is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 33, 13-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willens. Zo meent het natlonaal-socialisme.

Een halve eeuw Arbeidswet

Met het Kinderwetje van Van Houten is in ons land het begin gemaakt van de wettelijke bescherming van de arbeid. In 1874 werd dit wetje met zeer grote meerderheid door de Tweede Kamer aangenomen. Het heet gewoonlijk, dat gevoelens van deernis en menselijkheid, opgewekt door beschrijving van het lijden van jonge kinderen bij fabrieksarbeid door den novellist en romanschrijver Cremer, de stoot gegeven hebben tot dit wetje, waarmee de hogere volksklassen hun hand beschermend uitstrekten over het arbeidende kind van den arbeider. Onjuist is dit niet. maar onvolledig wel. De arbeidersbeweging in haar organisatie van die tijd, het Alg. Ned. Werkliedenverbond, heeft in een adres aan den Koning aangedrongen op wettelijke regeling van de kinderarbeid; het adres was door enige duizenden arbeiders getekend en heeft er zeker toe meegewerkt, dat het ontwerp-Van Houten in de Tweede en Eerste Kamer met slechts enkele stemmen er tegen tot wet werd.

Men spreekt gewoonlijk van het wetje-Van Houten, omdat het slechts uit vijf korte artikelen bestond. Men kan het echter ook zo noemen, omdat het nog maar een zeer klein begin is van de bescherming van de arbeid door de wet. Art. I verbood kinderen beneden twaalf jaar in dienst te nemen, of in dienst te hebben. Jongens van tien tot twaalf jaar konden echter in fabrieken ten arbeid gesteld worden met vergunning van B. en W. Het verbod werd verder niet toepasselijk verklaard op huiselijke en persoonlijke diensten en op veldarbeid. Eerst in ’B9 kwam de Arbeidswet van Ruys, waarbij niet alleen de arbeidsduur voor kinderen, maar ook voor ouderen geregeld werd. Een enquête naar de arbeidstoestanden in ons land door het parlement bracht zovele schandelijke misstanden aan het licht, dat de sterke drang tot verbetering hiervan, ondanks de bezwaren van vrije concurrentie en vrijheid in het bedrijfsleven ons de eerste algemene Arbeidswet gaf, later herzien of vervangen door de wetten van 1911 en TB. De laatste bracht ons de achturendag voor werkplaats en fabriek. Door de wet en door de kracht der vakorganisatie, door de voortdurende actie der arbeidersbeweging is er in de arbeidsvoorwaarden en ook de levensvoorwaarden der arbeidende klasse in de laatste driekwart eeuw veel veranderd.

In haar „Kapitaal en Arbeid in Nederland” schreef mevrouw Roland Holst in het begin dezer eeuw: „Wie heenbuigt over de boeken en brochures, waarin de toestand van het Nederlandse proletariaat gedurende de eerste driekwart der 19de eeuw wordt beschreven, voelt zich de keel toeknijpen van leed. Hij ziet de oneindige jammer van honderdduizenden menselijke wezens voor zich opleven, hij ziet hun zwakke leden, hun minne gestalten, hun grauwe aangezichten, hun doffe ogen getekend met de stempel der afzichtelijke gebiedster, wie allen zonder kans op bevrijding toebehoorden: de ellende.”

De Arbeidswet en andere sociale wetten hebben het leven der arbeiders mede helpen brengen op hoger stoffelijk en geestelijk peil. Zij zijn van slaven der ellende bestrijders der ellende geworden. Op de herdenkingsbijeenkomst waren vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers beiden aanwezig. De arbeidswetgeving is door de laatsten vaak voorgesteld als een inbreuk op hun recht en vrijheid in hun bedrijf, als een kluister, waardoor zij in hun ondernemingslust en kracht geremd werden. De hele samenleving zou verarmen door de bemoeizucht der overheid met het particuliere bedrijfsleven. Dat de voornaamste verenigingen van werkgevers aanwezig waren op de herdenkingssamenkomst der eerste Arbeidswet in Den Haag, bewijst ook hun overtuiging, dat goede arbeidsvoorwaarden niet een zaak zijn van persoonlijke welwillendheid, die vaak door de concurrentie niet kan doen. wat zij wil, maar van wet en recht. Minister Romme maakte ook de juiste opmerking, dat de wetgever in ’B9 de weg op-

