is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 26, 25-03-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zwakheid en kracht

Als een vurige fakkel is de apostel Paulus met zijn geloof de heidenwereld ingetrokken en overal heeft hij verkon; digd het heerlijke Evangelie van Jezus Christus. In de juiste houding van die; naar wil hij niet roemen op zichzelve, want, zo zegt hij, niet die zichzelve prijst, maar die den Heer prijst, die is beproefd.

Maar juist in de laatste hoofdstukken van de Tweede Brief van Paulus aan de Korinthiërs, roemt hij toch op eigen prestaties. In geen enkel opzicht, zegt Paulus, ben ik minder geweest dan de uitnemendste der apostelen: ja, ik ben boven hen in arbeid: ik heb er voor in de gevangenis gezeten, ik ben er voor gegeseld. Dat is Paulus in volle kracht. Tegenover de onderlinge ruzie van de broeders in Korinthe stelt hij de voor; treffelijkheid van eigen apostelschap. Hij moet zich wel beroepen op eigen roem en eer: het is toch niet voor niemendal, dat hij zich geheel heeft gegeven aan de verkondiging van het Evangelie!

Doeh dan bekruipt hem weer dat diepe gevoel van eigen kleinheid, van zwakke menselijke kracht. Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? vraagt hij dan. Ja, opdat ik mij niet zoude ver; heffen, is mij een doorn in het vlees ge; geven. En driemaal heeft hij den Heer gebeden om van deze menselijke kwel; ling te worden verlost, doch het ant; woord was: Mijn genade is U genoeg; want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

Dit is een mooi gedeelte uit de brieven van Paulus. Hij staat rechtop door het geloof, omdat hij hulp van God verkrc; gen heeft, maar toch voelt hij zich zelf zwak: ik ben een zwak vat. In de men; selijke zwakheid echter werkt toch de kraeht Gods in hem.

Menselijke zwakheid en goddelijke kracht!

De mens heeft zo sterk de neiging om te spreken van eigen prestatie. De mens beroemt zich zo graag op eigen kraeht! Is er niet in elk mens een neiging om te zeggen, dat juist zijn werk toch eigen; lijk het beste is en het meest geslaagd? Dat is in alle werkkringen zo: onder arbeiders met de hand en onder arbei; ders met het hoofd: ja, juist hier vaak het ergste. Zo heel gemakkelijk wordt een sterk accent gelegd op het eigen vak! Andere mensen zijn er, die menen, dat ze niets uit handen kunnen geven: als zij het werk niet doen, dan gebeurt het niet goed. In wezen is dat, dat men eigen kunnen geëerd wil zien en dat men zich beroemen wil op eigen kracht.

Doch als wij nu eens een paar toontjes lager proberen te zingen en bijv. inzien dat we toch eigenlijk in het grote geheel der dingen zo bitter weinig hebben te betekenen, of als wij het ons bewust zijn, dat we toch eigenlijk met al onze ingebeelde kracht, met ons gehele leven hangen aan een draadje, dat vast gehou* den wordt door den Heer van leven en dood, dan zal dat gevoel van eigen kracht en kunnen plaats moeten maken voor een besef van zwakheid. Want ónze eigen plannen worden niet voL bracht, ónze idealen worden niet ver; vuld: Góds bedoelingen zijn anders dan wij hebben gedacht. Wij zijn als Petrus, die het zwaard wil opnemen om met eigen menselijke kracht zijn bedoeling te doen zegevieren. Maar Gods kracht ging de weg door de menselijke zwak; heid heen. Dat roept ook Paulus uit tot de broeders in Korinthe: Ook Jezus Christus, hij is gekruisigd door de men; selijke zwakheid, maar nochtans leeft hij door de kracht Gods.

Ja, God blijkt vaak het dankbaarste gebruik te maken van hen, die lijden voor hun idealen, die menselijkerwijze bezien, verbrijzeld worden van hart, doeh die door God staande gehouden worden met gebroken harten in dienst van Zijn Koninkrijk.

Zwak is de mens, maar sterk is de kracht Gods. De mens kan er zelf aan ten onder gaan. In de bundel noodlot vinden we de door Martien Beversluis vertaalde woorden:

En slag na slag versmeedt ons leven Wanneer wordt ons de kroon gegeven?

Zo moet het zijn, dat ons leven ver* smeed wordt in de dienst Gods. De vraag naar de kroon is niet belangrijk. Adama van Seheltema heeft dat dieper uitgedrukt in de Tors:

En zonken zij als as, en zonken allen Het leven wies

zij bouwen ook, die vallen.

Wij zouden het ook anders kunnen zeggen: op de heilige wachtpost in ons leven moeten wij de heilige wake be= trekken, hoe zwak wij ook zijn. Wij moeten brandende toortsen zijn: zelf worden wij opgebrand, maar lieht moe? ten wij geven. Zwakheid van de mens, maar noehtans werkt de kracht Gods. Ook Paulus’ kunnen was maar schamele armoede, maar toch werkte in hem de kracht Gods aan de komst van Zijn Koninkrijk.

