is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 28, 08-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei profane terreinen te kunnen beheersen, tenslotte de geestelijke spankracht en volgzaamheid uitgeput hebben. Ze kwam er niet meer aan toe om haar geestelijke bedoelingen voor te dragen, want ze had al de beschikbare tijd nodig voor haar aardse taak en hierbij kwamen personen naar voren, die haar prestige ongeloofelijk geschaad hebben. Dat dit gebeuren moest in een tijd, die toch al zo geweldig de aandacht der mensheid van het geestelijke aftrok, was dubbel tragisch. Als men spreekt van oppervlakkigheid, moet men dit bedoelen: men ga eens praten op een van de heel zeldzame dorpjes in Brabant en Limburg, waar de radio nog nauwelijks doorgedrongen is, waar de meisjes Zondags nog niet gaan dansen in de naburige stad en dan spreke men eens met een man of vrouw op jaren: men zal dan het gave Rooms-Katholicisme ontmoeten; ge kunt het bewonderen of verwerpen, maar ge kunt het niet ontkennen, dat deze mensen er vanuit denken en leven, dat het hun geheel en al doortrokken heeft en voor hen een Immense troost betekent, een volheid van wijsheid, waarbij veel technisch weten en moderne quasi-diepzinnigheden volstrekt wegvallen. Welnu, dit ging verloren.

Een ander kenmerk van de zuidelijke religiositeit is de blijmoedigheid en ook hier moeten we pogen deze in de diepte te verstaan. Inderdaad is het leven er fleuriger en onbezorgder, inderdaad vervalt deze blijheid soms tot misselijke excessen: men moet als beschaafd mens de carnavalspret eens meegemaakt hebben (zonder zelf aangeschoten te zijn), men kan daar dan niet anders dan met een zekere walging aan terugdenken. Het Rooms-Katholicisme laat inderdaad een ruimer marge voor levensaanvaarding over bij haar interpretatie van Christus leer dan het Protestantisme. Zeer ten onrechte denken buitenstaanders, dat dit een rechtlijnig gevolg is van de biecht. Een katholiek, zo redeneert men, is gemakkelijk zijn schuld tegenover God kwijt. Dit is ongetwijfeld een element, dat meetelt, maar de oorzaak ligt dieper.

Een groot gebrek van veel cultuurhistorici is, dat ze zo slecht theologie kennen; hier is weer een voorbeeld, waar men een groepsverschil alleen kan verklaren uit bepaalde dogmatische gegevens. Katholicisme en Protestantisme leren beide de erfzonde, maar de Katholiek kan nochtans niet aanvaarden, dat de schepping geheel en al bedorven is; vooral na Trente (Het Middeleeuws Katholicisme was wellicht somberder. Men lette eens op de teksten der Middeleeuwse liederen) heeft de Roomse kerk veel van de humanistische levensaanvaarding in haar leerstelsel opgenomen; wanneer daarbij de Protestant in God vooral de scuvereine Majesteit en strengen Rechter erkende, sprak een katholiek met vertedering over den lieven Heer en diens eindeloze barmhartigheid; men kan dit zo goed navoelen, in det verschillende atmosfeer der boeken van Gooien en van den lateren Van Schendel. Terwijl de Protestant de ijdelheid der werken proclameerde en daarmee het aards terrein vrijgaf voor een niets-ontziende activiteit, kon de Katholiek altijd rekenen op een hemelse gelukzaligheid bij een minimum van gedemonstreerde goede wil (hier is de Biecht inderdaad factor) en aanvaardde blijmoediger aardse narigheid: hij had een stellige troost in het vooruitzicht. RENÉ.

Van mensen en dingen

Kortehemmen in een pijpenla

Eigenlijk zou ik vandaag veel liever over Parijs schrijven of over een vergadering van de Kroatische boerenpartij of vertellen van een wonderlijke ontmoeting met een Oekraïnsen nationalistischen leider in Pools Oost-Galicië. Maar ik ben nog een eerstejaars met deze rubriek en daarom nog te groen om voor het opdoen van indrukken naar het buhenland te worden uitgezonden. En dus blijf ik voorlopig nog binnen de enge landsgrenzen, welker onaantastbaarheid een axioma is. Wat een hele geruststelling is!

Ik ben in Groningen en kan vanavond naar een bokswedstrijd, een lezing van een bekend Engels fysicus over cosmlsche straling of naar

een „gezellige koffieavond”, waartoe de „Conimissie inzake huishoudelijke voorlichting mij heeft uitgenodigd. M’n hang iiaar het ongewone alsmede m’n luiheid drijven me naar het laatste.

In de tram is er nog even een aarzeling. Ik zit naast den Groningsen professor, die het bestaan van een element heeft ontdekt en ik voel dat als een zachte aanmaning van het lot om ook de intellectuele zijde van het Groningse leven te zoeken. Maar ik bedenk me, dat ik dan hier nooit meer naar gewone dinpn kan gaan, want in een Groningse tram zit altijd wel een prof. Die horen bij het trambeeld, even goed als de stijf geklede burgers, die altijd bijzonder veel interesse schijnen te hebben voor te koop zijnde huizen, waarbij de gesprekken meest gaan over de waarde en de vermoedelijke opbrengst der panden, een eigenaardigheid, die wel verband zal houden met de potterige aard van den Groninger.

