is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 30, 22-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij gaaft mij hersenen, mijn God, waarom? En ogen om Uw schepping te aanschouwen. Ik zie Uw bloeiende bloemenpracht vergrauwen.

Uw aard' geblakerd door een vliegtuigbom.

Gij wildet mij niet laten doof en stom En schiept daarom een mond mij, en mijn oren.

Opdat ik vogels, kinderstemmen zoude horen ... Ik hoor alleen des mensen moordgegrom.

Mijn denken wil Uw wonderen doorgronden, Doorhuivren mijn gevoel Uw Majesteit:

Maar leed en rouw doen zwijgen siddermonden ...

O, blanke v<ereld, grauw door smart en strijd. Volmaakte schoonheid heeft de mens geschonden ...

Lijdt hij daarom tot in de eeuwigheid?

JAAP VAN STRATEN.

Kritische Kroniek

Twee vrouwen over Karet de Stoute

Nine van der Schaaf: Leven van Karei de Stoute; Querido, Amsterdam 1938.

Bijna honderd jaar is het geleden het was in de Gids van 1841 dat Truitje Toussaint haar nog prille begaafdheid en haar jeugdig romantische verbeeldirig toewijdde aan de eerzuchtige hertog, die eens bijna koning van Bourgondië was: Karei de Stoute. Niet zonder glimlach herleest men dit verhaal, dat in zijn spannende situaties en zijn beschouwelijke breedsprakigheden zo kenmerkend is yoor het toenmalige literaire leven in ons land, en vooral In zijn ethische waardering zo onmiskenbaar de latere mevrouw Bosboom—Toussaint aankondigt.

~Eene kroon voor Karei den Stouten” beschrijft slechts één periode uit een wisselvallig mensenleven, één hoogtepunt en één gruwelijke nederlaag. Karei heeft iets Lucifer-achtigs, de „staatzucht” is ook zijn grote zonde; hij wil machtig wezen bóven zijn stand, en anderzijds durft hij toch de sprong niet aan uit het rijk der leenheerschappij naar het moderne rijk van zelfgewonnen grootheid. Zijn koningschap kon aUeen geschonken worden door den keizer en deze ontvluchtte hem in de laatste nacht, toen reeds de kerk getooid stond voor de plechtigheid, toen kroon en scepter gereed lagen en Trier sinds dagen verkeerd had in een roes van feestelijke vreugd. 'Voor Karei zou zijn nieuwe waardigheid niet méér geweest zijn dan een schakel in de keten van zijn politieke activiteit; hij zou den keizer niet dankbaar zijn gebléven, hij zou naar het Franse westen zowel als naar het Duitse oosten zijn gezag hebben uitgebreid, en stellig was hem geen enkel middel bij voorbaat ontoelaatbaar geweest, verraad zo min als aanval. Hij had de kroon uit Keizerlijke handen echter nodig als legitimatie, zoals ook Napoleon de keizerskroon uit Pauselijke lianden wenste te ontvangen als legitimatie. Dit aUes heeft Truitje Toussaint, die in haar historische romans zich voortreffelijk documenteerde, heel goed gezien, al heeft ze van Karel’s karakter een caricaturaal beeld getekend, en voorts aan een romaneske fantasie méér speelruimte gelaten, dan voor een evenwichtig kunstwerk juist zou wezen. Verliefdheid van burgermeisjes, ongewild spion-spelen van pages, dramatische ontmoetingen, en een dierlijke razernij van teleurstelling eisen zó luidruchtig de aandacht, dat de diepere motieven: karakter en

situatie, beide tekortkomen. In een felgekleurde plaat, grillig van toevallige uiterlijkheden, staan hier de figuren dooreen; maar het is' opera, geen werkelijkheid, waardoor de schilder zich liet inspiréren.

De vergelijking met dit boek dringt zich op, nu opnieuw een vrouw haar aandacht naar déze hertog-koning heeft gewend. Heeft Truitje Toussaint er iets anders in gezien, dan een aandoénlijk gegeven en een lêerzaam voorbeeld: hoogmoed komt voor de val —? En is thans dieper grond, misschien onbewust, in onze grootste prozaïste aanwezig: een innerlijke verwantschap met de succesrijke statendwingers van heden, een doorzichtig-making van de moderne politiek in een oud treurspel, en de troostende erkenning van een onontkoombare ondergang, tegelijk tragisch en bevrijdend, niet uit zedelijke noodzaak, maar voigens de evenwichtswetten van de staatkundige bedrijvigheid?

