is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 29, 15-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opbouw?

Bouwen is mooi werk. Niet alleen een kind houdt ervan. Telkens een houws steen doelbewust toevoegen in planma« tige opbouw, waardoor uit de chaos een idee zich verwerkelijkt, dat is iets wat vele mensen in hun leven willen, in het groot of in het klein. Als een bouwer wil de mens in het leven staan.

Maar is dat eigenlijk niet wat over= moedig gezegd? Het is toch wel meer zó, dat het grote Leven bouwt en wij gen dankbaar zijn, als ons kleine werk ergens wordt ingevoegd als een luttele steen. Wij bouwen de wereld niet op naar ons plan. Het blijkt telkens weer, dat de lijnen heel anders worden ge= trokken dan wij hadden bedoeld. Wij bouwen zelfs ons gezin niet op het is alles begrepen in een veel groter geheel van krachten en invloeden.

Daarom zullen wij ons wat bescheiden ner uitdrukken en niet meer menen, dat wij de bouwers in de wereld zijn wij zullen trachten „opbouwend” ingesteld te zijn. Dat is op zichzelf trouwens al heel wat. Gesprekken kunnen zo verschillend zijn; er is afbrekend en opbouwend spreken; er is af brekende en opbouwenn de critiek; er is afbrekende en opbou? wende spot.

De geest van afbreken is thans zeer machtig onder ons mensen. Er wordt veel gescholden op de tegenwoordige maatschappij. Die critiek is vaak gelas den met haat en wrok. Men zegt zo gemakkelijk, dat deze maatschappij liiaar eens tegen de grond moet worden

gegooid. Er worden zo roekeloos oor? logsmogelijkheden gewaagd.

Alsof uit afbraak en haat en wrok ooit iets beters worden zal of iets anders dan haat en wrok. Het is toch alleen bouwende critiek, die iets voorbereidt van een betere samenleving; het zijn toch alleen de dragers van ophouwende gedachten, die de bouwers van morgen zullen zijn. Afbrekende critiek is gemakkelijk ge= noeg. Ontevredenheid zaaien ook. Maar nodig is, dat wij geloven in een betere wereld, dat wij ons geroepen voelen tot een betere wereld, dat wij mede naar betere mogelijkheden zoeken en dat wij in die richting opbouwerid spreken en opbouwend denken en opbouwend strijd den.

Een levenshouding, die altijd weer ontzaglijke eisen aan ons karakter stelt. Maar houden wij die persoonlijke strijd om een ophouwende levensbom ding ook vol, alé wij zien hoe in de schepping afhrekende krachten heersen met geweldige macht? Hoe in de natuur voortdurend vernietigd wordt, wat der geworden was? Vreselijke ziekten tasten alle levende organismen aan. De dood breekt onherroepelijk af. En naast dat alles werkt de macht van de zonde, die nog weer op andere en vreselijker wijze het leven aantast en bederft. In deze huiveringwekkende schepping heersen in ons en om ons ontzettende machten van ondergang: ziekte, zonde, dood. Zij zijn niet gekomen om op te bouwen, maar om af te breken. Wat doen wij met onze persoonlijke wil tot opbouw tegen deze chaotische achtergrond?

Hier spreekt het Christendom. Het verkondigt, dat temidden van alle selen dezer schepping God zich in Jezus

Christus als diepe wil tot ophouw open= baarde. Dat de dragende macht in dit heelal toch Zijn reddende, behoudende, opbouwende liefde is. Opbouw van deze wereld tot wat boven deze wereld gaat, Gods Rijk.

In dit geloof, hoe ook geformuleerd, zullen wij de afbraak kunnen aanvaars den, zoals die in deze schepping heerst en toch opbouwend gericht blijven. In dit geloof zullen wij ons kunnen buigen onder de vernietigende slagen van het lot, ook als onze cultuur door barbaarse willekeur wordt afgebroken, en tóch niet vergaan in haat en wrok.

In dit geloof staat ons voor ogen Christus’ kruis. Het kruis is het inbegrip van alle afbrekende krachten, die de wereld beheersen; spot, haat, geweld, dood. Zij braken af dien Mens en Zijn werk. Maar Christus aan het kruis bleef ondanks dat alles opbouwend gericht, stervensmoed opbouwend in het hart van den gekruisigde naast hem, verzoes ning opbouwend over de hoofden van zijn vijanden. Van ophouw spreekt Christus’ kruis, tot aan het einde toe. En daaroverheen. Het heilige beeld van zijn opbouwens de levenshouding hebben wij wel nodig in deze tijd.

Moderne Germanen verklaren, dat wij ons vrij mogen laten beheersen door de chaotiese en afbrekende kraehten, die heersen in de schepping Gods. Daartegenover geloof ik meer in de waarheid van het woord van den Jood Rathenau, die schreef: „Wie verlost? leder, die boze wil tot zich neemt en van wien goede wil uiU gaat. Die dwaling ontvangt en waars heid terugschenkt. Die haat duldt en liefde geeft”.

