is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 40, 01-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Japans handelsaccoord, juist nu de Japanse oorlogseconomie hoe langer hoe benarder wordt, voorspelt niet veel goeds. En ook de Russische hulpbronnen zijn niet onuitputtelijk.

BUITENLANDSE KRONIEK

De geest van Dsjenghiz-khan

Begin dezer maand heeft zich in het Verre Oosten een plechtigheid voorgedaan, die ons westerlingen wel met stomme verbazing moet vervullen. De 9e Juni werd in de Mongoolse stad Jikingholor, in tegenwoordigheid van verschillende autoriteiten der Chinese volksregering, eerbiedig het graf geopend van den wreedsten vreemden geweldenaar, die ooit over China heeft geheerst. Met de grootste zorgvuldigheid heeft men de as van Dsjenghizkhan van zijn eeuwenoude rustplaats overgebracht naar een geheim oord in Noord-west China, waar de Chinese republikeinen dit stoffelijk overschot zullen behoeden tot het uur, waarop hun land van de Japanners zal zijn bevrijd.

Een „vreemde daad van piëteit”, noemt de Manchester Guardian dit, zeven eeuwen na zijn dood aan den man bewezen, die als een gesel Gods niet alleen de Chinese aarde, maar ook grote delen van Voor-Azië en Europa heeft geteisterd met zijn meedogenloos geweld. Voordat zijn as in Jikingholor werd bijgezet, {n het jaar 1227, had Dsjenghiz-khan een gebied aan zich onderworpen, dat zich van de Stille Zuidzee tot het hart van Rusland en de grenzen van Indië en Syrië uitstrekte. Alle, ook moderne, pogingen ten spijt, is men er nimmer in geslaagd, de reputatie van dezen veroveraar een gunstig aanzien te verschaffen.

Waar de Mongolen verschijnen, zo leert ons het geschiedboek, treden zij als de vreselijkste verwoesters op, welke de geschiedenis na de Hunnen heeft gekend. Bij Dsjenghiz-khan’s laatste grote verovering, de inname van de Afghaanse stad Herat, werden van de honderdduizend inwoners nauwelijks veertig gespaard. Een enorme militaire despotie werd door dezen Mongoolsen vors opgericht, die alle onderworpen volken een hard slavenjuk oplegde. Deze Oosterse despoten spaarden alleen de godsdiensten der aan hen onderworpenen, omdat zij daarvoor totaal onverschillig waren. Zij bouwden voorts, als alle militaire despoten, vele bruggen en wegen. En zij bewerkten een sociale omwenteling doordat zij overal de heffe des volks, de meest gewetenloze elementen, ~ellendigen” en ~intriganten”, zoals een Chinese schrijver klaagt, als handlangers aan de macht hielpen.

Twee beschavingen, de een dodelijk, de ander voor lange tijd, heeft deze „Gog van het Heidendom”, zoals een Perzisch dichter hem zou noemen, getroffen: de Mohammedaanse en de Chinese. Desniettemin treft men tot op de huidige dag, in Perzië en zelfs in het republikeinse China een dweepzieke verering voor dezen ~vijand uit het noorden” aan.

In onze tijd vragen wij ons wel eens af, of het rijk van de Dsjenghiz-khans inderdaad tot zulk een ver verleden behoort en of de vrees voor Gog ons niet wederom dreigt in boeien te slaan.

Chinese afweer

De Japanse veroveraar is geen minder vreselijke gesel voor de Chinese aarde dan zijn Mongoolse voorganger. 'Waar de Japanse legers zijn voorbijgegaan, daar staat vrijwel geen woning meer overeind en is ook de akker spoedig tot wildernis verworden.

Een buitenlander, die voor de eerste maal na de Japanse „zuivering” een treinreis kon maken van Peking naar Sjanghai, kwam voorbij een traject van honderd mijlen (160 k.m.) waar geen huis meer te bekennen viel en geen vierkante meter grond was beploegd. Hij zag, aldus meldt de „Times", precies vijf menselijke wezens in een gebied, dat vroeger een welvarende landbouwstreek was geweest.