Met zakelijke koelheid, waarin men eemt langzamerhand de gloed ontdekt, beschrijft Nine van der Schaaf het gehele leven; en wat bij haar voorgangster werd tot een groot verhaal: de episode te Trier, is in het nieuwste werk niet anders dan een voorbijgaand geval, een onderdeel van een politiek bestel, dat bijna onwrikbaar zich ontwikkelen moest. De prettige naïeve kleurigheid van de Middeleeuwen, de tijd van „kruistochten en kathedralen”, waarnaar onwetende zielen zich terugdromen, treft men hier niet aan; er is immers geen enkele reden om aan te nemen, dat het leven, in wélke tijd dan ook, feller en hartstochtelijker was dan thans en voor hoevelen is het ook tegenwoordig nog grauw en armetierig? Het wezenlijke van het menselijk bestaan verandert niet, althans niet in de vier-en-een-halve eeuw die ons nog maar van Karei de Stoute scheiden. De bindingen van het leenstelsel zijn voor ons verloren gegaan; de daarmee samenhangende gevoelens werden ons vreemd; maar eindeloos méér dan er wisselde, bleef er gelijk, en in deze gelijkheid vindt dit boek z’n kracht. De afstand wordt niet verkregen door het oproepen van heviger gebeurlijkheden of door oude taal en klederdracht: de afstand wordt verkregen door een uiterste van beheersing, een indirectheid van beschrijving, een doorzichtig vertellen, waardoor wij voelen dat het niet meer tot het heden kén behoren. Deze afstand, voornaam en indrukwekkend, bepaalt de betekenis van het „Leven van Karei de Stoute” temidden van de vele historische romans, die onze romantische tijd te voorschijn riep. Deze waardoor wij de dingen zien gebeuren als achter glas, na-

bij en toch gescheiden, kenmerkte Nine van der Schaaf altijd. Haar fantastische verhalen Santos en Lypra, Amanië en Brodo vergeten kan men niet zeggen, want men heeft ze nimmer gekénd! bezitten dit karakteristieke feit evenzeer als haar latere romans, meer reëel en voor de velen méér toegankelijk: De uitvinder; Heerk WaUing; De liefde van een dwaas. In zekere zin kan men Karei de Stoute zien als een samenkomen van de twee strekkingen, die tot nu toe bij deze schrijfster vorm vonden: de verbeelde herschepping van een niet-werkelijk algemeen bestel (bijv. Amanië en Brodo) en de herschepping van gekende werkelijkheden (bijv. Heerk Walling, dat vol is van Friese jeugdherinneringen). Het „Leven van Karei de Stoute” vergde een intensieve verbeelding van algemene maatschappelijke krachten en stuwingen, maar het eiste ook de onderschikking aan feitelijke gegevens, die wel niet in het geheugen bewaard, zo toch door het verstand gekend en aanvaard werden.

Als synthese van deze twee zijden kan het „Leven van Karei de Stoute” wellicht de eerste uiting wezen van een nieuwe, derde periode bij Nine van der Schaaf. Het is nauwelijks mogelijk te voorzien, tot welke werken het samenkomen van tegenstrijdige innerlijke functies een kans biedt. Waarschijnlijk kunnen wij ook dit boek eens als een aankondiging zien, terwijl wij het nu nog moeten beschouwen als een afzonderlijke prestatie. Gelezen na Bosboom—Toussaint doet het dor en strak aan; maar terwijl de indrukken van het ene verhaal allengs uitslijten, komt de sfeer en de loutere eenvoud van het andere allengs sterker in ons naar boven. De uiterlijke beweging van het een is vervangen door een innerlijke bewogenheid, beheerst, rustig en wijs. Ik houd dit verhaal niet voor het beste, dat Nine van der Schaaf ons schonk; maar tienmaal beter lijkt het mij, dan het merendeel van wat de prijs behaalt bij pers en bij publiek. G. STUIVELING.

Ontgoocheling

Hij zat hélemaal in de andere hoek, maar ik kon mijn ogen niet van hem afhouden; krant na krant spelde hij, van allerlei richting en kleur.

Het imponeerde me ontzaggelijk. Toen na enige tijd de plaats tegenover hem vrij kwam, ging ik daar zitten. „U moet zo wel een ruim oordeel krijgen”, begon ik aarzelend.

„Wat bedoelt u?” „Nou, al die verschillende bloeien en inzichten.”

„O, ik amuseer me met die verhaaltjes en berichtjes, dan schiet de tijd op overal waar ik kom neem ik er een paar mee... ’t zijn allemaal ouden. Kan ik u misschien dienen?”

Zegt u wel, dat mens betekent: denker. R.