is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 33, 13-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEWONE

Markus 6: I—6a. Jezus ging van daar heen en kwam in zijn vaderstad, terwijl zijn leerlingen hem volgden. En op den volgenden sabbat begon hij in de synagoge te leren. Zijn talrijke hoorders stonden versteld en zeiden; van waar heeft hij dat? En wat een wijsheid is hem gegeven! En welke wonderen worden door hem verricht! Is hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jacobus, Jozes, Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons? Zo was hij hun een aanstoot. En Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen ongeëerd in zijn vaderland, onder zijn bloedverwanten en in zijn huis. Hij kon daar geen wonder verrichten, behalve dat hij door handoplegging enige zieken genas, en hij verwonderde zich over hun ongeloof.

Tussen Pasen en Pinksteren treft ons dit simpele plaatje. Tussen het geloof dat zich ontplooide of verdorde in de eeuwenlange ontwikkeling der dogmatiek van den steeds verrijzenden en steeds gekruisigden Christus en van de in mensen uitgestorte Heilige Geest, leeft ergens een eenvoudig verhaal. Het is zomaar het verhaal van een jongen timmerman, die zijn vader hielp bij het werk. Tot op een dag het geheim dat in hem verborgen lag, gerijpt was, en de timmerman werd tot één die sprak met gezag, een mens naar wien men luisterde, een mens met zegenende, helende kracht.

Het is een verhaal dat past in deze vroege voorjaarsdagen. Telkens weer jaagt de gure noordenwind ons naar binnen, maar plotseling op een morgen is de wereld zo zonnig en bloeiend als om deze timmermanswerkplaats, die niet veel meer dan een afdak is. Op zo’n morgen, wanneer ook de vogels vroeger zijn dan anders, ligt het dagelijkse werk zo goed en stil op ons te wachten als de zware plank, waarin nu de vader boort, rustig en weloverwogen: de jongen met zijn zekere handen helpt goed.

Maar buiten dit plekje waar de witte muur door de wingerdschaduwen wordt versierd, is de wereld van enige duizenden jaren geleden. Dat is een wereld van overheersing en opstand, van willekeur, van ons haast ondenkbare tegenstellingen en verwarringen. En buiten onze vreugde aan de lentedag liggen werkelijkheden en dreigingen die ons denken tot een paskwil maken en ons gevoel afstomi>en.

En weten we niet achter dë lichte I arbeid, de andere taak die wacht en die ten ondergang zal voeren? Is de prille vrede er niet te bedrieglijker om? Is zo ook niet elk zonnig uur dat ons gegund wordt uitstel van executie in zeer letterlijke zin?

Onlangs werd in een der grote bladen het leven verteld van een man die, vooral voor zijn kinderen, veel jaren geleden dit van onheil zwangere Europa wou ontvluchten, terwijl nu één van die kinderen ten slachtoffer was gevallen aan de rusteloosheid van datzelfde Europa, dat zijn schijncultuur over een hele wereld verbreidt. Dezer dagen vertrekt een dichter, al weer om zijn kinderen, maar ook om zijn werk, naar een ver land, in de hoop iets van rust en echtheid weer te vinden. Zal ook deze vlucht onmogelijk blijken?

Is de moord op al wat in vrede en blijheid gedijt, onontkoombaar? Wij plegen zelf die moord door ons armzalig klein vertrouwen.

Wij splitsen altijd weer de wereld en het leven in twee delen, die ons onverenigbaar schijnen. Wij geloven in zon en stilte öf in moord en doodslag. Wij geloven in het gewone alledaagse öf in het geweldige buitengewone, wij geloven in vreugde öf smart. En de meesten van ons geloven eigenlijk telkens in het laatste. Wij spreken met aplomb over de komende oorlog, wij worden aangespoord om veel geld te besteden aan schuilkelders of bederfelijke voorraden, terwijl we schuchter stamelen over de kleine, toch reële vreugden

van een bloem die ontluikt, van een kind dat gaat praten. Ver van Nazareth eerde men den geheimzinnigen prediker en weefde sprookjes om zijn jeugd. Waar men den timmerman gekend had en zijn familie, zijn huis en zijn werk, kón men de grootheid van zijn woord niet onderscheiden.

Wij splitsen het leven ook in het gewone en het grote. Wij kunnen als die van Nazareth het wonder niet onderscheiden in wat nabij en bekend is. Toch noemen wij ons monotheïsten'), toch spreken wij soms van Gods hand, waarin alles rust, groot en klein, licht en donker, nabij en ver. Als het echt was, deze overtuiging, dan zouden de schijnbare tegenstellingen voor ons vervagen. Dan zouden wij in het gewone, ook in den mens, dien wij menen te kennen van haver tot gort, het wonder verwachten en vermoeden. Dan zouden wij in wie groot en geeerd zijn het eigene, zeer menselijke, terugvinden.