Daar waar de oorlog heeft gewoed, heersen ziekten, bandieten en overstromingen op een

wijze, als men zelfs in China nimmer heeft gekend. Cholera, malaria en syphilis zijn niet de enige elementen van de tros, die de veroveraars volgt. Zij brengen een massa maatschappelijk schuim mee of woelen dit aan de oppervlakte, dat zich als een parasiet hecht aan het lichaam van het Chinese volk. Georganiseerde gangster-benden treden op als bewaarders van het „gezag”, dat de Japanners over het Chinese volk willen verwerven. Zij verbinden zich met oude feodale elementen, zoals een deel der rijke landbezitters, die door alle eeuwen heen de Chinese boeren hebben uitgezogen. Evenals de Mongoolse terreur van Dsjenghiz-khan is ook de Japanse overheersing vaak aanleiding tot een verbasterde sociale omwenteling. Het uitvaagsel verbindt zich met den overweldiger. En zo breidt zich over dit wijde land een laag maatschappelijk bezinksel, steunend op en bijeengehouden door het metalen oorlogsgeweld, uit als een verstikkende lava-stroom. Dat is Japan’s „nieuwe orde” in Azië.

Het is bekend, hoe uit de eeuwenlang onbewogen en onbewegelijk voort-vegeterende Chinese millioenen-massa’s tegen deze overweldiging een verzet opkomt, opgewekt en georganiseerd door de leiders van de Chinese republiek. Niet alleen beschikt Tsjang Kai Sjek over een nimmer opdrogende stroom van recruten voor zijn nationale legers, ook in het bezette land wordt de worsteling tegen den overweldiger met grote verbetenheid voortgezet.

Het wil ons wel eens voorkomen, dat de berichten over de ondergrondse en vaak spontane afweeractie der Chinese massa’s legendarische vormen aannemen. Wij willen niet aan de onuitputtelijke energie en de doodsverachting van die Chinese republikeinen te kort doen, die hun vijanden tot in het hol van de leeuw achtervolgen en hun het leven onmogelijk maken. Ook maakt het op ons indruk, wanneer een schrijfster als Agnes Smedley in haar bijdragen aan de „Manchester Guardian" het geestelijke ontwaken weergeeft, de maatschappelijke en politieke bewustwording, waartoe ontelbare jonge Chinese boeren in deze gemeenschappelijke af weerstrijd tegen den indringer worden gewekt. Maar men moet toch op zijn hoede zijn voor illusies, die bittere ontgoocheling zouden kunnen teweegbrengen.

Deze strijd van guerilla-benden tegen de Japanners, deze Jnassale ondermijning van elke poging tot gezagsvestiging van den indringer, is allerminst geweldloos. En' zelfs al zal men er elementen van „vreedzame volksverdediging” in kunnen aantreffen, zo brengen ook deze ontzaglijke offers voor heden en toekomst van het Chinese volk mee: wie kan maar bij benadering de gevolgen schatten van het deels moedwillig breken van de dijken van de Gele Rivier in de zomer van het vorige jaar. Een internationaal hulp-comité verwacht daarvan nieuwe overstromingen, die minstens twaalf millioen mensen zullen verdrijven. En wie kan ook de zedelijke verwildering meten, welke een onafgebroken oorlog van man tegen man, met de middelen van verraad en met sluipmoord, tot gevolg moet hebben. Niet alle guerilla-benden staan onder invloed van het gemoderniseerde, vroeger communistische „Nieuwe 'Vierde Leger”, waarvan Agnes Smedley de lof zingt. Er zijn ook vrijscharen, die van roverbenden nauwelijks te onderscheiden zijn.

Maar waarvoor wij ook moeten vrezen, is de uiteindelijke doeltreffendheid van dit verzet. Laat ons niet uit het oog verliezen, dat de materiële middelen der Chinese republiek beperkt en voor een groot deel afhankelijk zijn van het buitenland. Wat dat buitenland in de toekomst zal doen, is niet zeker. Zelfs de tot dusver door Engeland tegen Japan aangenomen afvujzende houding is geen waarborg voor de toekomst. Een liquidatie van het Tientsinincident, bij voorbeeld door uitlevering van de door Japan opgeëiste vier Chinezen, zou waarschijnlijk een „München” voor het 'Verre Oosten aankondigen: het afsluiten van een Frans-

