is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 37, 10-06-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaarwel, Van der Goes

Nu is hij ook heengegaan, en zij, die dit schrijft, blijft als de laatste achter van de „Nieuwe Tijd”-groep in engere zin, de kleine groep die met zoveel élan, kennis en geestdrift, met meedogenloze scherpte en felheid vaak, maar toch altijd loyaal tegenover de partij, tussen 1899 en 1914 de strijd voerde voor het zuivere marxisme.

Welk een geluk vonden wij in die strijd! In Van der Goes sterft opnieuw de „zekerheid van het socialisme”, zoals zij voor de jongere geslachten van socialisten, tenzij zij de ogen sluiten voor vele maatschappelijke èn psychische feiten, niet meer kan bestaan. In Van der Goes sterft het vertrouwen, dat Marx maatschappelijke strekkingen had ontdekt, die de gehele sociale ontwikkeling beheersten. In hem sterft de blijde overtuiging, dat die ontwikkeling, van af de vroegste tijden tot heden, móest voeren tot de socialistische gemeenschap en het heerlijke geloof dat de strijd der arbeidersklasse tegen de neerdrukkende tendenties van het kapitalisme in de strijd voor het socialisme móest uitmonden.

Landauer noemt elke grote idee, die de strijders bezielt in tijdperken van vurige strijd voor nieuwe sociale en geestelijke waarden, een „edele waan”. Terecht, naar mij voorkomt, in zoverre hij daarmee bedoelt dat zulk een idee zowel altijd hoog-uit staat boven de lagere werkelijkheid, als vele facetten daarvan moet verwaarlozen. Zulke een „edele waan” was het marxisme, niet als interpretatie der geschiedenis, maar als leer en overtuiging, als relegie zou ik haast zeggen. En hier, in dit kleine land maar dat tevens een imperialistische mogendheid is met zijn sterke klein-burgerlijke inslag en vaak bekrompen verhoudingen, met zijn oude taaie ideologieën, waar het marxisme zou moeizaam tegen op tornde, heeft het gedurende enige jaren een bloei gekend, als in geen ander land van West-Europa. „Op de Russen en de Hollanders vertrouw ik in de eerste plaats voor de strijd tegen het revisionisme” sprak Kautsky, toén de onbetwiste leider van alle marxisten, in volle ernst.

Onder hen, die in die strijd vooraan stonden was Van der Ooes. En hij heeft die strijd voof de Marxistische leer gevoerd tegen alle nieuwe socialistische strekkingen en ontaardingen van de laatste 40 jaar, gevoerd met altijd blanke wapenen —• van hoevele strijders op het gebied der politiek kan men dit zeggen? en met onbezweken moed, zolang hij kon strijden, dat is spreken en schrijven.

Men behoeft niet op de barrikade of in het straatgevecht te vallen om een held te zijn.

Van der Ooes is een held geweest van het moderne socialisme.

Zijn geloof in het socialisme was zo absoluut.

KRITISCHE KRONIEK

Albert Verwey: „Oorspronkelijk Dichtwerk”, Querido, Amsterdam, en Mees, Santpoort, 1938.

Ruim twee jaar geleden stierf Albert Verwey, terwijl hij op een nieuw hoogtepunt was van een haast onvoorziens gegroeide erkenning; en wat bij mijn weten nog geen andere dichter dan Vondel is ten deel gevallen, gewerd hem: met regeringssteun kon de volledige uitgave verschijnen van al zijn oorspronkelijke gedichten. Het eerste Verweymonument, en voorgoed het enige dat de dichter werkelijk eert, zelfs indien het door de volledigheid tevens het materiaal verschaft, dat ons dwingt de bewondering critisch te beperken.

