is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 27, 01-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd en Taak

ZATERDAG 1 APRIL 1939 – No. 27 37STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 37STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

EEN OUDE WET

TVe Deense wijsgeer Kierkegaard heeft het midden der vorige eeuw reeds gesproken van de „geestelijke verloren* heid” der moderne mensheid. Hij be* doelde o.a. dat deze mensheid zo ont* stellend oppervlakkig leefde, dat zij zich vergaapte aan de schijn van een geheel op het uitwendige, op wereldbeheersing, macht, bezit, techniek, welvaart en com* fort gerichte beschaving; dat zij aan heilige diepten en geestelijke wetten in het leven voorbijging; dat zij de grote eisen Gods, waaraan een mensenleven werd opgeofferd en opgebrand, in ge* makzucht en zelfbehagen voorbijging aldus „geestelijk verloren”.

Nu spreken wij al sedert een kwart eeuw van „umlernen”: de levenshouding der 19e eeuw bleek in haar te gemak* kelijk optimisme, in haar te sterk ver* trouwen op de natuurlijke mens, in haar geloof van langs lijnen van geleidelijk* heid snel opklimmen tot een heilstaat onhoudbaar; wij moesten afstand doen van inzichten en verwachtingen die met zéér werkelijke krachten, ook van don* ker dreigende vernielende aard, geen rekening hadden gehouden; er werd van de levende mensen gevraagd een bereid* heid om „open te staan”. Gehaat was ons bovenal de arrivé, de mens, die zich zelf „binnen” waande, die zijn stel in* zichten had en niet anders deed dan ze elke keer maar weer zogenaamd toepas* sen op het leven, zonder zich af te vragen of het wel klopte. Deze zelfver* zekerde stokpaardjes*rijders kwam je overal tegen: in het orthodoxe Christen* dom, het orthodoxe liberalisme, het or* thodoxe Marxisme.... Vooral de strijd in het socialisme ging ons diep ter harte, omdat de socialistische idee sociale gerechtigheid en gemeenschap alleen maar winnen kon, wanneer zij o.a. be* vrijd werd van het 19e*eeuwse ideolo* gische pakje, waarin zij was gekleed.

Sedert het einde van de wereldoorlog is deze noodzaak tot „umlernen” nog steeds aanwezig, ja, in beklemmende

mate versterkt: ik denk aan de strijd op leven en dood tussen democratie en fascisme, die in wezen een strijd is om nieuwe opgang .tot vrijheid of een neer* gang tot slavernij. De democratie, het socialisme inbegrepen, zal in deze strijd niet overwinnen, tenzij een innerlijke vernieuwing wegbrandt wat tot een ver* ouderde en onwerkelijke ideologie be* hoort. Ik denk daarbij met name aan wat naar mijn overtuiging de allerdiep* ste wet van het geestesleven is: dat nim* mer een opwaartse stijging zich voltrekt dan door het offer. Dit is nog iets meer, dit snijdt veel dieper en smartelijker in dan de overigens ook zuivere en ware gedachte, dat een mensenziel slechts strijdend groeit, dat wereldbewegingen slechts door mislukking en nederlagen heen kracht veroveren. Stellig, óók met deze waarheid eigen tijd naderend, wordt de oppervlakkigheid daarvan wel openbaar: aan de ene kant de trots, de zelfvergoding, de opgeblazenheid van het uitverkoren ras, de macht van het Rijk, de wil des Leiders —• aan de andere kant de angst* en paniekstem* ming, die de eigen bevoorrechte positie in gevaar ziet en déze bovenal wil red* den. En maar zelden, zéér zelden de deemoed die zowel weet van ’s mensen eindigheid als van het heilige, waarvoor hij onvoorwaardelijk moet staan.... Toch wordt de geestelijke verloren* heid, de oppervlakkigheid óók van ons eigen geestelijk leven mij scherper be* wust, wanneer ik denk aan de levenswet van het offer. Hieraan weet ik of een mens diep leeft: of hij zonder rumoer en luidruchtigheid deze wet kent en ge* hoorzaamt. In een tijd, die de wet van het offer niet kon ontdekken, gaat het diepe leven verloren; waar men haar leeft in de stille sterke daad, is opgang naar de eeuwigheid, is vernieuwing. Het is een van de diepste waarheden die ge* stalte vonden in de Christusfiguur: de gehoorzaamheid aan Gods wil voert tot het Kruis, ja —• maar door dit hoogste

offer tot redding en vernieuwing der wereld.

En altijd weer vergissen wij 0n5....

Toen „men” Christus aan het kruis had geslagen, dacht men: ziezo, dat is afgedaan; die zwijgt voortaan en zal de wereld niet meer verontrusten, wij kun* nen overgaan tot de orde van de dag, van onze dag, de dag van Caesar en zijn machtig Romeins imperium, of de dag van de geheiligde godsdienst der vaderen, of de dag van de burgerlijke rust die wèl sensatie maar geen geeste* lijke revolutie duldt. Men heeft zich ver* gist: nog immer lééft en werkt en spreekt Christus. Omdat hij de weg van het offer ging, de weg van de eeuwige opgang.

En wij, die het geloven willen, vergis* sen ons toch telkens weer....

Wij verstaan waarlijk wel de afschuw, de diepe verontwaardiging, het innerlijk gewond zijn —■ de meest voorkomende en misschien sterkste factor, de angst noem ik niet de belangrijkste die die* tatuur en terreur, nationaahsocialisme en oproepen, en meer dan eens gaat een huivering en ontzetting door ons heen om wat er in Europa mogelijk blijkt. Maar vergissen wij ons niet? Is het in wezen niet een oud verhaal in nieuwe vorm: Christus moet aan het kruis, en de machthebbers denken: dan is het afgedaan en zwijgt hij voortaan....

Waar achtige levensvernieuwing groeit slechts op uit het offer.

En misschien is er géén ding zo nodig als dit: dat wij, die zeggen te geloven en geloven willen, het weer leren wagen met de diepe geesteswet van het offer. Dat kan ook doen huiveren. Maar het is een heilige huivering.

Zou het socialisme aan kracht ver« liezen, wanneer het 19eseeuws optimisme plaats maakte voor de Evangelische liefdedaad die tot het offer leidt?

W. B.