is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 34, 20-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stilte van den winter, strak en stom, is weer geweken . . . zie, iets liefs gaat om.

een lichte luwte na de vlagen hoor, de lente komt: een zacht aanzwellend koor

van duizend stemmen, ruisende geluiden die, schuchter nog, maar ongerept als bruiden

de hoop vertolken van hun jongen droom die ging niet dood, maar bleef, zoals de stroom

aan 't vlak gestremd, toch vloeien blijft naar zee, levend en woelend in dit strenge wee.

Nu, stil gevoed, breekt hij de bolsters open, hij vindt het licht en weet zich, jong en vrij,

gedragen door dit nieuw ontwakend hopen, en zingt het lied van morgenrood en Mei.

ANDREAS GLOTZBACH.

Onze vijand zingt

„Du bist im Wachsen der Aehren, Du bist in der Kinder Gesang. Du bist im Schürfen des Pfluges Und in der Sensen Klang.”

Mijn verontschuldiging dat ik deze regels even in het Duits aanhaal; ik moet dat wel doen, omdat zij in vertaling dadelijk iets van hun welluidendheid en hun rhythme verliezen. In ’t Nederlands vertaald luiden zij: „Gij zijt in het groeien der aren, gij zijt in het kindergezang. Gij zijt in het schuren van de ploeg. En in het klinken van de zeisen).” Eenvoudige, natuurlijk aandoende taal, welluidende klank, een dichterlijke sfeer, – het moge nu niet van de allergrootste poëzie zijn, het is toch een bevredigend stukje gedicht, dat hier boven; staat.

Alleen, wie is die „Du”? De zomer bijvoorbeeld? Dat zou helemaal niet gek zijn. In feite is het echter niet zozeer de zomer als wel Adolf Hitler. Ik ontleen het versje aan Tijd en Taak van 6 Mei, waar het onder het hoofd „Made in Germany” zonder commentaar, alleen met een paar honende uitroeptekens stond afgedrukt. Zeker, ik begrijp volkomen met wat voor gedachten het daar is geplaatst, en ook met wat voor gedachten het gelezen is. Het is ontzettend moeilijk, kunst te waarderen uit een gevoels- en gedachtenwereld die ons echt grondig onsjrmpathiek is; het zal zeker Ds. Kersten, zo goed als een Dageraadsman, de grootste moeite kosten een vers van den Katholieken priester Gezelle mooi te vinden. Wie in zo’n geval tot een oordeel wU komen dat enige objectieve waarde heeft, dient zich eerst los te maken van de gedacht dat het zijn vijand” is, die „zingt”.

Om dus nog eens op de boven afgedrukte regeltjes terug te komen, begin eens met u inj te denken, dat een dichter die richt tot het meisje, dat hij liefheeft. Hij is zo van haar vervuid, dat hij in alle geluiden haar stem meent te horen, in aile schoonheden van de natuur iets van haar schoonheid terugvindt. Wéér hij gaat, heeft hij het gevoel, te gaan in haar aanwezigheid: mij dunkt, niemand die gevoel voor poëzie heeft, zal dat mal of geëxalteerd vinden.

En als iemand, met een hart boordevol van| het socialisme, zulke woorden richtte tot de „tijd die komt”, of tot de „broederschap der mensen”, zouden wij dat dan niet vol overtuiging mooi en treffend noemen? En als het ons mogelijk was, één mens zo boven alle anderen te vereren dat hij ons als het ware de verpersoonlijking van het socialisme werd, zou het dan niet menselijk en poëtisch heel

aanvaardbaar wezen, dien mens te bezingen zoals hier wordt gedaan? Nee. Nu wil ik het niet hebben over dien man met dat snorretje. Ik heb mijn opinie en de lezer heeft de zijne; en de schrijfster van dat versje had de hare. Het was mij er aUeen om te doen, aan te tonen dat zoiets te goeder trouw en respectabel kan wezen.

