is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 34, 20-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVEH GEZINSOPVOEDING

Toen men Dr. Ferrière, den psycholoog en paedagoog èn huisvader vroeg, een boekje te schrijven over gezinsopvoeding, heeft hij geantwoord; „De ouders verschillen te veel van elkander, de kinderen nog veel meer; hoe zou ik dan iets kunnen zeggen, dat voor allen zou gelden?”

Hetzelfde zou ik hier kunnen aanvoeren, nu ik en nog wel in zeer beknopte vorm, iets over de problemen der huiselijke opvoeding wil zeggen. Immers, voor ieder uwer, lezers, is het huiselijk leven anders, wat voor den één waar is, zou voor den ander niet opgaan, de een is voorstander van autoriteit-in-de-opvoeding, de ander allicht van vrijheid-in-de opvoeding en het conflict tussen beide uiterste richtingen is theoretisch niet op te lossen, omdat ze samenhangen met temperament en mate van inzicht.

Ferrière schreef tóch zijn boek, omdat hij tenslotte geloofde, dat het mogelijk is, „inzake opvoedkunde enige beginselen aan te geven, die altijd en overal gelden, beginselen, die eenvoudig wetten weergeven, welke gelden in de kinderzielkunde”. En we weten het: veel is er geschreven over gezinsopvoeding: en veel is er over gesproken op congressen, cursussen, ouderavonden en zelfs worden er afzonderlijke congressen aan gewijd. Wat er aan algemeens over dit onderwerp valt te zeggen, is misschien in dit blad in enkele kolommen samen te vatten.

De ouders zijn de natuurlijke opvoeders van het kind. Zij hebben het eerste en oorspronkelijke recht op de opvoeding. Het gezin is de cel, waaruit de gemeenschap is opgebouwd en het is in deze natuurlijke beslotenheid, waar het kind biologisch door de innigste bloedverwantschap zijn plaats heeft. Wanneer het ondenkbare geval zich voordeed en de familie niet bestond en voor het kind een eerste paedagogisch milieu moest worden uitgedacht, zou er geen betere vondst gedaan kunnen worden dan dit veilige door liefdezorg omsloten levensbegin, waar de straks door een rusteloos verlangen gedreven, in de cultuurzee uitzeilende jonge levens immer weer dè* rustige, behouden haven vinden.

Opvoeding van het kind en opvoeding der ouders

Aan de bevoorrechting van de gezinsopvoeding als de primaire opvoeding ligt het inzicht ten gronde, dat er in het samenleven van ouders met hun kinderen zich krachten ontvouwen, die op de innigste wijze samenwerken met de eeuwige scheppingskrachten der natuur en die nimmer in dezelfde intensiteit en uit dezelfde kosmische noodzaak in andere opvoedingsmilieu’s kunnen optreden. De toenadering tussen beroepsopvoeder en leerling is niet te vergelijken met de liefde tussen moeder en kind; het oneindig geduld en de grenzenloze opofferingsgezindheid, die uit ouderliefde voortkomen, kunnen niet in die mate verwacht en gevorderd worden van den beroepsopvoeder, die niet énkele maar véle kinderen gedurende énkele uren van de dag onder zijn hoede heeft en die onbewust beïnvloed wordt door begaafdheid en domheid, bescheidenheid en brutaliteit, beminnelijkheid en terugstotendheid, schoonheid of lelijkheid zijner leerlingen.

Dat er gezinnen zijn, waar het kind tekort komt, ja, waar onberekenbaar veel aan het kind bedorven kan worden, waar dus de beroepsopvoeder, hetzij in het school-, hetzij in het gestichtsmilieu veel goed te maken krijgt doet aan de waarheid van het bovenstaande niets af. Natuurlijke bronnen kunnen verstopt raken, natuurlijke krachten kunnen door tal van oorzaken geremd of verlamd worden. Bovendien vergete men nimmer, dat de ouderlijke opvoeding niet een zaak is van louter instinctief handelen, maar dat fijnere intuïtie, een klaar, door kennis verdiept inzicht bij het aanwenden der instinctieve krachten te hulp schieten. Opvoeden van het kind is onverbrekelijk verbonden aan de opvoeding der ouders. Met andere woorden: het is niet een kwestie

van natuur, maar van cultuur. En het is daarom ook, dat alle veranderingen in de cultuur veranderingen in de opvoeding met zich meebrengen.

