is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 29, 15-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een geestelijke beschreven (dr. Witlox), bestudeert, moet men niet naar het aantal priesters zoeken, die zitting namen in de Kamers, maar dan moet men geen ogenblik uit het oog verliezen, dat deze partij haar opkomst en bloei en bestendiging bijna uitsluitend te danken heeft aan de onophoudelijke steun der kathoiieke geestelijkheid. Bij de organisatie der werkliedenverenigingen, na Rerum Novarum, ziet men wederom dezelfde activiteit. Welnu, waar een geestelijkheid, door kerkelijke dogmata zo hoog verheven, tevens zo meeleeft en meewerkt met haar kerkvolk, daar zal men er vrijwel nooit in slagen dit volk van zijn priesters te vervreemden. Men kan hetzelfde waarnemen in lerland en Polen: in beide landen heeft de geestelijkheid meegeleden in de onderdrukking, die deze volkeren te doorstaan hadden; de geestelijkheid heeft meegestreden en meegeholpen bij het verzet; de beide volkeren zijn diep katholiek gebleven en innig verknocht aan hun priesters. Wie het bovenstaande goed begrepen heeft, kan nu zelf wel voorspellingen doen omtrent de katholieke kerk in Spanje. Er zal een dag komen, dat men er diep berouw over zal hebben zich zodanig gecompromitteerd te hebben, want de spankracht der geloofsaanvaarding is niet oneindig, deze kan helaas breken.

Volledigheidshalve moet ik nog terloops op twee belangrijke bijkomstigheden in dit vraagstuk wijzen. Er is een tijd geweest, maar ik geef graag toe, die tijd is bijna voorbij, dat de priester vrijwel de enige intellectueel in het zuidelijk milieu was; dat ook dit hem een groot overwicht gaf, valt licht te begrijpen.

Men zou nog kunnen vragen: uit welke klassen worden de priesters gerecruteerd? Tegenwoordig moet men zeggen uit klassen, óók, hoewel percentsgewijze nog niet voldoende, speciaal bij de wereldgeestelijken, uit de arbeidersklasse. Vroeger was dat anders: toen leverden de rijken en vooral de rijke boeren, veruit het grootste contingent: dat gaf dikwijls aan de geestelijkheid van weleer een treffend boers cachet en men kon niet zeggen, dat hun manieren altijd van een verfijnde beschaving getuigden; doch ze waren gemoedelijk en konden ta tijd van nood heel wat missen. Daar profiteerden de armen van en... Er staan ta Brabant en Limburg veel kerken, gebouwd en versierd door den pastoor en zijn rijke familie, monumenten, die er anders, als de parochie ze had op moeten richten, wel nooit gestaan zouden hebben. Zo iets vergeet men niet licht en doet veel vergeven.

RENÉ.

Uit de wereld van het boek

W. Durant. Van Socrates tot Bergson. Leven en leer der grote denkers, ingeleid door prof. dr. H. J. Pos. Uitgave Boucher, Den Haag 1939. Ing. ƒ4.90, geb. ƒ5.90.

Zéér geboeid lees je dit boek. Ik begon met de inhoudsopgave op te slaan, en fronste het voorhoofd: waarom déze namen wel en andere niet? Waarom wél Nietzsche en niet Kierkegaard? Waarom wèl Spencer en niet Marx? enz. Wees deze inhoudsopgave niet op een eenzijdigheid bij den bewerker? Toen ben ik het hoofdstuk over Voltaire gaan lezen, en heb een grote bewondering gekregen voor Durant als schrijver: het is niet ieder gegeven om zo levend, geestig en raak over wijsgeren te handelen al is Voltaire wel een van de dankbaarste objecten. Ik las het hoofdstuk over Nietzsche: opnieuw van begin tot eind geboeid. Zeker je voelt wel dat de schrijver Amerikaan is, veel van anecdotes en historische bijzonderheden houdt; wij zouden wel graag wat diepergaande ontleding der gedachtenwereld wensen.

Maar: deze man houdt je aan het lezen, en dat is een vrij zeldzame prestatie.

Toen ben ik de inleiding van prof. Pos gaan doornemen: „Dit boek is geen wetenschappelijk werk over wijsbegeerte. Het een getuigenis, een fakkel die wil ontsteken Een inleiding tot het vrije denken wil dit boek zijn In denkers, profeten en kunstenaars brandt de vlam der menselijkheid het helderst ” Nu goed, géén wetenschappelijk werk, géén diepgaande begrips- en stelselanalyse, maar: „een fakkel van menselijkheid”.

Daarvoor ben je toch wel dankbaar. Ik geef het boek gaarne door aan belangstellende niet-vakmensen. Ze zullen er méér dan van genieten; het doet een beroep op onze vrije menselijkheid.

