is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 33, 13-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nieuwe mens

Het lelijkste woord, dat ik ken, is: „ik”.

Anker harsen.

Misschien vindt ge, dat er moed toe behoort, in deze tijd van schennis van Gods eeuwige wetten, te spreken over „de nieuwe mens”? Wanneer dit zo is, dan meen ik, dat we de dingen toch niet van een uitsluitend „aards” standpunt mogen beschouwen; dat we al onze aandacht niet mogen besteden aan dat, wat we tasten, horen en zien kunnen.

U kunt me natuurlijk antwoorden, dat we daar in de eerste plaats mee te maken hebben. Ge leeft op aarde, ge hebt uw kleine vreugden, misschien uw grote smarten en ge tracht de zin van dit alles te vinden. Ge zoekt het „lek” in uw levensschip. Uw denken beperkt zich tot onze planeet, die in de oneindigheid van het universum haar baan om de zon aflegt. Ge weet, ge ziet, ge ondergaat het als de enige werkelijkheid. Maar indien we tot de grond der dingen, tot een innerlijk schouwen willen komen, moeten we die houding, die geestesgesteldheid los laten. Zo goed als er eeuwige wetten in de onwrikbare orde van de cosmos zijn, zo goed zijn wij, Gods schepselen, onderworpen aan geestelijke wetten, die niet ongestraft geschonden kunnen worden. Nu hoop ik niet, dat ge mij ervan verdénken zult, het oude thema van den „wrekenden God” opnieuw te berde te brengen. Ik bedoel iets anders. De Schepper heeft ons het beheer over de aarde, zijn wijngaard opgedragen. Wij doen het op een afgrijselijke manier. Hij heeft ons het verstand, de rede, de vrije wil gegeven. Deze wü heeft zich niet ontwikkeld in de richting van het dienen van mens en mensheid, zoals God het in zijn Scheppingsplan bedoelde. De wU is uitgegroeid tot een monstrum van begeerte: uws naasten vrouw, zijn maagd, zijn goed, zijn ziel en de kracht van zijn lichaam om er „winst” uit te halen.

Denkt niet, dat wij er schuldloos aan zijn; gij niet en ik niet. Het onheil, dat de wereld teistert, is aangericht, geconstrueerd en „bedacht” in menselijke hersens. Wanneer we nu de gruwelijke, stoffelijke nood, de morele verwording en ontwrichting, de wreedheid en barbaarsheid in een (ik wèéig het!) filosofisch licht bezien, dan komen wij onvermijdelijk terecht bij een cosmische wet, welke een onverbrekelijke keten vormt: n.l. de wet van oorzaak en gevolg. Welk gevolg weer tot verdere oorzaken wordt.

Wij halen thans de verbijsterende oogst binnen van een giftig zaad, dat wij eenmaal uitgestrooid hebben. Als we dit in onze verblinding niet zien en de Eenheid van mens en cosmos niet willen of kunnen aanvaarden.

zullen we nooit de diepere grond der godswerkelijkheid, de harmonie van het Oneindige kunnen begrijpen noch aanvoelen.

Gedachten zijn „werkelijkheden”. Zoals ge denkt, zijt gij. Wanneer ge meent, dat gedachten zich alleen in uw brein bevinden en verder nóch goed nóch kwaad kunnen doen zolang de uitvoerende daad niet volgt, dan miskent ge de „krachtvelden” die er in het Heelal zijn. Het edelste product van den scheppenden kunstenaar, de bouw van de schoonste kathedraal, de verhevenste poëzie van den dichter tot' de infaamste gemeenheid, de verfijnste marteling die men zijn weerlozen medemens aandoet zij hebben eerst bestaan als „gedachte”.

Het product, de vorm van den kunstenaar, den bouwmeester, den dichter, kan vernietigd worden. Er kunnen echter talloze „copieën” vervaardigd worden zolang zij in leven zijn. Zij kunnen ze aan anderen mededelen. Het slachtoffer van menselijke wreedheid kan onder de handen van zijn beulen bezwijken.

De verhevenste zowel als de infaamste gedachte blijft, zij verbreidt het gouden licht of de buitenste duisternis. Wanneer we iemand boze dingen toewensen, zenden we iets van ons uit. Het kan zijn, dat die ~iemand” geestelijk zó hoog staat, dat hij als ’tware in een „geestelijk pantser” is gehuld. Het treft hem niet. Maar de gedachte, deze „werkelijkheid” doet haar werk, de wanklank in de harmonie van Gods Schepping keert tot u terug en vergiftigt uw ziel. Ons „ik” is gauw geraakt. Om de nietigste reden. Wij zijn o zo gauw bij de hand met een verwensing. Om de morse zuil, waarop het kapitalisme rust, is het walgelijk web van leugen, laster en huichelarij gesponnen, dat ontstaan is in de troebele denkwereld van het „ik”. leder symptoom van ware mensenliefde is er in verstrikt geraakt.

