is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 38, 17-06-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rust en onrust van het geloof

Wij zijn gewend, eerder te spreken van de rust, dan van de onrust van het geloof. Daarin ligt echter het gevaar, dat wij het geloof allereerst zien als een vers vulling van onze eigen verwachtingen, ■en dat wij over het hoofd zien het eles ment van spanning en strijd, dat elk geloof in zich bergt.

Want wij ontmoeten in het geloof een andere werkelijkheid, die recht op ons heeft en een eis stelt aan ons leven. Met vreugde kunnen wij de opdracht erkens nen, die aan ons wordt gesteld; maar evenzeer kan er zijn een gevoel van ons macht tengevolge van eigen kleinheid. Onrust brengt het geloof allereerst over onszelf. Toen aan Masaryk aan het eind van de wereldoorlog, nog tijdens zijn bes sprekingen in Amerika, gemeld werd dat hij verkozen was tot presidentsbevrijder van de nieuwe Tsjechische Republiek, vroeg iemand aan hem, of hij nu blij was. Doch Masaryk antwoordde: „Ik weet het niet.... niemand van ons mag tegenvallen, dat is wat ik voel.”

Hoe dikwijls hebben wij niet allen bes sefd, als iets groots van ons gevraagd werd, dat het gevaar, dat wij zouden tegenvallen, niet gering was. Ook de grootste gelovigen zijn telkens weer aans gegrepen door de angst, dat zij ten ops zichte van de roeping, aan hun leven gesteld, zouden tekort schieten. Het geloof brengt ook onrust over en

strijd met anderen. Wanneer onze liefde tot andere mensen hen alleen wil sparen en toegevend wil zijn, zien wij den ander niet in het licht van de opdracht, die God aan hem stelt. Wij moeten bereid zijn, de strijd terwille van wat ons heilig is te stellen boven een gemakkelijke rust, waarin wij elkander vooral geen aanstoot willen geven en met ieder de vrede bewaren.

En dan brengt het geloof ons onrust over de wereld, waarin wij staan. Wie, die zijn hart niet afsluit voor het eeuwige, kan daar in onze tijd aan ont? komen? Er is nog steeds een oorlog in het verre Oosten en ook op veel plaats sen, waar zogenaamd vrede is, bestaat een voortdurend dreigende angst voor vervolging en wreedheid. Het lijkt soms wel, alsof men wat meer gewend raakt aan het feit, dat onze wereld al deze ellende in zieh bergt. Zo wordt er in eigen land ook missehien langzamerhand minder gedaeht over het leed van de werkloosheid en de zorg, waarin velen verkeren. Maar wie bedenkt, dat men in de gezinnen, die hierdoor getroffen wors den, er nooit aan went, maar het steeds zwaarder krijgt, die kan zich ook aan deze nood niet onttrekken.

De prediking van het Evangelie heeft altijd en overal iets van deze onrust ges bracht. Het vraagt aandacht voor dat, waar men liever niet over spreekt of aan

denkt in onze wereld: de armoede, het onrecht; en het wendt zich vóór alles tot de mensen, die gehavend zijn door leed en schuld. Het stoot de vaste omheining van onze kleinsmenselijke braafheid oms ver en doet ons allen zonder onders scheid heseffen, hoe klein en hoe onzuis ver ons leven is en hoeveel er ontbreekt in onze wereld, gemeten met de staf van de heilige liefde, die daar tot ons komt.

Het Evangelie doet ons echter ook be* seffen, hoe onontkoombaar het heilige tegenover ons staat, en daarmee groeit ons hesef van vastheid. „Gij heht ons gemaakt”, zegt Augustinus, „met een drang naar U, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” En hij voegt er op een andere plaats aan toe: „Ook behoeven wij niet te vrezen, dat wij na het verzaakt te hebben, er niet weer toe zouden wederkeren. Want ofschoon wij het verlieten, toch bleef ons Vaderhuis in stand, hetwelk Gijzelf, de Eeuwige, zijt.”

