is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 31, 29-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS NEEN EN ONS JA

Hebt gij wel eens, lezer, een eerste* Meisdag gevierd in de oude Aeademie* stad Leiden? Neen? Dat moet u dan spijten.

Wij waren, nu alweer ruim tien jaar geleden, een klein groepje rode studen* ten. Wij kwamen ’s middags eerst samen in de Stadsgehoorzaal, en ’s avonds voor de fakkeloptocht. Ergens op een markt, waar de smalle, kleurloze arbeidersstra* ten op uitliepen. Leiden is een fabrieks* stad, zoals er geen tweede in Nederland gevonden wordt. Uit al die straten kwa* men blijde gezichten. De fakkels werden ontstoken, wij gingen. Van Eek, de diep* vereerde, voorop. Langs het Stadhuis, dat overdadig en heerszuchtig de straat beheerste, langs de studentenkroeg, waar alles opvallend ingetogen was, en dan over het Rapenburg. Vlammengloed verlichtte de patriciërshuizen, voornaam lag ons academiegebouw te zwijgen, het water rimpelde even, en maakte het licht der toortsen bij de weerkaatsing ijler en grilliger. En langs de kant stond de massa. De nóg staande massa. Maar straks, door óns vuur, ook in beweging. Nu althans de kiezers. Hospita’s, die alles om hun heren doen en laten, kap* pers en kantoormensen, maar ook room* se arbeiders, die toekeken, met blijd* schap èn distantie in hun blik.

Zo gingen wij door Leiden, de stad der tegenstellingen. De stad van het intel* lectuëlendom en het domme intellect, maar ook de stad van de zwoegers èn de slavendrijvers.

1 Mei: nieuwe lente; boodschap van rijke overvloed; verkondiging van taaie kracht; belofte van een nieuwe aarde voor nieuwe mensen.

Zó was de eerste Mei voor ons stu* denten. Zo was hij, misschien minder romantisch, maar zeker véél werkelijker voor al die andere duizenden, die voor zichzelf een dragelijk heden wilden ver* overen en voor hun kinderen op een schone toekomst hoopten.

En nu komen historici ons vertellen, dat de oorsprong van de eerste Mei hele* maal niet ligt in de lente*belevenis van het opstrevend proletariaat, maar in het feit, dat in Noord*Amerika op deze datum de arbeiders van patroon veran* derden. Te vergelijken dus met de 12de Mei op het Friese platteland, als men verhuist en betaalt. Op die eerste Mei* dag konden de arbeiders hun eisen ken* baar maken, en daarom werd juist die dag een demonstratiegelegenheid. Ge* woon, doodgewoon, met niets mystieks of verhevens aan zich, is dus die dag ingesteld. Het ging om nuchtere, zake* lijke, concrete eisen tegen concrete af* wijzingen. Zonder fakkels en zonder vlaggen. Zonder Stadion en zonder muziekgezelschappen.

Het is, of wij daar op dit ogenblik, nu wij als socialistische beweging 50 keren deze dag gevierd hebben, weer meer be* hoefte aan krijgen. Behoefte, niet aan de blijde roes, maar aan het klare plan. Be> hoefte, niet aan de overspannen belofte, maar aan duidelijke weg.

Wij religieusssoeialisten hebben die behoefte zeker. Want er ligt, van gods* dienstig standpunt uit, iets gevaarlijks in die mystieke Meiviering. Het is het ge* vaar van de pseudo*religie. Het gevaar, dat men gaat zeggen: ons geloof in het socialisme is óók geloof. Het gevaar, dat niet ons socialisme rust op geloof, maar het geloof*zelf wordt; en daarmee zou komen te staan tegenover andere ge* loven. Hoeveel van zijn ruimte en zijn klaarte en zijn nuchterheid zou het ver* liezen! Het zou een geloofsseete worden. En daar zouden wij een uitdrukkelijk néén tegen moeten zeggen. Want wij willen wél geloof in God belijden, en op grond daarvan socialisten zijn. Maar wij willen géén geloof in het socialisme be* lijden, en als gevolg daarvan ons geloof in de Almachtige verzaken.

Dat is dus ons néén, dat wij, óók op deze eerste Mei zeggen.

Dit néén echter willen wij laten volgen door een veel krachtiger ja.

O, het is zo gemakkelijk om op het ogenblik afvallig te worden. Voor ieder. Want het socialisme biedt thans geen persoonlijk voordeel, alleen maar kans op nadeel. Nadeel bij benoemingen, tot kans op vernietiging van bestaan toe. Over die mogelijkheden spreken wij niet graag. Wij willen ons nu niet bedrinken aan een toekomstig heldendom. Maar wij zeggen wél: de socialistische beweging kan men op dit ogenblik makkelijk met vernietigende minachting voorbijgaan. Omdat zij zo „kalm” is geworden, zo „gewoon”, zo weinig over revolutie spreekt en zo weinig belooft.

