is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 35, 27-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oprecht verlangen

Joh. 14 : 16—20, 25—28. Op mijn gebed zal de Vader u een anderen Helper geven, die voor eeuwig bij u zal blijven, den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat zij hem ziet noch kent; maar gij kent hem; want hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten, ik kom tot u. Weldra ziet de wereld mij niet meer, maar gij ziet mij, omdat ik leef en ook gij leven zult. Te dien dage zult gij inzien dat ik in den Vader ben en gij in mij en ik in u.

Dit heb ik tot u gesproken, terwijl ik nog onder u was. Maar de Helper, de Heilige Geest, dien de Vader door mijn naam zenden zal, die zal u alles leren en u indachtig maken alwat ik u gezegd heb. Vrede laat ik u na, mijn vrede geef ik u; ik geef niet zoals de wereld geeft. Uw hart worde niet ontroerd of bevreesd. Gij hebt gehoord wat ik u gezegd heb: Ik ga heen en kom tot u. Indien gij mij liefhadt, zoudt gij u verheugen, dat ik naar den Vader ga; want de Vader is meer dan ik.

Zij waren samen op de Pinksterdag, vertelt ons Handelingen 2. Toen kwam daar onverwachts een geruis als van een hevige storm. En er vertoonden zich vurige tongen, die zich op elk van hen nederlieten. Van heilige geest vervuld, begonnen toen de door hun meester verlaten discipelen in andere talen te spreken. Zo verstond elke vreemde, die er bij was, hun boodschap: zij verkondigden Gods grote werken.

E. Burnand

Petrus en Johannes op weg naar het graf

Maar wie zich hielden aan het gewone, de ~normale” mensen, zagen in deze plotselinge vurige geestdrift, in die gave der verstaanbaarheid slechts dronkenschap. Waarschijnlijk behoren wij tot die laatste groep. Zo wij al na zoveel eeuwen het verwijt omtrent de zoete wijn niet durven herhalen, wij vragen toch: vanwaar dit onverwachte? Het Johannes-evangelie toont een schakel door midden in de droeve dagen voor Pasen Jezus de troostende belofte van een Helper in de mond te geven; Burnand een tweede in het verlangen, dat door die belofte is gewekt. Op zijn plaat zien wij Petrus en Johannes. Zij hebben een vreemd gerucht vernomen: het

graf van den meester zou leeg zijn. Daar snellen ze voort, Johannes ademloos. Petrus de hand op het kloppende hart. Wat betekent dit? Gebeuren er inderdaad wonderen? Komt de Helper nu? Heeft Jezus zich over hen, eenzamen, ontfermd?

Het Pinkstergebeuren is voor ons alleen te verstaan tegen die achtergrond van belofte en verlangen. Het brandbare materiaal was aanwezig. .. Maar dat het hemelvuur insloeg blijft wonderlijk als het leven zelf. Mensen maken het nieuwe niet. Ook de discipelen konden niet precies van tevoren berekenen hoe het zijn zou. Zij hadden niet gedroomd van drieduizend zielen, die zij op die ene Pinksterdag zouden winnen (Hand. 2 : 41 e.v.), niet van het onderricht, dat daardoor noodzakelijk werd of van de nieuwe gemeenschap, waar zij hun spijs zouden nuttigen „in vreugde en eenvoud des harten”.

En dat zij in gunst bij het gehele volk zouden staan, was voor de volgelingen van den smadelijk gekruisigde zeker een grote verrassing, misschien een nooit voorziene beproeving. Toch vingen zij al dit nieuwe op, en toen de anderen Petrus vroegen: Wat moeten wij doen? Toen was de man die Jezus verloochend had, in zijn grote verlangen gerijpt tot dengene die zo maar van de ene dag op de andere een werkelijke gemeente kon stichten. Wij behoeven ons hier niet af te vragen voor hoeveel procent het verhaal historie is of zijn kan; belangrijker is het percentage eeuwige waarheid dat er in schuilt. Waarheid, waaraan ook wij nog deel kunnen hebben?

Is er in ons ook het verlangen dat ons ontvankelijk maakt voor het wonder? Als in de dagen voor Pinkster overal het pijpkruid schuimt en er is een altijd weer vergeten geur in de lucht, als de avondzon weer door het lichte groen schijnt, dan zijn wij misschien bereid om van verlangen te zingen: Geest des Heren, kom van boven —. Maar is het een verlangen dat ons omvormt, dat ons klaar maakt voor een nieuwe werkelijkheid?

Het is er zo wonderlijk mee gesteld. Wie hongert en dorst naar heel alledaagse, maar heel nodige verzadiging, wie hunkert naar wat menselijke hartelijkheid of naar een van de vele goederen, die het ieven begeerlijk maken, zij allen weten er van. Zij allen schijnen ook vatbaar voor een wijder verlangen.