De bron van ons vertrouwen, dat de onrust overwint, ligt niet in de verwacht ting, dat wij ook zover komen dat wij niet meer kunnen tegenvallen. Die ligt in de zekerheid van het eeuwig wach# tend Vaderhuis.

Onrust bergt elk geloof in zich, en wij mogen die niet ontlopen. Maar het weet ook van rust, die achter alle strijd en twijfel ons deel kan blijven: de rust in God.

W. S. WIARDI BECKMAN.

Echternach's heilige

(II)

Springend trekt de processie door Echternach's straten

Pinkster-Dinsdag. De springprocessie trekt door Echternach. Éérst een lange stoet mannen, die met gewone tred zich voortbewegen, voorafgegaan door vele hoge geestelijken. Eentonig zingen zij hun litaniën, tot zover is alles doodgewoon. Maar dan klinkt eensklaps schetterende blaasmuziek: een soort polka-deun, een steeds weer herhaalde en steeds weer dezelfde dansmelodie. Jongens en mannen in overhemden lopen dansend achter de blazers. Zij houden elkaar met zakdoeken aan de handen vast. Twee, drie passen voorwaarts; een, twee passen achterwaarts; zo vorderen zij langzaam.

Weer blaasmuziek en wéér. Zij spelen soms dwars tegen elkaar in, de muziekcorpsen: maar de melodie is altijd weer dezelfde, zij herinnert aan het liedje van de Zilveren Vloot, zij herinnert aan oude danswijsjes uit grootmoeders tijd, zij is ... allerminst van reUgieuze aard en structuur. Maar wél zuiver godsdienstig is de aandrift en de intentie dergenen, die op die melodie de straatjes van het oude stadje van den heiligen WUlibrord dóórtrekken en dóórdansen. Niet anders dan uit religieuze extase is het uithoudingsvermogen te verklaren, waarmee een stokoude vrouw bij elke stap haar lichaam omhoogrekt en op en neer deint en zo zeer wordt zij meegevoerd door het dwingende rythme, dat zij zelfs nog doordanst als de muziek zwijgt. In het gewone leven zal zij waarschijnlijk niet zonder veel zuchten en

steunen een paar traptreden opklimmen. Meer dan een uur lang trekt de stoet voorbij. De mensen, die er in mee dansen, zijn merendeels arm en lelijk en onverzorgd van lichaam en kledij. ZieUge zwoegers in het dagelijkse leven, met geen wijdere gezichtskring dan die welke hun dagelijkse zorgen bestrijkt. Een „domgehouden massa” zouden wij vroeger gezegd hebben en misschien is dat ook wel inderddad het geval. En hoeveel kermelijk achterlijken en gedegenereerden lopen er onder die dansers, gesproten uit een milieu, waarin nog maar weinig moderne sociale zorg en voorzorg doorgedrongen is. Zulk een schare moet het geweest zijn, die Christus aanzag en toen hij haar aanzag werd hij „met innerlijke ontferming bewogen”

De oorsprong van de spring-processie van Echternach ligt in een ver en duister verleden. Er zijn tal van legendes om geweven. Los daarvan: wat is de ware oorsprong? Men spreekt van magische bezwering van de St. Vitusdans, men spreekt van overname van oude heidense dansgebruiken. Hoe dat zij, de processie heeft zich de eeuwen door gehandhaafd, al verbood in 1777 de aartsbisschop van Trier het dansen en muciseren, al verbood in 1786 keizer Joseph II de processie geheel, al verplaatste haar koning WUlem I in 1819 ook naar de Zondag. Zij handhaafde zich trots al die verboden. En zo dansten de Luxemburgers ook dit jaar op Pinkster-Dinsdag hun heilige dans, dodelijk vermoeid en toch: onvermoeid. Middeleeuwen, die voortduurden tot in het heden.

En de nadenkelijke protestant uit het Noorden voelt zicht vreemdeling. JOHAN WINKLER.

Bericht:

Wij verzoeken de medewerkers aan „Tijd en Taak” en de secretarissen der R.S.G. al hun copie tot en met Maandag 26 Juni te willen toezenden aan mevr. I. Donker—Rutgers, 73 Groenburgwal, Amsterdam C.