Er heerse licht en warmte in het gezin!

Zoals ik al te kennen gaf, is het moeilijk om in het kort een beeld te geven van wat een goede gezinsopvoeding omvat.

Ik zou dan zeker in de eerste plaats moeten wijzen op de noodzakelijkheid, dat er, in figuurlijke zin, licht en warmte heersen in het gezin. Niet voor niets spreekt men juist van de huiselijke haard, waar men, ouder geworden, steeds naar terugkeert en men zijn voeten vrij kan uitstrekken.

„De grote wereld met haar moeiten en worstelingen vraagt van den mens steeds nieuwe aanpassing, de huiselijke haard is het enige plekje op aard waar men volkomen vast”. (Ferrière). Men is er ongedwongen en vrij men rust er uit. Zo moet het gezin zijn voor het kind: een plaats waar het rust vindt, waar het openheid vindt en open kan zijn, waar het in zijn sterk verlangen naar rechtvaardigheid wordt begrepen, omdat men er rechtvaardig is.

Waar ook is de autoriteit, die regelt, die dagelijkse gewoonten en werkjes vaststelt en de naleving vordert, die het geduld en het inzicht heeft om onverbiddelijk en consequent te zijn, waar het gaat om dingen van karaktervormende waarde. Een autoriteit, die niet met blinde gehoorzaamheid en uiterlijke erkenning tevreden is, maar die zich richt tot de meewerkende krachten in het kind en op diens innerlijke erkenning steunt. Want niet moet het gaan om uiterlijke dressuur maar om de innerlijke tucht: tucht, die de ouder welbewust uitoefent en het kind als zelfbeheersing in zich opneemt.

In die sfeer ontbloei de kameraadschap en het goede humeur. In die evenwichtige gezinssamenleving breekt vanzelve de vreugde open. De vreugde, die zich uit in het gezang bij de piano, in het lied bij de arbeid, in het zacht voor zich uit neuriën bij het spel. De vreugde die haar uiting zoekt in de grap, de fopperij, in het blijde en vanzelve bereid zijn voor anderen iets te maken of te doen.

Het zijn vooral de dingen, die men in zijn jeugd samen in dat verwarmende gevoel van gezellige, van heerlijke saamhorigheid beleefde, die men zich later zo gaarne herinnert. En daarom moeten er uurtjes gevonden worden van samen platen kijken, van voorlezen, van tezamen arbeiden aan één ding, van samen wandelen.

Het gesprek onder vier ogert

Maar ook is er tijd voor het gesprek onder vier ogen, even apart met het kind in een andere kamer of aan het bed voor het slapen gaan. Of voor de ogenblikken van voorbereiding op de sexuele moeilijkheden, die het kind weldra zal ondervinden of van het waarschuwen voor de gevaren, die hen vanuit de samenleving bedreigen.

Er is zo veel, zo oneindig veel schakering in het gezinsleven, omdat naar alle zijden de vensters open staan naar het volle mensenleven, omdat de mensenziel zelve zo oneindig gecompliceerd is, omdat de ervaringen van duizenden voorouders er hun sporen in nalieten.

En niet alles, wat er van buiten intreedt of wat er omhoog stijgt uit de duistere onbekende gebieden der ziel, is even schoon en verheffend. De weg, die onze kinderen, die wij opvoeders gaan, is vaak moeilijk te betreden en lijkt soms afgesloten. Zorgen kunnen ons besluipen, ons zo overmeesteren, dat alle vreugde ons verlaat, dat redelijkheid en zelfbeheersing ons in de steek laten. Dan vindt het kind de toegang tot ons hart gesloten. En dan hopen de conflicten zich op, we vervallen van de ene fout in de andere: het wordt een wildernis in onze ziel; er is geen doorkomen aan. En het kind wordt de dupe.

JOHAN TOOT.

