is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 24, 11-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joh. 13 : I—2o. Het was de dag vóór het Paasfeest. Jezus wist, dat de ure gekomen was waarop hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, en daar hij de zijnen die in de wereld waren liefhad, betoo.nde hij hun zijn liefde tot het einde toe. Op een maaltijd dan de Duivel had reeds Judas Simonszoon van Iskariot in het hart gegeven hem over te leveren daar staat Jezus, in het bewustzijn dat de Vader alles in zijn hand had gesteld, en dat hij van God was uitgegaan en tot God zou terugkeren, van de maaltijd op, legt zijn klederen af, neemt een doek, omgordt er zich mee, giet daarna water in een bekken en begint de voeten van zijn leerlingen te wassen en af te drogen met de doek, waarmee hij omgord is. Als hij bij ;Simon Petrus komt, zegt deze: Heer, zoudt gij mij de voeten wassen? Jezus gaf hem ten antwoord: Wat ik doe, begrijpt gij nu nog niet, maar zult gij later inzien. Petrus zeide tot hem: In der eeuwigheid zult gij mij de voeten niet wassen. Jezus antwoordde hem: Indien ik u de voeten niet was, hebt gij geen deel aa.n mij. Simon Petrus zeide tot hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook handen en hoofd! Jezus zeide tot hem: Wie zich gebaad heeft, heeft niet nodig zich te wassen behalve de voeten, maar is geheel rein. En gij zijt rein, maar niet allen. Want hij wist, wie hem zou overleveren. Daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein.

Toen hij hun voeten gewassen, zijn klederen aangedaan had en weer was gaan aanhggen, zeide hij hun: Begrijpt gij wat ik u gedaan heb? Gij noemt mij meester en heer, en doet het terecht, wa.nt ik ben het. Indien dan ik, de heer en meester, uw voeten gewassen heb, dan zij t gij ook verplicht elkanders voeten te wassen. Want een voorbeeld heb ik u gegeven, opdat gij zoudt doen zoals ik gedaan heb. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, een slaaf is niet meer dan een heer, een gezant niet meer dan zijn zender. Indien gij dit weet, zalig gij zo gij het doet. Wat ik zeg geldt niet van u allen; ik weet wie ik uitverkoren heb; maar de schrift moet vervuld worden: Hij die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven. Reeds nu zeg ik het u, voordat het geschiedt; opdat gij wanneer het geschiedt moogt geloven, dat ik het ben. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie een, dien ik zenden zal, ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ont> vangt, ontvangt mijn zender.

Er zijn soms pogingen gedaan om de bijbel en bijbelgedeelten op tweeërlei manier te behandelen. Men trachtte ~hoofd” en ~hart” te

scheiden en bezag eerst verstandelijk de tekst, de merkwaardige woorden en feiten daarin, om vervoigens als gelovige te vragen: wat „doet” mij dit verhaal? '

VOETWASSING

BERTIN

Wij geven niet toe, dat ~hoofd” en ~hart” zich laten scheiden en zijn daarom dankbaar dat prof. De Graaf het bovenstaande stuk heeft uitgeiegd ') op zijn wijze. D.w.z. zó, dat zijn kort artikel veel wetenswaardigs meedeelt, veel dat wij moéten weten om de zin van het verhaal te verstaan. Maar na de lezing van die nuchtere mededelingen, van een voorzichtige aanwijzing, zijn wij gesticht als maar na weinig preken.

Mij dunkt dat is de exegese die wij nodig hebben, en we zouden een commentaar behoeven dat ons op deze wijze tot ae zin van het vele wonderlijke en diepe bracht, dat de oude bijbel bevat.

Joh. 13 : 20 leidt in dit evangelie het eigenlijke lijden van Jezus in, dat de Christeiijke wereld in deze weken voor Pasen gedenkt. In hoofdzaak geef ik weer wat prof. De Graaf er van zegt, omdat helaas dit blad wel in meer handen zal komen dan dat „oude” artikel.

Zoals in aUe evangelieverhalen hebben wij hier geen gewone geschiedschrijving voor ons, maar geloofsgetuigenis van den evangelist. En dan is het treffend hoe dit verhaal aansluit bij de antieke cuitus. De cultus, de heilige gebruiken van het geloof, bedoelt een gemeenschap te onderhouden tussen den vereerde en de vereerders. Ziehier enkele overeenstemmingen tussen Joh. 13 en de overgeleverde geloofsgebruiken:

„Jezus legt de klederen af, vermoedelijk het gewone bovenkleed. Dan omgordt hij zich met een linnen doek.” Nu was juist het linnen schort de grondkleding van den cuituspriester, al Is daar in de loop der tijden veel bijgekomen. Bij de kleding van den hogepriester, die het O.T. heel precies beschrijft, wordt telkens het linnen vermeld. Ook voor de andere priesters is het vereist. Bovendien was de gordel een der belangrijkste onderdelen van de kleding.

Nu doet Jezus water in het wasvat en wast zijn leerlingen de voeten. Dat herinnert aan Ex. 40 : 7, 12, 31, waar Mozes bij de stichting van de Joodse eredienst het gebod krijgt om water te doen in het wasvat en Aaron en zijn zonen (de priesters van het nieuwe geloof) met water te wassen, de handen en de voeten.