Ik kom in het Concerthuis, een wel erg overdreven betiteling voor het ongezellige bouwsel, maar waarmede men graag genoegen neemt, wanneer men midden-19de eeuwse taferelen in zich oproept van intieme kamerconcerten voor de gezeten burgerij en gezellige Nutsavonden met Nicolaas Heets als de gevierde spreker. Een trap op, een gang door en ik sta in een afschuwelijke pijpenla vanj een zaal, waaruit een gekakel van 400 vrouwenstemmen mij tegenstaat, een geluid, alsof tientallen tapdansers in de meest onbehoorlijke maatloosheid een triplextoneeltje betrappelen. Al gauw heb ik een kop koffie toegeschoven gekregen en is mij een groot stuk van de befaamde Grönniger kouke in de knuist geduwd, een homp zo vol met sukade, dat voor mij de aardigheid van de lekkernij er meteen af is. De koffie wordt niet geschonken uit de ouderwetse Groningse koffiekannen met tuitje; dat offer aan de gezelligheid is waarschijnlijk gebracht om Van Nelle de gelegenheid te geven gratis te schenken en de muren vol te hangen met wandteksten.

Deze 400 vrouwen, zo ontdek ik weldra, zijn meest werklozen-vrouwen, die de hele winter door in allerlei clubverband hebben gewerkt en aan wie nu een gezamenlijke gezellige avond wordt aangeboden. Bovendien zijn velen van deze vrouwen door de Commissie inzake huishoudelijke voorlichting een week uitgezonden geweest naar Kortehemmen; drie weken lang is ons huis verleden nazomer verhuurd geweest om deze Groningse vrouwen in aanraking te brengen met de Friese natuur. Ik kan het niet helpen, maar ik denk aan ons tehuis iri Kortehemmen, aan de rust van

de praatkamers, aan de stralende openheid van het grote speelveld, aan het kerkje en aan de werkzame rust van de omliggende boerderijen. En ik hoor verschrikt op, wanneer ik in deze pijpenla de naam Kortehemmerl hoor en dan zie naar een pianist, die een toetsenbord betingeltangelt, naar een humorist, die met zijn vrouw een scène speelt, drakerig en oergoedkoop van geestloosheid. Verschrikt en geërgerd ben ik, want bij de opening van de gezellige koffieavond is er notabene verteld, dat men zulke prettige herinneringen aan Kortehemmen had, toen de piano-man en de humorist-conferencier daar op bezoek waren geweest en dat men daarom nu hier voor allen samen nog eens zo’n voorstelling wilde geven.

Zijn daarvoor de vrouwen uit de stad gehaald en naar de rust van het Friese land gebracht om ze daar weer te achtervolgen met de misselijke producten van platvloers stadsvermaak? Eén week uit de sleur van het dagelijkse zorgenbestaan, één week uit de bedomptheid van de kleine stadswoning, en waarachtig, in die enkele dagen moet hun een autobus met tingeltangelvirtuozen en imitatie-cabaretiers nagestuurd worden om. ja waarom, om misschien ons huis in Kortehemmen in de avond ook te laten weergalmen van ? Ik weet niet waarvan, maar ik heb er geen greintje vertrouwen meer in, nu hier vanavond de pauze wordt ingezet door piano, twee trekharmonica’s en de hele pijpenla weerklinkt van 400 vrouwenstemmen, die aanheffen „Dat we toffe jongens zijn, dat willen we weten”.

Hoe is het nou eigenlijk? Is de indeling van ons volk in allerlei hokjes, partijen en godsdienstige richtingen toch nog zo gek niet? Want wanneer deze goedwillende dames, die aan de arbeidersvrouwen ziekenverzorging leren, sokken en wollen broeken breien, manshemden verstellen en een stevige pot koken van zulke goedkope, maar degelijke middelen, dat het steungeld wel een burgerinkomen begint te lijken, wanneer die dames nu maar allemaal Orthodox-Christelijk waren geweest, of katholiek of knalrood, dan had men tenminste zijn eigen stijl aan zulke bijeenkomsten kunnen geven, dan had men tenminste zijn eigen liederen gehad.

Maar nu, ach schei er maar over uit, het was griezelig, omdat het zo helemaal niks was. IC.

Naar omhoog

Liefde, o gij machtige, help ons, gij onoverwinlijke, oyerwin het donker, doorlicht de valleien van ons hart, reinig de stromen door uw zuiverheid, verinnig het zingen van ons bloed, maak ons hart wit van Wijsheid, opdat klinken moge de zuivere toon, die herkend zal worden door wie luisteren willen, die gehoord zal worden door U, Liefde.

Wat zijn wij buiten U? Een vals klinkende fluit, waarde^ loos voor U, die zelf zijt muziek. Wat zijn wij mèt U? Een liedje in de stilte, een wind van geluid, een bloeiende boomgaard, een weide vol bloemen, een boom van vruchten zwaar, een klok in den storm, een toren in den nacht bij de grote zee. Wat zijn wij mèt U, een knaap in zijn spel, een man aan den arbeid, een held in den strijd van het leven, een stille denker en altijd een Bouwer. . rr

Wat zijn wij mèt U? Woorden zeggen het niet, maar wie U heeft, heeft Al. Liefde, o gij machtige, help ons overwmnen den demon van het duister, in de wereld, in het mensenhart.

JOANNES REDDINGIUS.