Deze spanning van de beide mogelijkheden is in het grotere besloten, is vaak niet te dragen. Nog kort geleden is er in dit blad ge-

schreven over den vluchtenden mens. Wij leerden op school waarin de typische mens uit de romantiek vluchtte: in de geschiedenis, in de roomse kerk, in het sprookje. En is de romanticus in één van ons, nuchtere 20e eeuwers, geheel ondergegaan? De vlucht naar een gebied waar de tweespalt ontkend of verdoezeld wordt, is nog altijd verleidelijk.

Dan is het buitengewoon sterkend, te weten van mensen die niet vluchtten, zoals de dichter wiens woord hieronder staat. Verwey kende in „het duinhuis” en aan het strand de blijde rust van het werk, maar hield daarnaast stand in het bezige leven van zijn tijd. Hij wist wat in de wereld gebeurde, maar ook dat er over die wereld een oordeel wordt gesproken uit de stilte. „Geniet de volle duur van ’t uur”. Laat onze vreugde aan de Meidagen niet vertroebeld worden door angst en zorg om „de wereld”. Laat ook onze echte zorg, dat is de kleine daad die wij aan die wereld mogen doen gespannen zijn, niet vertroebeld door sentimentele tranen en glimlachjes.

Dat betekent niet een gebroken leven, dat betekent niet dat wij öf den timmerman zien öf den Christus. Wij kijken naar den timmerman bij zijn zonnige muur ómdat hij een achtergrond van tragiek oproept. De kleine

JOZEF EN DE KNAAP JEZUS

J. REID

’) Eéngodendienaars.

Geesteloos gedoe

Een tijd lang waren de echtscheidingen tussen Amerikaanse filmsterren aan de orde van de dag en vervulden ieder gezond denkend mens. Het luwde in de laatste tijd wat op dit onwelriekend gebied. Maar niet geheel. Dit blijkt uit een uitlating van rechter Benjamin Scheinman, die ter overstaan van een echtscheidingsprocedure verklaarde: „dat het nu maar eens uit moest zijn met die echtscheidingsmanie per post”. En hij wittigde de eis niet in. Partijen in deze procedxire waren Joan Crawford en Franchot Tone. Het hele geval is eigenlijk te onbeduidend om er over te spreken. Maar er is een mentaliteit van het vreemdste soort aan verbonden. lets om te walgen. De twee sterren vierden namelijk op de vooravond van de dag hunner scheiding hun afscheid van het huwelijk saampjes in een nachtclub. Zij dansten heel de nacht op „Never again” en op der diva’s lievelingslied „I can give you anything but love, my Baby”. Kan het honingzoeter en honneponniger en walgelijker? Moe gedanst en vol zachte vrolijkheid namen zij toen ~koel” afscheid van elkaar. Zij hadden zich helemaal niet bekommerd om de geruchten, die door de nachtclub zweefden, geruchten, die wilden weten, dat de strenge rechter Benjamin Scheinman de echtscheidingsprocedure Crawford-Tone van de rol had af gevoerd. Dit was echter wel degelijk het geval. Bedoelde rechter wilde Crawford zelf voor zijn rechtergestoelte zien. Maar deze had het vertikt te komen eB wilde de zaak per post regelen. Dit vertikte de rechter weer. En zo geviel het, dat na het koele, persoonlijke afscheid Crawford en Tone voorlopig in de echl verbonden bleven.

Waarom wilde diva Crawford eigenlijk scheiden? Naast „geestelijke wreedheid” verwijt zij haar man te veel tijd in nachtkroegen door te brengen. Was het daarom niet vol zin voor Crawfordje haar (althans vermeende) laatste huwelijksnacht in een nachtkroeg met haar aan nachtkroegen verslaafden man te willen doorbrengen met vurige dans en koel afscheid.

„Ik zal toch mijn zin krijgen”, sprak de ster Crawford.

Het is te hopen, dat Benjamin Scheinman, de rechter, de zaak toch maar weer spoedig op de rol brengt, anders raakt Crawford gedecideerd ook verslaafd aan nachtkroegen tengevolge van voortgezette viering van afscheiden. En dat zou „geestelijk wreed” zijn.

(Uit Spiegel des Tijds”, De Tijd.)

vreugde, het kleine werk boeit en ontroert, juist in deze wereld. Het onrecht schrijnt, juist op een schone aarde. Maar de contrasten zijn alleen te dragen voor wie van een heilig Leven weet, en voor wie dat heilige Leven ondanks alles durft te loven. Zo zijn wij dankbaar voor een simpel zonnig plaatje tussen de zwaarte van Pasen en Pinksteren.

F. KALMA—KOOPS.

Geniet de volle duur Van ’t uur Alsof het nooit kan enden. Maar houd uw hart voor ’t leed Gereed, Dat ge niet af kunt wenden.

De dwaas meent dat een blijven is Waar wisseling en drijven is Van wederzijds belenden.

Maar in die wissling staat De daad Van hen die nimmer heven.

Van hen die in hun hart De smart Naast iedre vreugde schreven. Zij zoeken en zij vragen niet.

Zij juichen en zij klagen niet, Maar loven ’t heilig Leven.

A. VERWEY.