Dit is een heerlijke troost voor de zwakke mens: in zwakheid kan hij wan= delen, hij kan opgebrand worden, zin« ken, versmeed: Gods kraeht wordt in zwakheid volbracht! (2 Cor. 11 en 12). J. S. KROL.

Het tekort van het Westen

Het woord door Kolnai gebruikt, zou vertaald kunnen worden, door „bankroet”. Maar dit heeft in onze taal een zo sterke klank van mislukking, dat het onbruikbaar is, voor wie als hij vast gelooft in de mogelijkheid dat West-Europa zich handhaven kan en zal tegenover Nazi-Duitsland. Tegenover een levens- en wereldbeschouwing allermeest die, heftig anti-democratisch, een ontkenning is van alle humanisme, alle zachte krachten, die van persoonlijkheid en hare rechten niet weten wil.

Hoeveel sterker zouden wij staan, wanneer niet eigen welstand, bezit, macht, invloed, merendeels motief tot handelen geweest ware. Altijd wreekt zich miskenning van geestelijke waarden en dezer draagkracht. Wat oorzaak is van de tegenwoordige toestand?

Kolnai noemt in de eerste plaats, de slappe, onsystematische omgang met het maatschappelijke vraagstuk, vooral in Frankrijk en in Engeland. Deze landen schijnen nog immer als vanzelfsprekend de filosofische en sociologische onderstellingen van politieke vrijheid te aanvaarden: het systeem werkt er zo wat, omdat de omstandigheden gunstig waren. Dit lag in Duitsland geheel anders. Na de vóór-republikeinse oligarchieën bestonden daar geweldige spanningen, waarmede het westen

geen rekening heeft gehouden in zijn optreden tegenover Duitsland.

De grenzen van vrijheid, het bestaan van „elites”, die onder ede moesten instaan voor andermans vrijheid, de noodzaak van zelftucht, de uitwerking van economische beperking op de mogelijkheid tot begrip en overleg, de spanning tussen vrijheid en het inzetten van alle krachten, de verhouding tussen democraten en nationaal zelfbewustzijn, dit alles vroeg een begrip en een inzicht, dat volkomen ontbrak bij de overwinnaars. Bovendien bemoeilijkten de Duitse tradities het bereiken van een bevredigende oplossing. In het kort gezegd: ~de democratische theorie had zich te veel bekommerd om de „postulaten” en de „architectuur” der democratie, en te weinig om de samentrekking van macht in de handen van een groep, bestemd om de democratie te dienen en toe te passen”. En zo kwam men ertoe, in de praktijk te vergeten, dat democratie geen functie der meerderheid is, maar meerderheid van democratie, dat het toestaan van vrijheid „aan mensen wier beginsel het onthouden van vrijheid aan anderen is” op zijn best edelmoedige weelde is, maar als het erop aankomt, zelfvernietigende dwaasheid. Dat de republiek belijders van het oude regime in openbare ambten handhaafde, kwam intussen ook voort uit de verering van het gezag en van de uniform, aan iederen Duitser, maar stellig aan iederen Pruis eigen.

Duitsland te streng behandeld

Als tweede oorzaak van de Westerse onmacht, noemt Kolnai de opvatting, dat de

enige fout der staatslieden een te strenge behandeling van Duitsland was. In menig opzicht is dit zo en bovenal getuigde het van weinig begrip, dat het militaristische en het Weimarse Duitsland niet hetzelfde waren! Maar in ander opzicht waren zij weer te toegevend en bovenal misten zij doorzettingsvermogen, eenheid en wilskracht. Men ging niet ver genoeg in de vernietiging van het Duitsland der HohenzoUern, te mechanisch werden die misdrijven betaald gezet aan de Republiek, de mogelijkheid om een neergeslagen Duitsland de kans te geven zich met het Westen te assimileren werd zelfs niet onder de ogen gezien en met een half hart werden allerlei vooruitstrevende concessies gedaan aan een Duitsland, dat in overeenstemming daarmede, weer op krachten kwam en trouw zwoer aan de boze en verjongde heersende factoren van het verleden.

Over dit proces door Robert Dell') zo levendig beschreven, wordt niet gerept door de verschillende groepen van Westerse „Pacifisten”. Hoe dan ook, noch de Europese democratieën noch Amerika hebben oog gehad voor de noodzakelijkheid, om de Republiek van Weimar te steunen. ~Zelfs nu nog”, aldus Kolnai, „zie ik het grote gevaar in de beroemde theorie van de verzadigde en niet verzadigde naties met haar behagelijke eenvoud en goedkope edelmoedigheid en daarachter de verwaandheid van den braven Hendrik. Alsof het demonische ooit werkelijk een product was van een onrechtvaardig tekortdoen, laat staan kon worden weggewerkt door een

■) Robert Dell: „Germany unmasked”, 1934.