Maar we weten helaas ook al te goed, hoe dat wijdere verlangen dooft, als in het persoonlijk leven een zeker evenwicht komt. De verzadigden, de welvarenden, de gelukkigen, kennen zij nog de brandende bede om de Geest des Heren? Kunnen wij verlangend blijven wanneer het leven ons verwent? Wel heel zelden.

En toch heeft elk mens deel aan de hunkering der mensheid, toch moet hij er deel aan hebben, zoals hij deel heeft aan haar geesteloosheid. „Redt u toch uit dit kromme geslacht”, vermaant Petrus, maar zolang er een ~krom geslacht” is, bestaat het verlangen. Een verlangen dat enkele mensenlevens geheel beheerst. Men telle eens in het werk van mevrouw Holst hoe vaak er sprake is van hongeren en hunkeren, van dorsten en verlangen.

Ook in het Barchemwerk is sprake van een oprecht verlangen naar God. En wij menen zo vlot, daaraan deel te mogen hebben; er wordt zo weinig gevraagd, alleen maar dat éne. Maar is onze slappe overtuiging van nietatheïsten nu werkelijk oprecht verlangen naar God? Verlangen wij zó als Petrus en Johannes hierboven? Laat het verlangen ons geen rust? Is het de motor van ons leven? Deze vragen ontwijken wij liefst.

Oprecht verlangen naar God. Wat houdt dat in? Het is misschien allereerst het verlangen naar de Grond, naar wat vast en waar, naar wat het eigenlijke is. Een verlangen dat alle leugen en schijn en oppervlakkigheid uitbrandt: Schep mij, o God, een rein hart. Het verlangen naar het diepste wil het persoonlijk leven zuiveren, maar het drijft ook naar de zuivering van menselijke verhoudingen.

Zo is het verlangen naar God tegelijk het verlangen naar een door zijn Geest vernieuwd leven, naar een door zijn Geest vernieuwde wereld. Het is het Pinksterverlangen naar de Heilige Geest, dat ook werkt waar mensen de Grodsnaam vermijden, maar waar zij het nieuwe, het betere verbeiden en tegemoet gaan zoals deze beide apostelen.

Misschien moeten wij, voor wij bidden mogen om de heiliging van het Pinkstervuur, eerst leren bidden om het vurige verlangen er naar. Wij hebben te bidden dat alle persoonlijke vrede, elk persoonlijk geluk ons verlangen naar vrede en geluk voor „dit kromme geslacht” doet toenemen, inplaats van het te stillen. Wij hebben te bidden, dat elk verlangen naar de kleine geschenken des levens zich verdiepe tot de grote hunkering.

Pinkster is een geweldige belofte, zelfs nog voor deze wereld van 1939. Een „oprecht verlangen naar God” zou het antwoord zijn, dat ook nu een wonder mogelijk maakt.

F. KALMA—KOOPS

Uit de wereld van het boek

Aldous Huxley: Ideaal en werkelijkheid; onze idealen van mens en maatschappij en de wegen tot hun verwerkelijking. Geautoriseerde vertaling van Mr. Jan van Reeuwijk. Amsterdam, Uitg. Contact 1939 224 blz. Geb. ƒ3.90.

Toen dit boek in 1937 in Engeland verscheen (Ends and Means) heeft het heel wat opzien en beroering verwekt; zo’n boek had men van Huxley, dien men als romanschrijver kende, en die een modern vitalistische levensbeschouwing scheen te huldigen, allerminst verwacht. Hier spreekt hij over sociale en politieke problemen niet slechts boeiend en origineel, maar vooral op grond van een levensovertuiging, die men niet bij hem had vermoed: een vrij-religieus universeel humanisme, dat veel overeenkomst vertoont met het in ons land door Bart de Ligt verkondigde.

Uitgaande van deze overtuiging onderzoekt Huxley nu de tegenwoordige maatschappij maar vooral de hervormingspogingen van allerlei aard. „Een goed doel kan slechts bereikt worden door het bezigen van goede middelen. Het doel kan de middelen niet heiligen om de eenvoudige en klemmende reden, dat de gebezigde middelen het wezen van het te bereiken doel bepalen.” De eerste 12 hoofdstukken bieden naar de schrijver zelf zegt, „een soort practisch kookboek voor hervormingen”. Dat lijkt mij een wat stoute bewering er worden wèl enkele zeer belangrijke vraagstukken kritisch onderzocht, en oplossingen aan de aanvaarde beginselen getoetst. De drie laatste hoofdstukken behandelen de wijsgerige en religieuze inzichten van den schrijver wat nader.

Al met al; een zeer leesbaar, tot nadenken sterk prikkelend boek. Het wil niet óf aanvaard óf verworpen worden, het wil dwingen tot bezinning: hoe kunnen vrijheid, persoonlijkheid, gerechtigheid gered worden in onze gebonden, onpersoonlijke vermilitariseerde werkelijkheid. Het worde door socialisten vooral ter harte genomen! Hier is „onafhankelijkheid van geest” op z’n best!