A. M. L. FREVEL.

BrieTcn uit het Zuiden

Men heeft ooit de slechte speculatie gemaakt, dat antlclerlcallsme een goede voorbereiding tot het socialisme zou zijn; men ontmaskerde bepaalde wangedragingen der Roomse geestelijken, men betoogde hun despotische houding en onverdragelijke bemoeizucht en hoopte zo de mensen van het zuiden los te wrikken van hun traditionele gebondenheid en te winnen voor de frisse Ideeën van het socialisme; deze tactiek werd te gereder beoefend, omdat het beginnend socialisme In zijn rijen ook katholieken telde, die na een pijnlijke breuk met de kerk. van ressentiment vervuld. Innerlijke behoefte gevoelden hun verleden volledig te verloochenen. Ik constateer slechts, dat deze tactiek volledig heeft gefaald; men heeft ze dan ook sinds lang prijsgegeven en terecht. Onwillekeurig zal de propaganda voor ’t socialisme botsen op de tegenactie der katholieke geestelijkheid, maar men als een tactische fout en érger beschouwen deze principiële strijd te wijzigen tot een aanval op de priesterstand Het Is In dit verband ook leerzaam te zien, hoe de propaganda van enkele jongere Protestantse secten als de Hersteld-ApostoUschen en de Ernstige Bijbelonderzoekers ondanks geweldige Inspanningen volkomen verzandt; en men kan er zeker van zijn, dat de smakeloze uitbuiting van de Osse affaire speciaal van het geval der twee geestelijken, door de N.S.B. deze beweging In het zuiden prettig veel kwaad heeft gedaan. Het Roomse kerkvolk vergeeft noch vergeet zo lets licht. Het Is met de aanhankelijkheid van deze mensen voor hun priesters merkwaardig gesteld. In eigen kring kunnen ze lustig crltlseren, maar ze nemen het nooit, dat een „andersdenkende” dat doet.

Men moet hier terdege rekening mee houden. Waar steunt deze gebondenheid op?

Allereerst op bepaalde dogmatische gegevens; men kan het priesterschap uit de katholieke leer niet wegdenken. De priester Is er de bemiddelende tussenpersoon In de omgang van den gelovige met zijn God. Namens God deelt de priester goddelijke gunsten uit bij de bediening der sacrementen, hij vermaant en beveelt namens God, hij leraart over en namens God, hij verzoent met God, als de mens wroeging en berouw voelt over een overtreding der goddelijke wet. Ook In omgekeerde richting bemiddelt de priester: hij spreekt namens de kerkelijke gemeente tot God, door zijn gebed, hij organiseert en leidt en gaat voor in het gemeenschappelijk gebed, door zijn medebldden pas wordt het gezamenlijk bidden liturgie, d.l. gewijde eredienst; hij Is a.h.w. de zaakgelastigde van het volk bij God. Men kan deze dogmatische fi – guur aanvaarden of verwerpen, en men weet, dat de grote Reformatoren ze met hartstocht verworpen hebben, het Is eenmeel een integrerend deel der Roomse dogmatiek.

Ons interesseert hier vooral de psychologische nawerking van een dergelljk geloofsstuk: bij de priesters een diep besef van hun verantwoordelijkheid, maar ook van hun overwicht en zeggingsmacht, bij de leken een grote eerbied en aanhankelijkheid erl vooral een durende bereidvaardigheid om geleld te worden. De excessen aan de ene kant zijn despotisme en bemoeizucht en een houding van alles beter te willen weten, aan de andere kant een dweperige onderdanigheid, gemis aan crltlsch oordeel en blinde volgzaamheid. Men mag een bepaalde constructie natuurlijk niet om een exces veroordelen, evenmin als men uit bewondering voor de zelfde constructie de

excessen kan ontkennen. Als men over deze dingen nadenkt, begrijpt men hoe het antlclerlcallsme In Rooms milieu een onfeilbare Index van aanstaande geloofsafval Is. Terloops zij hier dan tevens bemerkt, dat men niet te vlug moet geloven aan de renaissance van het Katholicisme In Frankrijk, zolang het antlclerlcallsme als volks-Instlnct er nog zo levendig Is. De heenwijzlng naar Frankrijk leert nog lets anders en ook dat moet gezien, als men over de mentaliteit van het Zuiden spreekt. De vraag Immers rijst, waarom b.v. In Frankrijk, waar toch Immers dezelfde dogmata golden, het kerkvolk wèl van zijn priesters vandaan liep en In Brabant en Limburg niet.

Dit laat zich uit de geschiedenis verklaren!. De Franse clérgé heeft zich hopeloos gecompromitteerd door haar verknochtheid aan het ancien. Régime; daardoor werd eerst de Franse revolutie tevens een beweging van massale geloofsafval en als dan de Kerk van Frankrijk, pruilend over haar verloren macht, vrijwel heel de negentiende eeuw door, haar heimwee uitspreekt naar vroegere tijden en weigerachtig tegenover de republiek blijft, dan Is daarmee tevens Leo XIII heeft dat scherp gezien, maar toen was het te laat duidelijk gemaakt, dat het antlclerlcallsme In Frankrijk een der grote oorzaken Is van de rellgleuse onverschilligheid.

Maar juist in het Zuiden lagen de toestanden geheel anders. Daar heeft de geesteUjkheld de economische achterultstelltng en onderdrukking en armoede meegemaakt en meegeleden: ze heeft de bevolking geleidelijk aan geholpen zich te organiseren tot imlltlek volwassenen en langs parlementaire weg zich de gelijkberechtigdheid practlsch te veroveren; als men de geschiedenis der Katholieke Staatspartij, door