gegaan is, om door ingrijpen der overheid de feitelijke onvrijheid van den arbeider te hulp te komen. De voorzitter van het N.V.V., Kupers, wees op een grote groep arbeiders, die nog steeds bij de arbeidswetgeving vergeten zijn: de landarbeiders. Het leven der vaste boerenarbeiders is gevuld met arbeid en eten en slapen. Een vrije Zondag is voor hen een gunst, die ze nog lang niet algemeen ontvangen; vacantiedagen kennen ze niet; op zijn best krijgen ze voor een bezoek een deel van de dag vrij, als ze in dienst van een „goeien” boer zijn.

De gehele samenleving wordt gehaat door een goede arbeidswetgeving. Het gaat haar toch In het algemeen goed, als het de arbeiders goed gaat. En de productie wordt het best gediend niet door suffe, moede, maar door ferme, frisse arbeiders.

Een mannelijk woord van Colijn

Het is prettig, een tegenstander eens te kunnen prijzen en bij groot verschil in beginselen hem om zijn karakter te kunnen waarderen. Wij missen in minister Colijn hervormingskracht; men noemt hem wel christelijk-liberaal, men kan hem ook christelijk-conservatief noemen; hij houdt evenmin als de liberalen rekening met het feit, dat er thans vooral in het oeconomische leven krachten werken, die het grondig zullen veranderen; de maatschappelijke krachten kan men niet langer als het water bij een val vrij spel laten, maar ze moeten geordend en in vaste bedding geleid worden, opdat zij stromen in de richting van het algemeen belang. Ook menen wij, dat de godsdienst ons wel de geest maar niet de lijnen onzer politiek aangeeft. Men kan op godsdienstige gronden voorstander en tegenstander zijn van verruiming der wettelijke mogelijkheid van echtscheiding; in beide gevallen uit eerbied voor de heiligheid van de huwelijksband. Uit eerbied voor de godsdienst heeft indertijd in de Kamer prof. V. d. Vlugt zich reeds verzet tegen de godsdienstige scheidingslijn, die dr. Kuyper door het politieke leven meende te moeten trekken, om God ook te eren en te dienen in de staat. Dat is ook het standpunt van Colijn.

In een boodschap, door hem ter gelegenheid der opening van de Nederlandse afdeling der wereldtentoonstelling te New York aan Roosevelt gericht, schrijft Colijn over de banden, die de Ver. Staten en ons land verenigen. „Afgezien van gemeenschappelijk voorgeslacht, leeft de wederzijdse erkenning van de plicht, zich te onderwerpen aan goddelijke ordinantiën.” Deze erkenning vindt men bij ieder, welke godsdienstige richting ook de zijne is of tot welke kerk hij behoort, maar dat is geheel iets anders dan voorstander van christelijke of kerkelijke politiek te zijn. Roosevelt wil zeker niet weten van een politiek op positief christelijke grondslag, of hij zou daaronder iets geheel anders verstaan dan dr. Colijn. In de politiek der Ver. Staten vraagt men niet naar godsdienstige en kerkelijke onderscheidingen en misbruikt men de goddelijke ordinantiën niet als de grondslag voor een politiek program en program van een regering uit verschillende partijen.

Maar dan volgen in de boodschap van Colijn enige zinnen, die getuigen van durf en openhartigheid.

„Wij delen een afkeer van knechtschap, wij hechten beiden aan een regelmatige invloed van het volk op de regering en aan het in acht nemen van de normale gedragsregelen, zowel door den burger als door de gestelde machten.”

Dit is een getuigenis van democratische geestverwantschap met den man, die voorgesteld wordt als het instrument van het internationale Jodendom, de vrijmetselaars en de bolsjewieken, die in een zonderling monsterverbond heten bezig te zijn, de wereld op te zetten tegen Duitsland. Gemeenschappelijke haat heeft hen tot gezworen kameraden gemaakt. Roosevelt, Chamberlain en Daladier zijn hun werktuigen, al dan niet wetens en

