is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 29, 15-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dag bij dag nadert meer het voorjaar. De zon trekt zijn baan hoger en hoger.

Het gezicht van het land wordt duidelijker en heft zich langzamerhand naar het licht.

Een strakke wind scheert nog over de landouwen. De golven rimpelen rusteloos verder.

Hier en daar ontvouwt een bloem zijn kelk.

De zomer ligt als een schip,

waarvan de ankerkettingen verbreken.

A. STEENHUIZEN.

~Ons gesprek''

B. Roest Crollius, Onheil in de verte. Querido, A'dam 1939. (Salamander-reeks).

Ik: Dit boek interesseert mij niet.

De aestheticus: Zó, het is anders opgenomen in een ~Reeks van de beste oorspronkelijke en vertaalde romans.”

Ik: Dat is aardig voor den schrijver; en niet zo aardig voor de bewuste reeks. Maar mijn belangstelling wordt daar niets groter door.

De aestheticus: Maar je zult toch toegeven, dat het goed geschreven is. Die gesprekken bijv. zijn beslist verdienstelijk weergegeven, zo próten de mensen inderdaad. Ja, ik weet wel dat stompzinnige praatjes er niet boeiender van worden of je ze leest in plaats van aanhoort

Ik: Jawel, dat worden ze juist wel. Stom.pzinnige praatjes kunnen in geschrift ongemeen boeiend zijn. Denk maar aan het „Avondje bij juffrouw Pieterse” bij Multatuli. Als de schrijver er maar iets mee vóór heeft.

De aestheticus: Nu juist, dat is wat ik bedoel. Zoals die man dat hier beschrijft, pakt het je toch. Neem nu zo’n aanhef, over den hoofdpersoon Seffe en zijn ouders. ~Ze zien zeker een genie in hem en kijken zich blind op die aap. óns kind moest hij wezen: mannetje, Seffe, klets hier, klets op je andere wang en tien erbij als je niet doet wat we zeggen. Welneen, z’n aard is niet slecht. Maar tucht heeft hij nooit gekend en hoe weet hij de plichten van het leven, als niemand ze hem wijst. Wij zeggen onze kinderen: éérst je eindexamen en met dat in je zak zie je een positie te krijgen. Als ze merken dat je wilt, zijn er altijd die je helpen. Enzovoort. Nietwaar, zo’n stukje karakteristiek staat toch op z’n poten.

Ik: Ja, dat is knap gedaan, dat staat op poten; hoewel ik er niet zo zeker van ben, dat het „z’n” poten zijn. Het zouden bijvoorbeeld ook de poten van Gerard Walschap kunnen wezen, die meen ik begonnen is met op die manier de betweterige buitenwacht stem te geven aangaande zijn helden.

De aestheticus: Ja, dat verandert de zaak. Als het geen eigen vinding van die Roest Crollius is, dan is voor mij de aardigheid eraf.

Ik: Voor mij niet. Als een schrijver, of een kunstenaar in ’t algemeen, van een andere niet wat opsteken mocht, zou het er treurig uitzien met het peil van de kunst. Het is maar de vraag, of hij zich de vondsten van dien ander werkelijk eigen heeft gemaakt. En daar twijfel ik aan.

De aestheticus: Ten onrechte, dunkt me. Het is toch duidelijk, dat de schrijver met dit alles de botte middelmatigheid aan de kaak heeft willen stellen, waar zijn idealistische hoofdpersoon tegen optomt. Laat hij zich daarvoor dan desnoods de kunstgrepen van Multatuli en van Walschap beide hebben eigen gemaakt!

Ik: Ja, en die van Theo Thijssen er nog bij. Je kent toch „Kees de Jongen”? Welnu, ziehier dan de fantasieën van Seffe, die een boek geschreven heeft, over zijn bezoek bij den uitgever: „Een schokkend iets, dat boek van u, waarachtig, het heeft me zwaar getroffen, donders, zo jong en zo’n boek, dat brengt kapitalen in. Ja, en hij, Seffe, daar rustig zitten, kalmpjes knikken en duizend gulden vragen en bij al die roem even z’n schouders ophalen. Overmoedig smeet hij zijn kussen de kamer in, plof, het gleed over het zeil tot bij de deur Hij kleedde zich aan zoals alle schrijvers dat doen, langzaam en zorgvuldig, hij zat al met een nieuw boek in zijn hoofd, juju die Seffe.” Zijn dat de ironisch vertelde gloriedromen van Kees den jongen, of niet? Maar als de schrijver nu zijn held óók al ironiseert, dan weet hij niet wat hij wU.

De ethicus: Zo, dat is waarachtig niet te vroeg, dat je je dat af gaat vragen. Dat zal ik je dan eens even netjes vertellen. Hij wil, dat de mensen zich wat gelegen zullen laten liggen aan het „Onheil in de verte”. Me dunkt, dat moest je sympathiek zijn.

Ik: Dat hij dat „wil”, zeker; maar bereikt hij het? Bij mij niet.

De ethicus: Omdat je vissenbloed hebt! Als iemand schrijft over de gruwelen van de doodstraf, de rassenhaat, de oorlog, laat jij dat langs je kouwe kleren

Ik: Ja, ja, wacht even. Er zijn dingen over de doodstraf geschreven, ook in romanvorm, die je nachten en maanden lang blijven vervolgen. Als je bijv. „Ann Vickers” van Sinclair Lewis kent, weet je wat ik bedoel. Maar heeft deze schrijver het hier eigenlijk óver de doodstraf?