Is dat de objectiviteit te ver gedreven? Ik kreeg ter recensie een „studie” over de mentaliteit der Nazi-poëzie, door iemand wiens houding principieel afwijzend, maar in concrete gevallen veelal waarderend is.‘) Het voornaamste dat ik aan zijn boekje dank is het inzicht, dat het blijkbaar mogelijk is, menselijk en r>oëtisch te goeder trouw „dichter van het Derde Rijk” te wezen. Goddank. Is dat niet beter dan wanneer het allemaal hypocrieten en rijmelende propagandisten waren? Wat de heer Schotel in dit boekje bij elkaar heeft gebracht, is over het algemeen even oprecht, menselijk even sympathiek, en poëtisch even onbelangrijk, als wat ten onzent de kringen van de jeugdbeweging en aanverwante hebben opgeleverd. Er zijn wel eens uitingen, die ons vreemd blijven, maar zij vailen met de wil tot objectiviteit toch te verstaan, zie boven. Er zijn wel eens vaak zelfs dikke woorden. Maar „dikke woorden” zijn een euvel waar Duitsers van alle richtingen van oudsher aan geleden hebben, en aan hoeveel dikke woorden heeft zich de bewogen jeugd ten onzent bezondigd? Wie niet in staat is, gewoon sprekende te overtuigen, begint te schreeuwen, te gesticuleren, te overdrijven. Ook dit is zeer Duits, en zeer jeugdbewegerig.

Ons heidens ritueel het kampvuur

Ik geloof toch, dat er iets gewonnen zou zijn met het besef, hoe verwant ons vele van deze dingen zijn. Ten goede en ten kwade. Een lied als „Wanneer wij marcheren”, ook bij ons geliefd, kon onze zingende vijand zó overnemen, als hij het niet gedaan heeft. En wie zich over heidens ritueel wü ontzetten, hij ga eerst eens met zijn geweten en zijn kampvuurherinneringen te rade.

Er blijft eeiij rest die ons niet verwant is: het Duitse chauvinisme, en het geweld in dienst van dat chauvinisme. Maar hier gebiedt de eerlijkheid te erkennen, dat geen van beide uitvindingen van het nationaal-socialisme zijn. Uit het begin van de 19e eeuw dateert de zachte wenk aan de Duitse volksgenoten „Der Gott der Eisen wachsen liesz, der wollte keine Knechte” (De God, die het ijzer heeft laten groeien, heeft geen knechten gewild); is dè.t soms stichtelijk? En die grote, smartelijke liefde van de Duitse mens voor het Duitse land, voor de idee Duitsland, die dunkt mij toch zo goed te begrijpen.

Geen mens die de ontzaglijke rijkdommen aanziet die in dit volk besloten liggen, de overvloed van schone mogelijkheden, de vele gedeeltelijke en tijdelijke successen, en de onmacht van dat prachtige volk om groot en harmonisch zijn mogelijkheden te realiseren; geen mens die dat aUes aanziet zal er Anders over kunnen denken. „Denk ich an Deutschland in der Nacht, zo bin ik um den/ Schlaf gebracht” ; dat zei Heine, Jood, balling en Duitser. Hoeveel Duitsers, hoeveel ballingen, hoeveel niet-Duitsers zullen het hem nagezegd hebben, met iets van dezelfde smartelijke liefde voor ~das ewige Deutschland”, achter het tijdelijke toch nooit gehéél verborgen!

Het boekje van den heer Schotel is zelf wel eens niet vrij van dikke woorden (zie bijv. de titel), het verwaarloost in zijn verklaring m.i. essentiële aspecten, en zijn kritiek zal niet altijd de onze zijn. Maar het is beheerst door de wil tot objectiviteit, en het levert materiaal. Waarvoor wij dankbaar kunnen wezen.

