje kaart en een leuterpraatje. Denk intussen niet, in uw intellectuelen-hoogmoed, dat er in eenvoudige mensen niets omgaat, en dat ook een achterafdorp waar men de bierpullen op het wereldnieuws plant, niet zijn drama’s heeft, in hun soort even spannend en even tragisch als de drama’s van het wereldnieuws. Daar heb je de postbode Jan Jacob en de verteller gaat er breed bij zitten en stopt een pijp om ons het verhaal van den postbode te doen. Nu dan, iedereen weet, dat hij als kat en hond leeft met zijn vrouw. Die mensen stellen zich aan als gekken, zij razen en jammeren en het servies aan diggelen gooien, hij vloeken en de deur achter zich dichtsmijten, en langs de weg lopen met een dameshoedje boven zijn uniform, omdat hij van narigheid niet weet wat te beginnen. Je kunt er om lachen, het is ook werkelijk heel mal, maar als een getrouwd paar mensen zo moorddadig op eikaars zenuwen werkt En de kinderen zijn tenslotte de

dupe, want dat oudste jochie, weet u wel, nou, dat schaap is tenslotte het water in gelopen van ellende. Tóén eindelijk Met dien Van den Kuilenburg en zijn vrouw is het gelukkig beter terechtgekomen, al hebben de mensen er verdriet genoeg om gehad. Lodewijk was ook zo veel van huis, en op een keer bij een bruiloft heeft dat vrouwtje Zie, die broer van den postbode was ook een echte schuinsmarcheerder, en zij had wat te veel op. Maar het kindje dat toen kwam was niet van Lodewijk, en de arme kerel was juist zo dol op zijn mooien gezonden jongen, want het andere was achterlijk. Wat een wroeging, wat een doodsangst heeft de schuldige Marjanneke toen uitgestaan!

Moet ik het drama van Thijs Rooyakkers ook nog vertellen? En dat andere, blij-eindende, van Martien Drysselbloem, die tegen de wil van zijn gierige familie tóch een vrouw heeft genomen? Och, we weten nu ook wel hoe de Coolen-soep smaakt. Elk van de ingrediënten was op zichzelf niet genoeg voor een roman, en de combinatie is misschien wat vreemd, maar het is toch wel goede vertrouwde kost. Intussen zijn we trouwens aan de hoofdschotel toe: het avondlijk en nachtelijk samenzijn der stamgenoten „In ’t Misverstand”. Maar dat is niet mis! Dat is je reinste psychologie, daar heeft Walschap peet bij gestaan, daar heeft Vestdijk plezier in! Kijk, die mensen komen daar toch eigenlijk niet om een gezellig potje bier en een babbeltje, ze zijn er samengedreven door alle mogelijke menselijke narigheden, ze logeren eigenlijk thuis allemaal „In ’t Misverstand”, en die misverstanden ontvluchten ze in hun gemeenschappelijke kroeg. Ze vluchten in de drank, in allerlei kinderachtigheden, in de waan van hun kameraadschappelijke omgang. Hun spel is een vlucht uit de werkelijkheid, hun broederlijke allures zijn een miserabel surrogaat voor werkelijke vriendschap, werkelijk geestelijk verkeer.

Antoon Gooien

O, de walging, de haat die achter dat alles verborgen liggen! Maar wacht maar tot de heren in een dronken beviieging eens overeenkomen, hun eerlijke mening over elkaar te zeggen, dan knalt er wat los. En het is misschien alleen uit moedeloosheid, uit voortgezette levensonlust, dat zij daarna toch weer met elkaar verder gaan. Behalve dan de notaris, die zich opgehangen heeft.

„In ’t Misverstand”, een wéreld, kleiner, maar niet anders dan de grote wereld waar de krant van vertelt. Ziedaar Coolen’s laatste wijsheid, somber maar op en top modern. Of nee, zijn ladtste wijsheid niet, want nu wacht ons nog een smakelijk dessert. Immers, Jan Jacob de postbode en zijn vrouw worden nu waarlijk nog wijs, al geven ze daar hun jongetje het leven niet mee terug, en tussen Lodewijk van den Kuilenburg en Marjanne wordt het echt weer goed (na een pak rammel), en zelfs voor de zielige vrouw van Thijs Rooyakkers gaat de zon nog een beetje schijnen. En nee, die Martien Drysselbloem en zijn Anna, dat is gewoon een pleizier om te lezen; dat vrouwmens haalt hem helemaal uit de zure benepenheid weg, ze had er een zware dobber aan, maar nu schijnt de zon er binnen en waait de wind door het huis, en de vruchtbaarheid zelve doet er haar intree. Het wordt op de laatste bladzijden een haast Pallieterse uitbundigheid. En het eindigt in een blijde, manlijke ernst, die „berustend”, nee meer dan berustend, dankbaar, „het zware leven schoon prijst”. Is dat Coolen’s allerlaatste wijsheid, die Boerenspalm-accoorden, waarmee hij sluit?

„Slechts voor een zeer klein deel wordt een werk gemaakt. Voor het grootste gedeelte maakt een werk zichzelf en hij, die toevallig de schrijver heet, is van allen wel het meest benieuwd welke mens hem eigenlijk en tenslotte tegemoet zal treden”. Dat staat als motto voor in het boek. Ais excuus aanvaarden wij dat niet, als leus nog minder. Maar dat zó dit landelijk menu werd samengesteld, ja, dat geloven wij graag. Alleen, als het u hetzelfde is, Antoon, dan hadden we een volgende maal toch liever de spijskaart, om één gerecht te kiezen. Want onze stadse magen ligt uw milde overvloed wat zwaar

M. H. VAN DER ZEYDE.