Want inderdaad wordt thans bevestigd, wat men reeds uit de overigens tegenstrijdige oordelen der vele critici als algemeen inzicht voelde groeien: bewondering voor het werk van jeugd en ouderdom, afwijzing van het meeste uit de middelbare jaren, en niettemin aanvaarding van de onverbrekelijke eenheid, die alle uitingen omvat. Verwey heeft kennelijk in zijn jeugd gevoelselementen bezeten, die hem helaas ontglipt zijn bij het volwassenworden; en hoeveel innerlijke rijkdom hij ook won in jaren van studie en overpeinzing, het stromende geluk, de zingende zintuiglijke ontroering verdween, zo al niet in hèm dan toch in zijn poëzie, terwijl slechts zelden de nieuwe vastheid uiting vond in de strakke contouren van een overtuigend en indrukwekkend gedicht. Eerst in de laatste periode doorklinkt opnieuw een onmiskenbaar eigen toon de vele verzen, en laat geen twijfel aan de grootheid van dit dichterschap.

Verwey zelf heeft, speciaal in het middentijdvak van zijn leven, met nadruk de afzondelijke verzen beschouwd willen zien als onderdelen van een groter verband, en zelfs de afzonderlijke bundels als onderdelen van een organisch groeiend geheel. Te menen, dat deze totaliteit niet anders zou wezen dan de weerspiegeling van de zich ontwikkelende persoonlijkheid Verwey, doet onrecht aan de bedoeling van des dichters opvatting al benadert het niettemin voor mij de werkelijkheid het best. In de mening van Verwey, die zich een dichterlijk middelaar achtte tussen de Idee en de mensen, zie ik een merkwaardige zelf-suggestie, waaraan iedere objectieve grond ontbreekt, al verliest deze mening daarmee natuurlijk haar subjectieve waarde (voor Verwey!) wel allerminst.

De Idee, zoals die steeds weer door Verwey werd beleden, is noch een redelijke gedachte noch een gesystematiseerde wereld- en levensbeschouwing; het was een religieus-wijsgerige kracht, die o.a. aan Plato en aan Spinoza, maar ook aan het Christendom van Verwey’s jeugd z’n inhoud en voorstelling had ontleend: een vage, onvoorstelbare, ongrijpbare en onbegrijpbare kracht, die men althans enigermate benadert met eveneens vage termen als: kosmisch bewustzijn, Al-geest, of wereldziel. Naar het mij voorkomt, blijkt uit de harde, betogende, verstandelijke taal van de gedichten uit de gehele middenperiode, hoezeer Verwey’s geloof van de Idee in wezen toch een verworven, ik zou zelfs willen zeggen: aangeleerde overtuiging was, die geen wortels had in de oergronden van zijn persoonlijkheid, zoals deze was gevormd door zijn jeugd.

Bij vrijwel alle dichters blijkt de jeugd de duurzame bron van inspiratie, niet in die zin, dat er eindeloos nieuwe gedichten over die voorbije gebeurtenissen en herdachte feitelijkheden zouden ontstaan, maar wel zó, dat

dat ook de troosteloze werkelijkheid van deze dagen het niet aantastte en zijn levensavond niet vermocht te verduisteren. Op hem is het woord ten volle van toepassing: „die geloven haasten niet”.

Zijn dood is niet licht geweest. Maar Goddank, niet eenzaam. Met de trouwe liefde van zijn vrouw en kinderen, heeft óók „de liefde die kameraadschap heet” bij zijn sterfbed tot het laatste toe de wacht gehouden.

H. ROLAND HOLST.

de vroegste ervaringen een onuitputtelijke bron van beeldspraak en vergelijking verschaffen, waardoor telkens weer de ontroerde mens zich zingende weet te manifesteren door de ontroerende innigheid van onvervreembare liefde en vertrouwen.

Het dichterschap van de Idee vindt men merkwaardig beleden in de bundel Het Blank Heelal, die van 1908 dateert.