W. B.

Een kwart eeuw kinderbeseherming

Amsterdam, Dinsdag. Heden is in de aula van de Amsterdamse Gemeente-Universiteit het nationaal congres „Een kwart eeuw kinderbescherming” geopend. De openingsrede werd uitgesproken door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine.

Spr. wees er o.a. op, dat dit congres in de eerste plaats theoretische bezinning zoekt, waar hart en toewijding naast helder inzicht niet ontbreken. Dan meldt zich de practijk. Slechts, waar deze evenzeer invloed oefent als de koele bezinning en het warme gemoed, verkrijgt en behoudt de arbeid zijn onmisbare evenwichtigheid. Tenslotte drijft de practijk hem onmiddellijk tot het onderzoek, die op het erf der kinderbescherming een taak heeft. Ongetwijfeld is de overheid een van de eersten, die op dit gebied een zeer speciale taak heeft te vervullen. Zij is er zich echter van bewust, dat zij noch de eerste noch de enige moet zijn. Het komt niet minder aan op ouders, gezinnen, maatschappelijke organen en op de kerken. Wie telkens allereerst om de overheid roept, verarmt de arbeid en verslapt het volksgeheel. Nu wij de gevolgen der internationale economische crisis ook voor de toestand van het kind thans zo bizonder ontwaren, kan de drang tot de daad slechts sterker worden door dit congres. In de overtuiging, dat daardoor grote volksbelangen zullen kunnen worden gediend, verklaarde spr. met de beste wensen voor het welslagen, het congres voor geopend.

Hierna sprak de voorzitter van het congres, de heer S. N. Posthmnus, die opmerkte, dat

de waarderende woorden, door den minister aan het bureau voor de kinderbescherming gewijd, voor het bestuur een aansporing zijn op de tot nu toe gevolgde weg door te gaan. In de middagzitting zou als eerste referent het woord voeren prof. dr. Ph. Kohnstamm over: „De paedagogiek en de psychologie in dienst der kinderbescherming”. Prof. Kohnstamm was evenwel wegens ziekte verhinderd zijn referaat te houden. In zijn plaats trad nu prof. dr. R. Casimir naar voren, die over hetzelfde onderwerp sprak. De kern van zijn betoog kan worden samengevat in de volgende ■woorden: Kinderbescherming zo betoogde spr. eist kinderkennis. Ten onrechte wordt nog zo dikwijls volgehouden, dat goede bedoelingen intuïtief, los van alle wetenschappelijke doordenking, voldoende zijn om aan een kind te geven, wat het toekomt. Deskundige opvoeding van de ouders is echter een onmisbare voorwaarde om tot ware kinderbescherming te kCHnen. Spr. wees op de onmisbaarheid van een behoorlijk geoutilleerd paedologisch instituut aan een onzer rijksuniversiteiten.

In zijn inleidende rede wees prof. Casimir op het internationaal congres in Luik, waar verschillende wensen werden geuit, die sinds dien vervuld zijn b.v. van het alimentatierecht van het natuurlijke kind en de jeugdrechtspraak. Daarop volgde het congres van 1913, waaruit het bureau voor kinderbescherming voortkwam, dat een objectief documentatlebureau is. Spr. wees voorts nog op de sociale wetgeving en de daadwerkelijke belangstelling van medische zijde.

Prof. dr. J. Waterink sprak vervolgens over „Kinderkennis”, waarop een zeer levendige discusie volgde. Het verder verloop van het congres zullen wij de volgende week in het kort samenvatten.

HET JOODSE PAASFEEST

lets van de Sederavond

Van de Joodse, godsdienstige hoogtijdagen, die bijna alle een sterk Joods-nationale inslag hebben, is het Pesach-feest vernederiandst tot Paasfeest wel het meest nationale. Dit buiten Palestina acht en in het beloofde land slechts zeven ‘dagen tellende feest (waarbij inbegrepen vier ,dialve” feestdagen) werd toch ingesteld ter herinnering aan de uittocht der kinderen Israels uit Egypte. Ter herinnering aan het moment, waarop de kinderen Israels „tot het volk Israël” rijpten.