VERENIGINGSLEVEN

Tweede onderwijscursus te Korfehemmen

Daar de aangifte voor de onderwijscursus in de Paasvacantie zo groot was, dat verschillende deelnemers wegens plaatsgebrek moesten worden afgewezen, besloot de commissie der A.G. deze cursus nog eens te herhalen. Deze tweede cursus werd gesteld op 9—13 Mei;

Van de 28 cursisten kwamen 24 uit Friesland en 4 uit Groningen, terwijl de provincie Drente helaas niet vertegenwoordigd was. En zoals het tegenwoordig bijna overal het geval is (of was het vroeger misschien ook al zo?) waren de dames ook hier sterk in de meerderheid.

Tussen 4 en 6 uur Dinsdagmiddag kwamen de cursisten aan. Na de gemeenschappelijke maaltijd vertelde Ds. Van Apeldoorn, die, met zijn vrouw en de heer Bomhoff, de leiding had, iets over de Woodbrookers en over het ontstaan en de bouw van het A.G. Huis te Kortehemmen. Op ontroerende wijze sprak de leider over de jonge werklozen, die dit huis, waarin we te gast waren, hadden gebouwd. Hij vertelde ons over de moeilijkheden, die zich daarbij hadden voorgedaan: over de aanvankelijke onverschilligheid der jongens en over de onwil om voor slechts ƒ 1.75 een hele week hard te moeten werken. Maar hoe langzamerhand die onverschilligheid plaats maakte voor liefde tot hun werk. En reeds die eerste avond keken we met andere ogen naar die muren, die ons nu iets hadden te vertellen. En het gaf ons een bijzonder warm en dankbaar gevoel, dat ook wij, werkloze onderwijzers en onderwijzeressen, welkom waren m dit huis, dat er mensen met mooie idealen zijn, die ons willen behoeden voor de gevolgen der werkloosheid, die ons een hand reiken om niet de moed te verliezen en niet onverschillig te worden onder het eindeloze wachten.

De cursus mag, dunkt me, in alle opzichten geslaagd heten. Wij hebben er levenskracht en levenslust opgedaan, de diepere waarden van het

Van mensen en dingen

Earclicm'EcntTcld' Kortehemmen

Het somerprogramma 1939 van de Arbeiders-Gemeenschap der Woodbrookers is verschenen.

Barchem—Bentveld—Korthehemmen, drie plaatsen in ons land, waarheen het programma ons roept in de hoop mensen te bereiken, die mede bereid zijn „geduldige trouwe arbeid op zich te nemen in dienst van de hoogste geestesgoederen”.

In alfabetische volgorde staan hierboven de drie namen. Maar dat is louter toeval, want ook al begon Barchem met een Z en Kortehemmen met een A ik weet niet of zoiets technisch mogelijk is, maar dat interesseert me nu niet dan nog zou de gegeven volgorde gehandhaafd moeten blijven.

Want Barchem was er in tijdsorde het eerst, veel later pas kwam Bentveld, nog weer later Kortehemmen. Maar ook geestelijk gezien hoort Barchem vooraan te staan, want Barchem is meer dan alleen Arbeiders-Gemeenschap: Barchem is het centrum van de gehele Woodbrookerskring, waarvan de A.G. een sector is en ook bewust wil blijven.

Overigens zijn de drie oorden gelijkwaardig. Maar niet gelijksoortig. Er is velerlei verschil, in natuur, in landstreek, in sfeer, traditie en nog in allerlei.

Wie aan Barchem denkt, denkt aan de afgeslotenheid van het rumoer der wereld, aan de schoonheid van het Achterhoekse landschep met zijn afwisseling van bos en koren. Onze gedachten gaan uit naar het huis, dat ons wacht, daar boven op de berg, naar de vergezichten, waar we speurend heen blikken met onze toekomstverwachtingen of waar we verloren staren in tijden van twijfel en moedeloosheid. We zijn in Barchem en we voelen ons meer dan elders geestelijk verwant aan de Quakers, we willen ons bewust zijn, dat we op grond zijn, waar moeizaam getracht werd, en nog wordt, om een nieuwe en schone verbondenheid in het godsdienstig leven van Nederland tot stand te brengen.

Hoe anders is Bentveld. Wie in Bentveld is, verliest niet zo gemakkelijk het contact met de wereld daarbuiten. Reeds het weten, dat we in de onmiddellijke nabijheid zijn van de grote steden in Holland, doet ons bijna voortdurend beseffen, dat we hier in Bentveld zijn om ons samen te beraden, ons te bezinnen en