is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 34, 20-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hebt goede moed!

Hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen. Joh. 16:33.

Dat woord mogen wij elkaar wel tocs voegen in onze dagen; hebt goede moed. Wie zou niet alle dagen kunnen mee sehamperen: ja ’t mocht wat, Christus de wereld overwonnen! Andere machten hebben mensen en wereld compleet in hun greep en ook zo gron= dig en radicaal, dat een mens zich tot het uiterste inspannen moet, om ergens nog de kraeht Gods aan het werk te kunnen zien.

’t Is een. toer om „de zachte krachten der liefde” te zien en er in te geloven, ja zelfs het doodgewoommenselijke is immers te loor gegaan.

Dit alles hoeft helaas anno 1939 geen bewijs meer voor mensen die leven in een wereld vol zinloosheid en onvers schilligheid, vol oorlogsdreiging en vol geweldsverheerlijking.

Alle dagen kunnen wij ondergaan, hoe reëel de film „De wereld in wording” was, die ons enkele jaren terug voors spelde, hoe op Kerstfeest 1940 de wereld er uit zou zien. Hoe de vliegtuigen bij duizenden over deze aarde zouden ronken en dood en verderf zaaiden. Hoe de sirenes gilden en de mensen, door panische razernij opgejaagd, als angstig, weerloos en redeloos vee bijecngedrukt zaten. En daartussen door de klokken, die hun evangeliesboodsehap van vrede en broederliefde lieten weerklinken

een boodsehap, die stuk stoten moest op al de ijzer? en betonconstrueties, die onhoorbaar bleef voor de mensen en de mensdieren onder de grond.

Hoe benauwend diehtbij is dit alles gekomen. Herinnert u zieh de grote fei? ten, de reportages, de foto’s. Gaat u maar eens langs de grenzen van ons land, over de grote bruggen en de af? sluitdijk.

Hoe angstig te zien ook, hoe wij mensen door dit alles aangetast worden. Vergeleken bij September 1938 zijn wij al veel minder verontrust. Leggen wij ons ook niet neer bij de algemene opinie: oeh, ’t zal wel wat meevallen?

Aantasting ook in andere zin. Mis? schien gaat het u ook wel als mij. Hoe? wel, nu meer dan ooit overtuigd van het morele en practische sueees van radicale anti?militaristische maatregelen, betrap ik er mijzelf dikwijls op rond te lopen met een heimelijke hoop dat Rus? land en Engeland elkaar volledig zullen vinden, dat de „democratisehe” landen in zo groot mogelijk aantal dóór zullen gaan met hun bewapeningen, dat Polen en Roemenië niet zo maar iets van hun gebied zullen prijsgeven, enz.

Christus de wereld overwonnen? Het woord in het Joh.?evangelie eraan voorafgaand wil ons beter aan: in de wereld zult gij verdrukking hebben. De Duivel en zijn vele trawanten, zij zijn de heersers over de mensen. Van onze wereld, die door menselijke schuld ver? worden is tot dat wat ze is;

van onze wereld, die in al zijn ver?

houdingen, zo onbarmhartig, zo egoïs* tisch, zo liefdeloos is, is terecht gezegd:

Gij hebt Eén vergeten. Gij hebt Eén veraeht.

Hem die de winden doet zwellen, en mensenharten beweegt.

Inderdaad goddeloos is ze.

Gelukkig wordt dat steeds dieper ingezien, niet bij anderen, maar bij onss zelf. Onlangs was ik weer op een inter= naat van werklozen in Bentveld. Wat een verschil met 8 jaar terug, toen het eerste gehouden werd. Ja ook, in zeer bedenkelijke zin. Geestelijk: de meesten aangepast, murw geslagen en down. Financieel uitgeput nu. Het sigarenwim keltje bij ons grote huis heeft in den beginne gouden dagen beleefd, wanneer er een internaat gehouden werd. Nü: alleen maar meer het eigen rohsysteem.

Onze tijden met zijn vele voor socias listen zo bittere teleurstellingen, hebben duidelijke veranderingen in mentaliteit te zien gegeven. Hoe konden deze mam ncn met een eerlijk, critisch en soms wel hardsschamper woord spreken over eigen fouten t.a.v. vrouw en kinderen, over de afgunst en het geplaag en verraad in eigen rijen.

Triest die verhalen over het gappen van kleren uit de ontspanningslokalen, van aehterlichten van fietsen bij de stempellokalen.

Gelukkig gaan hoe langer hoe meer socialisten het ook verstaan, in welk een wezenlijk verzakelijkte, ontluisterde wereld wij leven. Gaan wij ook inzien, hoe wij, even hard als „de kapitalisten” slachtoffers zijn van alle menselijke oer? driften; hoe wij ook, zonder eerbied voor het heilige en zuivere, gaan door de wereld van onze socialistische idea? len en bewegingen. Pijnlijk voelen wij het:

Zoekenden zijn wij nog, wij zijn nog verspreiden.

Wij moeten onszelven uit menige waan nog bevrijden.