Aldus is het in het tweede der Vijf boeken Mozes’ te lezen: in Exodus, hoofdstuk XII en hoofdstuk XXIII, vers 15. Beurtelings wordt daar het feest, Pesach-feest en feest-der-ongezuurdebroden (matzoth) genoemd. De benaming Pesachfeest Luther spreekt van Passah-feest is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord „passach”, dat overschrijden, overslaan betekent. Het herinnert aan de uittocht uit Egypte, toen, volgens het Bijbelverhaal, God als laatste der tien plagen al de mannelijke eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde en de huizen der kinderen Israels, oversloeg. Om het den engel des doods om het nu eens min of meer materialistisch te zeggen een beetje gemakkelijk te maken, kregen de Israëlieten de opdracht „een mannelijk lam, zonder gebrek, onder het jaar” te slachten op de veertiende van *de maand Nissan een dag voor het latere Paasfeest en van zijn bloed te nemen en het, zoals in hoofdstuk 12 van Exodus staat te „doen aan beide deurposten en aan de bovendorpel, aan de huizen, waarin zij (de Israëlieten H.H.) het zullen eten.” Bovendien wordt daar nog de opdracht gegeven, dat men het vlees die nacht moet eten „aan vuur gebraden, met ongezuurde broden, met bittere kruiden.”

Voorts is er de opdracht, waaraan orthodoxe, rechtzinnige Jc*den zich ook thans nog houden, gedurende het Paasfeest geen gewoon, dat wil zeggen, „gezuurd” brood te eten. Dat wil dus niet zeggen, dat men alle acht ,dagen matzoth moet eten, er is alleen het verbod gewoon brood te eten. Men kan dus een broodloos menu samenstellen. Alleen voor de eerste dagen, en voornamelijk voor de beide z.g. sederavonden, waarover direct meer, geldt het gebod van het eten van ongedesemde broden. Zoals men weet ter herinnering aan de uittocht uit Egjrpte, toen men, zoals in de bijbel staat geen tij*d had het brood te laten „rijzen”. Zoals steeds bij voorschriften van het Jodendom, die ook zeer vaak een zowel godsdienstig als

„volks”karakter hebben bij het Jodendom zijn deze karakters sterk door elkaar gemengd is alles in finesses, bijna woordziftig, vastgeleg*a, en later in de voor-talmudische, talmudische en rabbinistische geschriften nog eens in bijzonderheden en voor alle denkbare uitzonderingsgevallen met een bijkans wiskundige, droog-juridische scherpzinnigheid uitgeplozen.

De hoogtepunten van het Pesachfeest zijn de twee zogenaam>de Seder-avonden. Het Hebreeuwse woord „seder” betekent niets anders dan: ordening, regel. Het zijn de twee eerste avonden van het feest: de twee, grote huiselijk-godsdienstige familie-avonden van het jaar. In zo ruim mogelijke familiekring komt men dan samen en men leest daar uit de z.g. Hagada, het bopk, waarin velerlei uit bijbelse en nabijbelse geschriften, dat betrekking heeft op de uittocht uit Egypte, is opgenomen. En ook hierbij zijn weer allerlei vaak symbolische handelingen na te komen en in bijzonderheden geregelde riten te verrichten.

Zo prijkt er midden op de tafel, die steeds een feestelijk aanzien behoort te hebben, de Sederschotel, waarop drie matzoth liggen, die zo mogelijk zeer bijzonder voor deze „taak” bestemd zijn. Het koren, waaruit ze gebakken zijn, behoort reeds onder speciaal toezicht en met de bedoeling, dat de matzoth, die er uit gebakken zouden wonden, eens tot deze sederschotel-taak geroepen zouden worden, gezaaid te zijn. Dan prijkt op de sederschotel, die vaak een kunstproduct is, een op kolen gebraden stukje van een lamsbeen, dat niet gegeten wordt. Het ligt er ter herinnering aan het lammetje, dat duizenden jaren geleden der kinderen Israels, zoals hierboven reeds zeer in het kort werd geschetst, moesten slachten bij hun uittocht uit Egypte.

Dan liggen er bittere kruiden ter herinnering aan het bittere leven, dat de nakomelingen van Jakob in Egypte hadden door te maken. Als „bitter kruid” wordt hier gewoonlijk de mierikwortel gebezigd. Gedurende deze liturgische, huiselijke godsdienstoefening en gezamenlijke lezing van stukken uit de bijbel en uit nabijbelse, rabbinistische geschriften, wordt onder bepaalde zegenspreuken en aanhalingen van een voor-Talmu•dische geleerde, den groten Hillel, tweemaal' iets van deze wortel gegeten. Natuurlijk gaat het in kleine hoeveelheden, wijl alles symbolisch bedoeld is en een groot stuk rauwe mierikwortel stellig niet goed te verdragen zou zijn.

Eerst dan wordt van het beetje groen, dat de kruin van de mierikwortel bedekt, een stukje afgenomen en samen met „iets” gegeten, dat gewoonlijk van fijngehakte rozijnen, noten, appel en •dergelijke gemaakt wordt en dat het leem moet