Er is op het ogenblik geen reden tot wanhopen aan het moreel der Chinese massa’s zelf. Maar of deze, alleen gelaten en eventueel tactvoller door de Japanners aangepakt, tenslotte tegen een jarenlange zenuwspanning bestand zullen blijken, weet niemand. Misschien zal zich eens het militaire element, dat thans onmiskenbaar deel uitmaakt van de Chinese wedergeboorte, maar met de hele traditie van dit oude volk in strijd is, na een teleurstelling in de oorlog, die thans zowel op het slagveld als in de hinderlaag wordt gevoerd, wreken en een onderwerping aan den sterkere vergemakkelijken. Dat zal niet het einde van de Chinese geschiedenis zijn, maar hoelang zal het duren, voordat dit volk dan opnieuw zijn kluisters zal kunnen verbreken?

Voorboden?

H et Verre Oosten is niet het enige gebied, waar wij de geest van Dsjenghiz-khan aan het werk zien en waar wij kunnen waarnemen, hoe er volken zijn, die aan een dreigende verslaving tot het uiterste weerstand bieden. De Tsjechen, de Slowaken, de Oostenrijkers, de Spanjaarden ook zij weten van een „vijand uit het noorden”, die hen als een gesel getroffen heeft.

Over het drama van de Spaanse worsteling heeft zich de sluier gelegd van de nederlaag: m.en kan slechts huiveren bij hetgeen men van de terreur gewaar wordt, wanneer slechts een tipje van het gordijn wordt opgelicht. Dat voor lange jaren van enig verzet, dat in Spanje misschien nimmer geweldloos kan zijn, gezien de hele psyche van dit volk, geen sprake zal zijn, is waarlijk geen te pessimistische voorspelling.

Anders zijn de berichten uit Oostenrijk. Hier treden symptomen op van een weerstand, die typisch in zijn vormen met de volksaard harmonieert. De mentaliteit, welke in de vooroorlogse „Schlamperei” (sloddervosserij) een overigens zeker niet prijzenswaardige uiting vond, keert thans terug in een zeker passief verzet tegen de tyrannieke overheersing. Het is een soort geestelijke sabotage, een eenvoudig niet ernstig nemen van de nazi-verordeningen, waartegen, zoals een berichtgever in een Zwitsers blad waarschijnlijk terecht opmerkt, de „nationaal-socialistische dynamie”, waarbij alles voor de volle honderd procent moet ~kloppen”, slecht bestand is. Het is tevens een herleving van de Oostenrijkse en Zuid-Duitse afkeer jegens de Pruisische „Schneidigkeit”.

Hij werkt praktisch uitsluitend negatief, deze passieve weerstand. Hij uit zich echter moreel zeer positief, wanneer arbeiders van Floridsdorf, bij een onderzoek door zwaarbewapende S.S.-lieden naar een geval van sabotage in een fabriek, zich als één man aanmelden als de ~schuldigen”. Hier lijdt de geest van het geweld een nederlaag, die een belofte inhoudt voor een betere toekomst.

Het is nog te vroeg, of wij bij de talrijke Tsjechische demonstraties tegen de Duitse overheersers reeds van een dergelijke morele weerstandskracht kunnen spreken. In vele gevallen kan men hierbij een soort overmoed opmerken, die tot misschien voor de toekomst vruchtbare legenden kan leiden, maar voor het heden ook zware teleurstellingen kan brengen.

■Wij volgen echter allen deze Tsjechische afweer-demonstraties met gespannen aandacht, evenals de symptomen van een aarzelende toenadering der Slowaken tot het eens gehate en smadelijk verraden Tsjechische broedervolk. In beide gevallen kan men spreken van tegenslagen voor het Duitse militarisme in de wereld-opinie. Dat zelfs de conservatieve ..Times” de machteloosheid van de Gestapo tegenover deze „collectieve passieve weerstand” in een hoofdartikel constateert, staat met een diplomatieke nederlaag van het Derde Rijk gelijk.

Wij zijn er ons van bewust, dat de geest van het geweld zijn middelen nog niet heeft uitgeput, ook tegenover het volk van Masarijk. Maar het is in deze dagen reeds een troost, wanneer aan de macht der Dsjenghiz-khans grenzen kunnen worden gesteld door een tegenkracht, die zelf niet in het geweld geworteld is. B. W. SCHAPER.