is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 36, 03-06-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan God behoort de aarde en haarvolheid. Psalm24:l

Tijd en Taak

ZATERDAG 3 JUNI 1939 – No. 36 37STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 37STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

STRIJDEN-LIJDEN

Het bericht, dat Ernst Teller in wan= hoop een einde maakte aan zijn leven de hoeveelste, die de terreur niet verdroeg en boven de ont? worsteling de vrijwillige dood verkoos? laat mij, ook nu de eerste schok voorbij is, nog niet los, en ik blijf er over doorpeinzen. Niet zozeer over wat zich innerlijk in dezen toch zo dapperen, vurigen apostel van een universeel socialisme afspeelde wat weten wij daarvan? en wat zegt zo’n enkel woord: diepe depressie? Maar de vraag, die in mij opkomt, heeft eigenlijk met de figuur Toller niet meer te maken, is een vraag van algemene aard. Wij socialis? ten hebben ons leven gesteld in het teken van de strijd, en laat ons het nemen in zo zuiver mogelijke zin: de strijd om gerechtigheid, menselijkheid, vrijheid; en wij spreken van de zin des levens, 'die vervuld wordt in de strijd, Maar 'nu worden door de rampzalige kentering der tijden talrijke van onze nobelste strijders neergeslagen en uit? geschakeld; zij slijten hun leven in de barre woestenijen van de concentratie? kampen of in de bittere verlatenheid der emigratie, waar zij toch geen wortel meer kunnen schieten, waar zij hun volk en de makkers in dat volk verloren, Voor de werkelijke strijd zijn zij althans voor een groot deel uitgeschakeld (ondanks emigrantentijdschriften enz.), Dieper dan in de strijd en de vrijheid mogelijk is, lijden zij aan het onrecht, de wreedheid en onmenselijkheid van de tijd. Herinnert men zich nog het woord van Albert Verwey over ~het lijden aan de tijd”? Ziedaar de vraag, die mij blijft bezig houden: heeft, als de strijd niet meer mogelijk is, het lijden aan de tijd, het volhouden in dit lijden, óók zijn zin? Want als deze vraag ont? kennend beantwoord moet worden, blijft dan een andere weg open dan zelfmoord?

Nu zal men, naar ik hoop, wanneer ik

een enkele gedachte daarover ga stame= len, geen critiek op Toller’s daad in mijn woorden vinden; het komt ons, die het zo ontzaglijk veel gemakkelijker hebhen, niet toe om te oordelen. Het enige wat ons past, is in een smartelijk be? sefte solidariteit?in?zwakheid?en?schuld bidden voor dezen makker, die be? zweek

Het ligt misschien over het algemeen in onze Westerse aard, maar stellig ook aan ons socialist?zijn, dat wij zo over? wegende betekenis toekennen aan de strijd. Levensmoed, geestkracht, besef van verantwoordelijkheid voor geestes? waarde zij zijn voor ons direct be? lichaamd in de houding van strijd. In het Christendom leeft deze houding evenzeer: de kerk heet op aarde de strijdende, en zonder haar zal er van een vervulling, een laatste overwinning geen sprake kunnen zijn. Als ik nu in de eerste plaats naar binnen zie (óók bij mijzelf) en vraag naar motieven en innerlijke krachten in levende strijders, zie ik dan niet ook dit: dat de strijd ons zozeer kan verengen, dat de levende waarheid er door wordt geschonden?, dat de strijder wordt tot de fanaticus, die niets anders ziet dan zijn zaak, zijn beginsel, zijn geloof, zijn partij of kerk, die zijn stukje waarheid gelijk stelt met de eeuwige waarheid? Leeft er achter het fanatisme niet een zeer sterke vrees? De vrees, dat de wereld verloren is, wanneer wij onze vijanden niet neer? slaan?, de vrees, dat het leven zijn zin verliezen zal, wanneer wij worden teruggedrongen? Er is een moed, die uit angst en vrees voortkomt dat hebben alle oorlogen en revoluties duidelijk laten zien. Zeker, levensmoed en geest? kracht kunnen bezielen tot strijd maar niet alle strijdbaarheid komt voort uit moed. Zijn het niet juist de fana? tieke strijders, die met hun leven, ook en vooral met hun zieleleven, volkomen

op dood spoor komen, wanneer hün strijd niet slaagt?

Wat in deze dingen echter belang? rijker is, lijkt mij de waarheid, dat levensmoed en geestkracht niet gebon? den zijn aan de strijdhouding, dat zij óók kunnen bezielen tot het lijden. In onze tijd weet ik geen figuur, die dat sterker en schoner belichaamt dan Gandhi. Zijn „ahimsa ?beginsel, zijn volstrekt vertrouwen in de kracht van de geest, heeft stellig tot een massale strijdbaarheid geïnspireerd het is waarlijk geen kleinigheid, misschien zelfs hèt grote wonder van het Oosten der twintigste eeuw, dat Gandhi het millioenenvolk van India tot politieke en geestelijke bewustheid wekte. Maar wezenlijk is aan dat beginsel ook, dat het doet lijden, het lijden doet vol? houden in een vast geloof, dat het lijden een poort is tot het leven. Die over? tuiging zit achter Gandhi’s herhaald vasten. Die overtuiging bezielt ook tot het voortdurend en hartstochtelijk zoeken naar methoden, die het geweld overwinnen. Men zegge niet, dat deze levenshouding alleen maar Oosters is zij ligt principieel ook in het Evangelie besloten: de tarwekorrel moet in de aarde vallen en vergaan, opdat het koren kan opschieten. Terwijl de lijdende Christus, Christus aan het Kruis, ook nog tot het Evangelie be? hoort

Is dit niet een prediking, uit de eeuwige waarheid gesproten: gij kunt mij slaan, gij kunt mij doden, gij kunt mijn zaak doen mislukken en zijn dienaren verstrooien maar tegen Gods geest vermoogt gij niets. Strijders kunnen deze geest dienen. Maar niet minder zij, die weten van het lijden, zelfs als zij vallen en het niet meer dragen kunnen. Toller eindigde in nacht en dood maar zijn leven heeft de dag en de waarachtige vrijheid gediend.

W. B.