De ethicus: Hij heeft het over een jongen, die er razend en doodongelukkig om is, die al z’n energie besteedt om er iets tegen te doen die met de gedachte eraan opstaat en naar bed gaat!

Ik: Was dat die zélfde jongen, die bij die uitgever op bezoek zou gaan, en daar zo geanimeerd over fantaseerde? Dan was er toch nog wel voor iets anders plaats in zijn gedachten, dan voor het lijden der mensheid!

De aestheticus: Wou je dan, dat die jonge schrijver als een heilige werd voorgesteld? Ik dacht dat je aan goede karaktertekening hechtte. Is dit niet heel wat menselijker, dan als hij zo’n Sint-Joris-met-de-Draak was geweest?

Ik: Menselijker zeker. Als de schrijver hem als zo’n vlekkelozen Sint Joris had voorgesteld, had ik hem ook zeker niet geloofd. Maar je bestrijdt draken of je bestrijdt geen draken. Als de schrijver zijn held ironiseert, kan ik ook van de drakenstrijd niet meer onder de indruk zijn.

De ethicus: Jullie dwaalt alweer af. Je zoekt voorwendsels om je de zaak zelf niet aan te hoeven trekken. Al die aesthetische praatjes voor de vaak leiden maar af van de hoofdzaak: de strijd tegen doodstraf, oorlog, rassenhaat.

De aestheticus en ik (in koor): Wij belijden schuld; wij willen ons deemoedig laten leiden op de rechte weg: Hoe strijdt de schrijver enz.?

De ethicus: Door een boek te schrijven (Ik: Maar dat boek interesseert mij niet): door de botte middelmatigheid aan de kaak te stellen, wat jullie zélf erkent dat hij goed doet; door te toornen tegen de lauwheid, de lafheid, de misdadige onverschilligheid van de grote massa en de aesthetici en de recensenten, niet het minst de recensenten

Ik (heel erg kleintjes): En wat is daar tegen te doen, tegen die slechtheid van recensenten en andere ontaarden?

De ethicus: De jeugd!! Die moet in opstand komen! Als die eindelijk het heft in handen krijgt

Ik: De jeugd? Ik meende begrepen te hebben dat die Seffe, die ijdele, egoïste, ergerlijk luie, zelfingenomen jongen, die dat boek geschreven had, zélf tot de jeugd hoorde! En met hem steekt Roest Crollius immers de draak? En die kwajongen van een Seffe ~steekt de draak” helemaal niet, want hij is voor Sint Joris niet in de wieg gelegd. Ik vind dat ethisch en aesthetisch al even onbevredigend.

Ethicus en aestheticus af.

Ik: Er zijn toch zulke prachtige dingen geschreven over het heil, dat van de jongeren komen kan. Ik geloof, dat ik ~Bevrijding” van Clara Wichmann maar weer eens ga lezen.

M. H. VAN DER ZEYDE.

BEZIELING

In Haarlem ben ik in het museum, waar veel schilderijen zijn van Frans Hals en als vroeger ben ik geboeid door de portretten van de regentessen, kan slechts met moeite mij losrukken van hetgeen ik zie.

Het is of deze oude vrouwen bezield zijn door het leven zelf.

En wat weekjes later kijk ik naar Vermeer’s Christus en de Emmaüsgangers. Het is mij of alles wat er op de tentoonstelling hangt in het niet verzinkt bij deze weergave, deze bezieling.

Hoe hebben deze beide schilders gewerkt met een penseel, bestuurd door de bezieling. Hoe hebben zij als onbewust van hetgeen er gebeurde, terwijl zij aan de arbeid waren, zonder het te willen of te weten, aangetoond, dat er een rijk is van de ziel, de geest, het ongeziene, het eeuwig werkende.

Die openbaart zich in alle schilders, alle componisten, alle schrijvers, alle beeldhouwers, welke scheppende arbeid geven, zij zagen en zien slechts de lijnen voor zich, waarnaar zij werken willen, geven wat als vanzelf ontstond, terwijl zij aan de arbeid zijn.

Het doet den schilder en beeldhouwer werken, zoals hij het deed, den componist zangen en melodieën geven, welke in hem ontstonden, den zanger zingen, luisterend naar het diepste van uit zijn ziel.

Want in allen werkt de ziel, het grote wonder, dat deel is van datgeen wat het al bezielt.

Er is nog iets anders dan de stof, het stoffelijke: het bezielde!

Het werkt in den mens, in het ons omringende; het doet den vogel zingen, de bloem geuren en kleuren en al het ontluikende van zo bijzondere bekoring zijn.

Het is om en in ons.

Ontkenning, dat het er is, leidt tot verschrompeling, tot duisternis, omdat de ziel alleen bezielen kan.

Het is iets schoons te schouwen naar de scheppingen van Vermeer, de portretten van Frans Hals, om slechts deze twee bezielden te noemen.

Zij voeren naar het rijk van de ziel, de geest, het eeuwig in en om ons werkende.

De Schepper heeft het al geschapen.

De groten onder ons hebben het ervaren en prediken het.

En wij schouwen en luisteren en weten, dat zij zieners waren en zijn.

IDA HEIJERMANS.