„Gij weet wel, kind, dat ik in vroegre dagen Zoveel verwachtte van mijn groot verstand, Of van de gaven, die diep in mij lagen Of van ’t vermogen van mijn zachte hand,

En ’k zeg u dit: ik had mij niet bedrogen, Mijn mensegeest doorzag ’t aanschouwd heelal, En wonderbaar werd door mijn droom bewogen Wie ’t oor ontsloot voor zang en woordenval,

En ik genoot me en juichte en zag mijn

[krachten.

Totdat ik voelde hoe aan hogen boom, Een blad, ik hing en schreef in de aardse [nachten, In ’t zand de tekens van eens grootren droom.”

Merkwaardig noem ik dit vers allereerst, omdat eruit blijkt, hoezeer voor Verwey de erkenning van deze bovenpersoonlijke Idee het karakter heeft gedragen van een bekering: de overgang van individuele trots naar een deemoedig kosmisch gevoel. Maar óók is dit vers merkwaardig, omdat nóch de deemoed nóch het gevoel werkelijk tot ons spreekt: wie de laatste regels aandachtig leest en herleest, vindt daarin wel een zakelijke mededeling, maar het verwarde, onaanvaardbare, rhetorische van het gekozen beeld maakt iedere werkelijke in druk onmogelijk: een blad, dat aan een hoge boom hangt en niettemin in het zand schrijft en dat nog wel in de nacht.

Ook uit talloze andere verzen zou eenzelfde conclusie zijn te trekken: voor Verwey is het kosmisch afhankelijkheidsgevoel allerminst verterend mystiek geweest, maar vast en rustgevend: een overtuiging, die stellig geheel paste bij zijn evenwichtige, HoUands-burgerlijke aard. Ook het karakter van zijn dichterschap wordt hierdoor bepaald: de romantische drift van juichen en klagen, de uitersten van zelfvergoddelijkende zaligheid of zelfvervloekende wanhoop en walging zijn hem vreemd gebleven hij is zich voortdurende zijn waarde bev/ust en voelt zich daar wèl bij', en daarom is, na de experimenten van zijn jeugd, het gelijkmatige, metrisch-kalmé, strofische gedicht zijn veilige vorm. Zodra die vorm wordt losgelaten, dringt zich onwillekeurig het gevoel op, van te maken te hebben met een kunstvaardig werkstuk. Maar ook de éénvormige strofe bezit nog, behalve de winst van een krachtige steun, het gevaar van een schematische verstarring.

De afwezigheid van het enjambement, de erkenning dus van de regellengte als eenheid, duidt aan, welk een onverstoorbare zelfbeheersing Verwey jarenlang heeft gehad; in technisch opzicht evenzeer als in geestelijke sfeer en gevoelsinhoud is dit werk direct verwant met de gedichten van de geëerde en beminde koopman-dichter-criticus Potgieter, wiens betekenis zich niet laat ontkennen, maar die uitsluitend dwingt tot een gereserveerde bewondering, nimmer bezielt tot een hartstochtelijke liefde.

Eerst de wending in onze westerse beschaving, de neerwaartse wending helaas, die men met het jaartal 1930 vrij scherp kan bepalen, heeft de verstarring in Verwey doorbroken; het heeft hem van zijn boeken weggeroepen naar de mensen; het heeft hem van een wel steeds beleden humanisme gebracht tot een doorleefd humanisme. Zo is zijn strijdbaar dichterschap, dat vroeger steeds betekende: strijdbaar terwille van de poëzie, gewijzigd in een poëtische strijd voor algemeen-menselijke waarden. En deze ommekeer, zowel in de wereld als in Verwey, heeft de dichter opnieuw een groter publiek, als ook het publiek een vernieuwde dichter verschaft. Maar juist de gloed van de latere verzen doet te duidelijker de koele, zo niet kille knapheid der middelbare jaren in het oog springen: de dankbare erkenning om de schoonheid van de ouderdom doet de critiek op wat eraan vooraf ging niet te niet. G. STUIVELING.