Nu geweldige machten in de wereld tegenover elkaar staan als boksers in de ring, is het verstandig voor de kleinen, om op een afstand te blijven. Velen in ons land zouden liefst willen, dat wij over Duitsland zwegen en zeker geen critiek op zijn regering uitoefenden, om veiligheidshalve niets te doen en te zeggen, dat bij onze buren in het Oosten ergernis zou kunnen wekken. Er behoort moed toe voor onzen eersten minister, die het waarlijk niet aan voorzichtigheid en bedachtzaamheid ontbreekt, om ronduit te verklaren, dat ook wij niet van knechtschap willen weten, maar gehecht zijn aan een regelmatige volksinvloed op de regering en dit als een bewijs van geestverwantschap te schrijven aan den man, die de toorn der Duitse regering heeft gaande gemaakt en als een der ergste tegenstanders van het Derde Rijk wordt beschouwd. Het is niet alleen moedig, maar ook verstandig, dat zo door den eersten minister van ons land openlijk de dictatuur wordt afgewezen en de democratie wordt gehuldigd.

Wij moeten niemand op zijn likdoorns treden, maar wij moeten ook niet bang in een hoekje wegkruipen, om niet gezien en zwijgen, om niet gehoord te worden.

Er Is een neutraliteit zonder karakter, de houding der vrees. Laat men zich echter In niets merken, dan wordt men ook voor niets geacht. Zelfstandigheid betekent kracht, die echter niet roekeloos uitdagend behoeft te zijn. De zelfstandige laat zich echter op zijn tijd en zijn pas gelden. Dit kan men van het democratische getuigenis van Colijn zeggen.

De taal der algemeenheden

Sommige mensen uiten hun geloof, hun politiek en hun levensopvatting door de belijdenis: Ik ben voor het goede! Vaak bedoelen zij er mee, dat zij fatsoenlijke mensen willen zijn, maar zich met geen enkele kerk, partij of beweging bemoeien. Als alle mensen maar voor het goede waren, dan zou immers alle ellende uit de wereld zijn. Er zijn ook mensen, die zich in de politiek begeven en een nieuwe partij stichten met de leuze: Voor het algemeen belang. Hoe kan men daar nu tegen zijn? Is er iets mooiers dan op te komen voor het algemene belang? Als allen dat maar deden, dan zouden al de sociale en politieke kwesties subiet de wereld uit zijn. Er zijn ook idealisten, die ijveren voor het ware, goede en schone. Voor kleine, practische dingen zijn ze niet warm te maken; eigenlijk doen ze niets dan wachten op een leger, dat met hen de wereld voor het ware, goede en schone wil veroveren. Men moet zich niet blind staren op de kleine dingen, maar dit ene, grote alleen dienen; dan worden de mensheid en de wereld immers waar, goed en schoon en blijft er niets meer te wensen en te strijden over. Dat alles is gezwam, praten in de ruimte, een vuurwerk van grote en klinkende woorden, dat de nacht niet verdrijft, geen licht noch warmte geeft. Tot de bewegingen, die machteloos zijn door haar algemeenheden in doelstelling, behoort de Rotarybeweging. Zij is van Amerikaanse afkomst en beoogt de leden der verschillende beroepen, fabrikanten en rechters, notarissen en leraren, dokters en bankiers, zich bewust te maken, dat zij door hun beroep moeten dienen. Het doet denken aan de Oxfordbeweging en aan de geestelijke en zedelijke herbewapening, waarbij men ook geen practische doelstelling ziet door de wolken van algemeenheden.

Wij lazen een verslag van de Rotary-landdag, in Arnhem gehouden. Wij noteerden uit de vele redevoeringen: Levensernst en levensblijheid, het devies van Rotary. De Rotarybeweging staat op het standpunt van positieve verdraagzaamheid. Onze doelstelling is eenvoudig; de kern ervan is, velen te dienen.

Wie is daartegen? Wie kan daartegen zijn? Maar een beweging, die niets te bestrijden heeft en geen bestrijders heeft, heeft ook geen betekenis. Een wereldbond voor het goede maakt de wereld niets beter, ondanks alle mooie redevoeringen en deftige bijeenkomsten.

Sommigen zeggen met kracht en klem: Het kan zo niet blijven. Er moet lets gebeuren! Geeft men echter niet aan, wat er gebeuren moet, dan gebeurt er niets. J. A. BRUINS.

BINNENLANDSE KRONIEK