En juist aan die socialistische bewe* ging verklaren wij onze trouw. Meer nog dan ooit. Waarom? In de eerste plaats om haar verleden, toen zij het was, die woorden verschafte aan de rechtelozen; toen zij, en zij alleen het was, die leerde wat eendracht was. Maar in de tweede plaats om haar heden. Omdat zij nu doorwerkt. Niet in de critiek is blijven steken. Omdat zij poogt wegen te vin* den, duidelijke, zekere wegen, om aan de ellende van het kapitalisme te ont* komen, om de mens veilig te stellen in een maatschappij, die niet vernietigt, maar schept.

Wij zijn haar juist nu trouw, omdat wij, die geroepen worden God te loven aan alle plaatsen Zijner heerschappij, dat willen doen daar, waar uitzicht wordt gegeven uit de duivelse ellende van van* daag, daar, waar wij geen vrome woor* den behoeven te gebruiken, om onze machteloosheid te verbloemen, daar, waar de verwachting wordt levend ge* houden op een wereld, die afrekent met wat nu met Gods heilige wil vloekt.

Wij mogen als religieus=socialisten néén zeggen tot een soeialistisch geloof, wij zeggen ja, volledig en van harte, ja, tot het nuchtere socialisme, dat daden vraagt en wegen wijst.

L. H. RUITENBERG.

Krabbel

Het Gezag

Ondanks mijn aarzelen kwamen we toch op Oss, een oude geschiedenis, maar ik was zo ontzettend nieuwsgierig wat zo’n kerel als hij daarover zou zeggen en dus was ik voorzichtig begonnen.

Maar hij onderbrak me direct met een harde stem: „Maar wat wilt u, tja ’t zijn allemaal eerlijke plichtsgetrouwe kerels, zeker, maar het gezag, het Gezag moet gehandhaafd blijven.”

En trots als een drager van dat gezag vernietigde hij ons met zijn blikken. R.

Uit de wereld van het boek

Mass und Wert. (Verlag Oprecht Zürich).

Is het nog nodig om op dit tijdschrift van Thomas Mann —■ het beste dat tegenwoordig in de Duitse taal verschijnt opmerkzaam te maken? Is het in de twee jaar van zijn bestaan in onze kringen niet al voldoende bekend geworden? Desniettemin willen wij de bijzondere aandacht van onze lezers op het laatste Mei/Juni-nummer van „Mass und Wert” vestigen. Meer dan het literaire gedeelte hebben ons deze keer enkele zeer diepgaande en heldere opstellen geboeid, vooral Thomas Manns ontleding van de Mephisto-figuur in Goethe’s „Paust”; een klassiek stukje proza, dit essay over het grote klassieke werk der Duitse letteren!

In hoeverre houdt het toneel verband met de veranderingen die in de maatschappij plaatsvinden? Hierover schrijft Ferdinand Lion in een schets „Ueber vergangenes und zukünftiges Theater” het een en ander. Waar het Nederlandse toneel de Ibsen- en Shaw-traditie van het toneel der Duitse Republiek volgt, lijken ons Lions aantekeningen voor onze lezers bijzonder interessant. En tenslotte wil ik nog de „Beitrage zur Lage der deutschen Arbeiterschaft” van Johannes Wüsten noemen, die de grote psychologische veranderingen bij de massa van het Duitse volk constateert. Met afgrijzen denken wij aan de „Umwertung der Werte” die in het Derde Rijk te zien is. Over een andere „Umwertung der Werte” over een die verheugend en hoopgevend is heeft Wüsten het in zijn opstel In korte en geestige schetsen spreekt hij over de hergeboorte van religie en socialisme bij de Duitse arbeiders, van de vormen ook waarin hun opstandigheid en oppositie tegen het nazi-systeem zich uit. Laten wij hopen dat uit het bloedbad dezer jaren inderdaad een herboren en gelouterd Duits volk te voorschijn kome! h W

Vlctor E. van Vriesland, De Ring met de Aquamarijn. Querldo, Amsterdam. ƒ 1.35 gec.

Nog geen 60 blz., vier verhalen, een keurig uitgaafje, een gematigde prijs. Goed geschreven, Frans georiënteerd, wat ironisch en een beetje triest. Al met al nogal onbelangrijk. Zoekt u een neutraal cadeautje, voor een niet te intieme vriend of vriendin die een beetje litterair is? Voici. M. H. v. d. Z