Het „ik” houdt het in stand met knallende leuzen, met geheime diplomatie, met massasuggestie. „Wij”, het waarachtig gemeenschapsgevoel, heeft dit niet nodig. Het gebruikt geen kanonnen, noch mitrailleurs, omdat „wij” het mensdom is. Gij zijt ik, mijn broeder! Indien ge meent, dat dit een „verzoetelijkte” en onwerkelijke ideologie is, vergist ge u danig. Het kost den mens de moeilijkste en de zwaarst bevochten overwinning op zichzélf. Die veel meer geestkracht nodig heeft dan welke strijd ook.

Ik erken, deze „wij-gedachte” volledig door te denken, gaat niet van vandaag op morgen. Maar het opent lichtende perspectieven. Ge ziet het lijdensproces der mensheid anders, n.l. als de smeltkroes der loutering. Uit de vele wonden der wereld stroomt het bloed van reiniging en lering. In leed ontplooit zich de adeldom der ziel. Kan een intellect, dat zich alleen beperkt tot de dorre vlakte der materie, deze levenswet ooit ontdekken? JAN HENDRIKS.

Oe rode dominee

Ik weet ergens in Nederland een gemeente, waar men bezig is een predikant te beroepen. Ik noem geen namen, want dat is niet netjes, zegt Henriëtte van Eyk. Het is een Hervormde gemeente, zich vleiend tegen een grote stad. Veel renteniers trekken er zich terug om, terzijde van het drukke strijdgewoel, avondlijke en landelijke rust te zoeken.

Welnu. In die gemeente bestaat een hoorcommissie. Die op zoek is gegaan. Dat de nieuwe predikant een vrijzinnige zou zijn, stond bij voorbaat vast. Verder zullen wel allerlei eisen daarbij gesteld zijn: een werkzame echtgenote, een goede spreektrant, een trouw huisbezoeker, een sociabel mens. Al die dingen bepalen de carrière van een predikant en men moet een kniesoor zijn, om daarover te vallen.

Maar er werd ook een negatieve eis gesteld; de nieuwe predikant mag niet rood zijn. Nu is „rood-zijn” een rekbaar begrip. Vraagt men iemand van de Kiès-partij, dan zal hij een sociaal-democraat als oranje-klant betitelen. Vraagt men een fascist, dan is ook een vrijzinnig-democraat, ja, zelfs de rooms-katholiek, rood, marxist, althans marxistengenoot.

Ja, een ouderling in het vrijzinnige Groningerland van de weelderige klei vindt zelfs lederen predikant, uit Friesland afkomstig, rood.

Maar dat werd nu hier in deze vacante gemeente niet bedoeld. Daar ging het speciaal tegen den predikant, die aangesloten S.D.A.P.- er was. Dat immers is de rode predikant in optima forma. Die mag je nu wel dulden in allerlei besturen (want, o, wij vrijzinnigen zijn zo ruim!), maar de leiding van de gemeente kan hij niet hebben. Rode sympathieën mag hij wel hebben, bij wijze van „privat-sache”, het lidmaatschap der S.D.A.P. maakt hem onmogelijk.

Het is niet de eerste keer, dat men een predikant om zijn politiek weert. Wij, die lid zijn van de S.D.A.P., worden daar niet door geschokt. Wij delen onze verminderde beroepingskansen met hen, die geen vrouw als levensgezellin konden vinden. En dan zijn wij er toch nog beter aan toe dan die vrijgezellen. Bovendien word je niet zo vaak voor kwellende beslissingen van aannemen of bedanken gesteld. Dat is rustig. Van kerkelijk en godsdienstig gezichtspunt uit is er echter alles tegen zulk een besluit te zeggen. Het verraadt een politieke geestesgesteldheid, die niet in onze kerk, en zeker niet

onder vrijzinnigen thuishoort. Een geestesgesteldheid, die niet in de eerste plaats door ons, leden der S.D.A.P., die Immers tezeer partij zijn, maar door hen, die, evenals wij, onze kerk Uefhetaben, moest worden gebrandmerkt. Maar van die zijde houdt men zich gewoonlijk hinderlijk op de vlakte.