M. H. VAN DER ZEYDE.

') B. A. Schotel Het bloed der aarde zingt in Hitlerland. Uitg. Bigot en Van Rossum. Ldbellenreeks, dubbelnr. ƒ 0.90.

“) Wanneer ik ’s nachts aan Duitsland denk, kan ik de slaap niet meer vatten.

Uit de wereld van het boek

Prof. dr. W. J. Aalders: Enkeling en Gemeenschap. Uitg. Ploegsma, Zeist 1939. 71 blz. Ing. ƒ 1.10, geb. ƒ1.60.

Géén boekje waar de storm van de tijd door heen waait en u heen en weer schudt. Oók geen boekje dat als een hartekreet om gemeenschap uit de verscheurdheid van de tijd wekt tot duidelijk gewezen arbeid en een klaar omschreven program. En toch allerminst een boekje dat buiten de tijd zou staan. Er is hier een bezonnen, gerijpt en gelovig mens aan het woord, die waarlijk wei de onrust en de nood van de tijd meeleeft, maar die een vlam van wijsheid, vooral een licht van Godsvertrouwen weet te behoeden. Hier spreekt een Christen-fiiosoof over het verband, de spanning, de oplossing tussen het leven van enkeling en gemeenschap.

Aan het slot een eenvoudig pakkend beeld: „Er zijn bomen, die van meetaan tot een bos behoren, én die of daar, in een weide of op de hoek van een weg als enkeling zijn geplant. De eerste hebben het voordeel, dat zij worden beschermd door de gemeenschap, die de stormen opvangt en hun kracht breekt. Maar zij lopen ook het gevaar van ijl te worden en nauwelijks een kroon te vormen. De laatste zijn blootgesteld aan de wind, uit de eerste hand. Zij lopen het gevaar van te worden gebroken of ontworteld.

Maar als zij de stormen doorstaan, worden zij sterk en stevig, en vormen zij een brede kroon. De boom had geen keus. Wij mensen hebben haar gewoonlijk evenmin, of althans zeer betrekkelijk. Laat ons hierin ons niet verdiepen. Laat ons liever de rekening opmaken. Het bos is er, en het heeft zijn waarde, ook voor de boom. De boom is er, en hij heeft zijn waarde, ook voor het bos. Het komt er ten slotte op aan, dat er een goed beheerder is van bos en bomen beide, die de bomen uitplant als enkeling of een gemeenschap, naar dat het hem goeddunkt.” w. B.

Dr. J. H. van der Hoop Psychische verschillen tussen man en vrouw. Arnhem, Van Loghum Slaterus. Uitg. 1938. 221 blz.

Dit boek is ontstaan uit voordrachten voor de Amsterdamse Volksuniversiteit, en wil dus algemene voorlichting geven ook aan een lekenpubliek. Dr. van der Hoop heeft meermalen over verwante onderwerpen geschreven (zijn boek „Sexualiteit en Zieleleven” van 1926 was er bewijs van) en een goede naam verworven. Ook in dit nieuwe werk treft de grote kennis, de voorzichtig-eerbiedige wijze van behandeling, de voorname toon. Naar mijn smaak had de stof wel wat beknopter samengevat kunnen worden; vermoeiend, niet steeds verhelderend zijn de bladzijden, waarin de schrijver zijn afwijkende inzichten b.v. ten opzichte van Jung uiteenzet. Voor een lekenpubliek is dit van geen betekenis.

In een eigenaardige zin is dit boek actueel. De vorige eeuw bracht een maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling, waardoor de vrouw een belangrijker plaats ook in het openbare leven ging innemen. Daartegen is thans vrij sterke reactie. De beide laatste hoofdstukken van dr. Van der Hoop’s boek vooral trachten mannelijke en vrouwelijke aard en idealen begrijpelijk te maken en kunnen zo helpen om het heil der samenleving beter te leren dienen.

Het is een zuiver en goed maar niet altijd gemakkelijk boek. W. B.