Petrus begrijpt het weer eens niet. Zal de meester zich voor hem vernederen? Als hij gaat verstaan dat dit iets betekenen moet, denkt hij aan een zinnebeeldige reiniging en hij weet dat hij die zeker behoeft en dat ook zijn handen en zijn hoofd stellig ~schoonge

') Omhoog 1922; Geloof en arbeid 1931 (Van Loghum Slaterus).

wassen” moeten worden. Maar nog verstaat hij slechts ten dele.

De voetwassing is n.l. allereerst nederig onderling dienstbetoon, al zegt de vorm van dat dienstbetoon ook, dat men in de „dienst” van den Meester staan moet met heUige „voeten.”

„En dan eindigt het stuk met een beschrijving van daadwerkeiijke gemeenschap: wie mijn afgezant ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt, ontvangt mijnen zender. De voetwassing is dus, als wij op deze trekken letten, op te vatten als de stichting van de nieuwe cultus, waarin de gemeenschap van de dienende liefde allen met den Vader verbindt.”

Zoals Mozes de Joodse eredienst instelde, stelt Jezus hier de eigenlijkste christelijke eredienst in. Hij zelf, in wien God zich openbaart, d.w.z. hij, die ons iets van God doet kennen, zoals een blik of een woord iets van den medemens kan openbaren, blijkt te willen dienen en zegt; Nu zijt gij ook verplicht elkanders voeten te wassen. Zo wordt een zeer innige levensgemeenschap gesticht. Maar al de cultische trekken doen deze echt menselijke gemeenschap kennen als regelrechte dienst aan het Hoogste, ja als net precies datgene, wat ons aan God binden kan en moet. Deze opvatting wordt gesteund door de irileiding van het verhaal in vers 3. Dat is eigenlijk een rechtvaardiging voor Jezus’ optreden. Mocht dat zo maar? Naast Israëls eeuwig priesterdom deze nieuwe cultus stellen? Ja, zegt het Joh. evangelie, dat mocht, want Jezus wist dat de Vader alles in zijne handen gegeven had, en dat hij van God uitgegaan was en heenging tot God.

Zo is deze nieuwe cultus uit de tempel in het huiselijke vertrek, uit het afgezonderde gebied van de godsdienst in het leven gebracht. De dienst schijnt eenvoudiger, menselijker, meer alledaags, maar inderdaad is er juist in dat alledaagse een geweldige spanning gekomen. ledere mens die tot ons komt kan een boodschap van de Christusgeest brengen, en wie hem afwijst, wijst God af. De kring der leerlingen wijst naar een kring der mensheid, die cultusgemeenschap worden moet, in onderling dienstbetoon geheiligd. Daar naderen we tot de droom, die een opdracht is, door De Graaf elders aangeduid als een wereld waarin arbeid en gebed samenvallen. Daar is alle arbeid dienst en alle dienst brengt gemeenschap met het Heilige.

Zo Is dan „de voetwassing, geheel anders dan bij de stichting van Israëls heiligdom, een teken geworden, vol van geestelijke zin, waardoor een geheel andere gemeenschap der verering tot stand komt dan in de antieke cultus. Maar toch, door het beeld zelf wordt de samenhang met Israëls cultus gehandhaafd, uit Israël komt de godsdienst voor de wereld, die, door Jezus geplant, de gemeenschap is van de voetwassing, van de eenheid der mensheid, op voorwaarde van de zelf-verloochenende liefde.” F. KALMA—KOOPS.

Uit de wereld van het boek

Anke Servaes, Moeder Liesbeth. Hollandia-drukkerij, Baarn 1938.

Wanneer er na het verschijnen van een boek als dit laatste van Anke Servaes een paar maanden verstreken zijn, vraagt men zich af of een aankondiging eigenlijk nog ergens toe dient. Want de liefhebbers hebben intussen hun behoefte al wel gedekt, hetzij door de boekhandel of door de leesbibliotheek, en voor anderen dan „de liefhebbers” zijn deze boeken niet gemaakt.

Persoonlijk behoor ik niet tot deze categorie. Als buitenstaander constateer ik alleen, dat het boek is gekenmerkt door dezelfde eerbied voor het leven en dezelfde liefde voor de verschoppelingen als z’n voorganger. Kinderen die over zijn, en dat het aanmerkelijk beter is geschreven. Intussen bied ik u hierbij een proeve, het relaas van Liesbeth’s bevalling, door haarzelf.

„Het uur naderde, het donker van de nacht werd langzaamaan schemer en toen het Wonder van de geboorte licht nodig had, was er licht. De Hemel ging open, de winterzon scheen recht in onze kamer: het was dag.

Een Aart (de echtgenoot-medicus) legde het tastbare leven in mijn handen.”

Van zoiets hou je, of je houdt er niet van. Sinds ik uit een uitgeversprospectus heb vernomen, dat Anke Servaes geen 23 maar tegen de 40 is, houd ik er nog minder van dan tevoren. M. H. v. d. Z.