Wij moeten nog worden hen, waar de wereld op waeht.

Ja, dat hebben mensen en wereld broodnodig: doortrokken te worden met de geest van Christus, verlieht te worden en gelouterd met zijn brandende vuurvlammen van zuiverheid, onbaat? zuchtigheid en onvoorwaardelijke trouw. Wij moeten hem niet met de mond eren en allerlei stichtelijke woorden over onze lippen laten komen maar zijn geest en zijn liefde sta ons voor ogen bij ons kleine werk, alle dagen, overal. Als Christus, die aan het Kruis de we? zenlijke overwinning behaalde, als de levende Christus, in plaats van angst en gejaagdheid, hebzueht en lafheid onze levens ging beheersen, hoe zouden wij ons gelukkiger gaan voelen, en hoe zouden wij waarachtige dienaren van Gods rijk ons mogen noemen.

Dat zij onze diepe bede: God schenke ons van Zijn rust, van Zijn liefde en trouw, opdat Christus in ons wonen kan en mee door ons in de wereld.

D. EENDER.

Eén uit duizenden

Op weg naar Engeland, om vandaar, als het hunne beurt was, voorgoed Amerika tot hun vaderland te maken, logeerden ouders en dochter enige weken bij kennissen.

Marion is vijftien jaar, lang en schraal. ~Nur Knoche”, had men aan de grens gezegd, waar deze eenmaal welgestelde lieden beroofd werden van hunne laatste kostbaarheden. Of het meiske vreugde had aan de zo geheel andere omgeving. Of zij iets onderging van verruimende blijdschap, nu de grote fabrieksstad had plaats gemaakt voor bos en duin? Maar hoe kon dit, waar al haar beleven bij nacht en bij dag, gehuld was in angst?

Moeder telefoneert naar oude vrienden, die al enige jaren in een naburige stad wonen.

„Doe het niet moeder, ze luisteren.” Zij gaat mee naar de stad om een vogelfilm te zien. „Wat zij er van verteld had?” „Moeder, in de trein is een Ariër voor mij opgestaan om te maken dat ik naast mevrouw kon zitten”, met deze uitroep was zij thuisgekomen.

Op de markt stonden een paar politieagenten met elkaar te praten. „Daar niet langs” klonk het angstig.

Het is een gelukkig toeval, dat ondergetekende oude vrienden heeft in de stad en in het district waar onze bannelingen heentrokken. Er werd aan deze geschreven een vanzelfsprekendheid. Dat een Ariër dit deed voor een niet-Ariër, lokte dankbetuigingen uit, die de woorden van den dichter Wordsworth te binnen brachten toen hij, een jonge man, op zijn wandeling door het bos een ouden houthakker de bijl uit de hand nam om een zware knoest af te hakken, waar de man tevergeefs al zijn verbruikte kracht op inzette;

I’ve heard of hearts unkind, kind deeds With coldness still returning,

Alas! the gratitude of men

Hath of tener let me mourning”').

Natuurlijk hebben de vrienden begrepen waarom het ging. Marion werd al spoedig afgehaald om met meisjes. Engelse en Duitse van haar leeftijd, kennis te maken en kort geleden kwam het bericht, dat het gelukt was haar op een goede meisjesschool geplaatst te krijgen. Maar nog dezer dagen schreef men mij: „Marion heeft met de kinderen in de tuin gespeeld en er kwam iets van een glimlach op haar gezicht.” Onbegrijpelijk, deze gesteldheid bij een kind van vijftien jaar? Maar anderhalf jaar geleden werd zij weggestuurd van de school waar zij jaren geweest was, nadat men haar maanden tevoren apart had gezet. Hetzelfde gebeurde later op een huishoudschool, waar hare ouders getracht hadden haar geplaatst te krijgen. En als bij een feestelijke gelegenheid ruim tweehonderd meisjes in de aula der school bijeen zijn en aan de veertien Jodinnetjes bevolen wordt op te staan en gezamenlijk de zaal te verlaten, gaat het dan hierbij om iets wat men vergeet? Of is niet de kans groot, zeer groot, dat al deze beledigingen een litteken zullen achterlaten, zó diep, dat het tot een levenslange pijniging wordt?

Wie moet bij een dergelijke behandeling niet denken aan de molensteen, waarvan de drie eerste evangeliën gewagen?

Aan de éne kant duizenden van deze in hunne menselijke waardigheid gekwetste mensenkinderen. Aan de andere kant een Hitlerjeugd, aan wie wereldheerschappij als haar recht wordt ingeprent.

In welk een dampkring zal de mensheid ademen, wanneer deze vernederden en deze verhoogden, volwassen geworden, de maatschappij vormen zullen?

Geen wonder, dat vele niet-besmette Duitsers alleen heil verwachten van een massabekering. En niet deze alleen. E. C. K.

‘) Van onvriendelijke harten heb ik gehoord, die vriendelijke daden nog met koelheid beant-

[woordden.

Helaas, de dankbaarheid van mensen heeft mij vaker met droefheid vervuld.