Wat Is er dan, kerkelijk gezien, tegen zulk een besluit?

In de eerste plaats een ontstellend gebrek aan kennis van de ~rode dommee”. Eerlijk gezegd: ik ken die niet. Ik ken vrijwel aUe collega’s, die lid zijn van de S.D.A.P. Als ik ze zou moeten typeren, dan zou ik niet weten, hoe ik dat moest doen. Zij hebben alle deugden en alle kwalen, die andere collega’s evenzeer hebben. Je hebt er luie en Ijverige onder, kille en warme mensen, fanatieke en ruime, stille en luidruchtige mannen. Maar men kan niet zeggen: ziedaar, de echte rode dominee.

De gemiddelde gemeente-bestuurder heeft zich een voorstelling gemaakt, hoe, op grond van zijn vermoedens en zijn vrees, zulk een rode dominee wel moet wezen. Laat mij dat denkbeeldig portret geven:

De rode dominee spreekt vurig. Zwaait dreigend met de vuist. Hij knettert oud-testamentlsche vloeken. Hij vervloekt wekelijks het kapitalisme. Hij vleit den arbeider. Hij predikt de klassestrijd.

En in het dorp loopt hij in een manchester pak. Hij schudt de hand van zijn partijgenoot harder, dan die van de rijke boer. Hij koopt al zijn waren bij de coöperatie. Hij loopt mee In de 1 Mel-optocht. Hij tennist niet en hij verschijnt niet in het kringetje van de voornaamsten. Hij komt niet op de vergaderingen van het Nut, en als hij er komt, gaat hij niet

zitten, daar waar zijn voorganger zat. En hoe is het kerkelijk leven onder zo’n

dominee? Eerst blijven de gegoeden uit de kerk. Die dreigen zelfs hun bijdrage aan de kerkekas In te houden. Dat Is een schadepost. En de arbeider? Die komt toch niet naar hem. Die laat hem voor stoelen en banken preken. Die wil wel naar hem luisteren, als hij op een openluchtmeeting in de muziektent op het dorpsplein de bourgeoisie uitkleedt, maar verder gaat de vriendschap niet.

Verder is zijn toon, zijn gebaar altijd demonstratief. Hij is niet alleen geheelonthouder (dat moet tenslotte iedereen zelf weten, al Is het bar ongezellig), maar hij is zelfs drankbestrijder. Hij wil altijd wat anders. Hij laat je nooit met rust.

Kortom: wij willen géén rode dominee!

Dit Is het portret, dat velen van de rode dominee geschilderd hebben. Een portret, dat op geen enkel punt klopt met de werkelijkheid. Een portret, dat alleen ontstaan kan In de verbeelding van mensen, die zo verpolitiekt zijn, dat alleen wat In hun eigen schijnbaar onpolitiek schema past, te dulden Is.

In de tweede plaats is deze houding af te wijzen, omdat niet de mens, maar een bepaald deel van de mens gezien wordt. Dat Is altijd fout. Maar dat is vooral hier fout. Omdat niet een bepaald lidmaatschap beslissend is voor een mens, maar de motieven, die hem daartoe dreven. En die motieven worden pas duidelijk, na lange tijd van persoonlijke omgang. Het Is een on-menselljke, want alleen maar zakelijke mens-beoordellng, die men hanteert.

In de laatste plaats Is deze houding zo erg, omdat zij geen dieper begrip voor de veranderde situatie in de S.D.A.P. verraadt. Daarover kan ik hier niet breed uitwijden. Maar dit valt reeds de oppervlakkigste waarnemer op: binnen de socialistische arbeidersbeweging komt een nieuwe openheid voor de godsdienst. Wanneer de kerk binnen deze beweging mensen, leiders heeft, die vertrouwd worden, én waarop ook de kerk kan vertrouwen, dan moet zij zich daar diep over verheugen. Niet om eventueel succes, maar vanwege de kansen, die er liggen voor het godsdienstig leven.

Ik zeg niet: vacante gemeentes, zoek rode dominees! Ik zeg alleen: vacante gemeentes, zoek een predikant, die naar uw beste weten uw gemeente leiden kan. Maar leg u dan niet vast op een voorbarig oordeel, als hierboven gesignaleerd, dat in zichzelf onjuist Is, dat onrechtvaardig Is tegenover bepaalde mensen en een gevaar voor de kerk inhoudt.

L. H. RUITENBERG.