is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 40, 01-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EDEEK

Toen op een van de partijcongressen, van de S.D.A.P., zo luidt het verhaal, een bekende religieus-socialist voor zijn standpunt opkwam en daarbij een beroep deed op zedelijke eisen, klonk een vernietigend oordeel uit de vergadering. „Sta niet te preken”, riep er een.

Daarmee is weergegeven, welke voorstelling een grote groep on-, maar ook wel binnenkerkelijken heeft van de preek.

De preek, zo meent men, is zoiets als een redevoering, maar veel ongrijpbaarder en vaak veel vervelender. Er is geen repliek mogelijk op die woordenreeks, die blijkbaar vloeien uit een welwillend hart en oncontroleerbare bron. Een preek is niets voor mensen, die „in het leven staan”. En „op de begane grond blijven”. Verder heeft de preek als eigenaardigheid, dat zij altijd wat van ons wil. Bepreekt worden is grote mensen eigenlijk onwaardig, vinden velen. Het veronderstelt een gezagsverhouding, en een volwaardig mens laat zich nu eenmaal niets zeggen. Hij weet wel hoe hij leven moet, en hij laat het zich vooral niet duidelijk maken door een dominé, die veilig in zijn preekstoel staat en met zijn vaste tractement wel zoveel kan beweren. Het leven is toch heel anders, dan die heren beweren.

Tenslotte is de preek altijd ingebed in zo’n eigenaardige omgeving. Voor en na wordt er gezongen (En wat voor zingen!) en tussendoor is er nog een pauze, waarin de predikant rust krijgt en de schare weer mag zingen en offeren. Aan het begin en aan het eind wordt gebeden. Daarover zwijgen zü met eerbied. Daar mag je niet aan komen. Maar het is toch vervelend, dat te ondergaan.

Ziehier de voorstelling, die bij zeer velen leeft.

Ik zou iedereen, die van plan is naar de kerk te gaan, omdat lüj, na jarenlange onkerksheid, toch ’s deze of gene dominé wfl horen, aan wUlen raden, zich eerst op de hoogte te stellen van de bedoeling van de eredienst. Anders wordt het een ontstellende, ja, misschien levensbeslissende mislukking.

Wat is de 'bedoeling van de eredienst?

Want de preek is niet een op zichzelfstaande toespraak, maar onderdeel van de eredienst. De gemeente, die samenkomt, komt om een preek te „beluisteren”, zeggen vaak binnen- en buitenstaanders. Maar wie dat zeggen, weten niet waar het eigenlijk om gaan. De kerkgang is eredienst. Verondersteld wordt, dat op de Zondagmorgen mensen tesamen zijn, die nu tot God als gemeenschap willen bidden en zingen. De gemeente komt niet tesamen om iets te horen, maar om iets te doen. Om iets, onder leiding van den „voorganger”, te verrichten.

Al onderdeel van die verrichting (liturgie noemt men dat), komt de preek. De bedoeling van de preek is niet, dat de dominé zijn mening zegt, en nog minder dat hij de mening van de gemeente zegt, en ook niet dat hij, veiligheidshalve, helemaal niets zegt, maar dat hij het Evangelie verkondigt. Dat wil dit zeggen, dat hij de Bijbel leest, verklaart en toepast. Natuurlijk als modern mens. Met de

kennis van verleden en heden. Met de nood van het ogenblik.

En hij leest die Bijbel niet omdat de letters en de woorden allemaal waar zijn, maar omdat hij gelooft, dat nergens meer dan in de bijbelse wereld, die Jezus als middelpunt heeft, waarheid aangaande God tot hem komt. Daarom wil hij luisteren naar wat de Bijbel zegt. Niet als slaaf, ook niet als H.8.5.-jongen, die het beter weet, maar gewoon, als vrij, weetgierig, heilbegerig mens.

Hij zal spreken tot een gemeente. Dat is wat anders dan tot een vergadering. Tot een vergadering zegt men: Mijne hoorders. Want zij is samengekomen om iets van den spreker te horen. Tot de gemeente zegt men gemeenlijk: Broeders en zusters. Omdat de predikant zo onnozel is te menen, dat er zoveel broederlijke en zusterlijke gevoelens leven? Neen, maar omdat dit woord een verband uitdrukt, dat voorondersteld wordt. Waartoe allen zich moeten richten: zonder voorop te stellen, dat wij verbonden zijn, wordt alle preken alleen maar spreken, oreren, of wat dan ook. Zoals een man zijn gezin anders zal toespreken dan een visclub, zo zal de predikant zijn gemeente anders aanspreken dan de vergadering, die tot nut van het algemeen tesamen komt. Wat trouwens ook heel stichtelijk kan wezen.

Wie dus naar de kerk gaat, moet weten, dat dit de voorondersteUtngen zijn. Hij zal m de kerk geen bewijzen krijgen, dat God bestaat. Nog uitleggingen, waarom nu juist uit de Bijbel en niet uit een boek van Van Schelven iets wordt voorgelezen. Evenmin verklaringen voor allerlei termen, die hem zwaarwichtig, en in ieder geval onbegrijpelijk voorkomen. Hij zal in de kerk een eredienst bij wonen. Het zal hem afstoten. Het kan hem ook aantrekken en het verlangen doen ontstaan, zich te voegen in de kring van hen, die deze eredienst verrichten.

Moet men zich, omdat het een eredienst is (hoe stuntelig overigens, juist als eredienst), als niet-overtuigde verre houden? Neen. De eredienst is openbaar. Bovendien weet de predikant, dat ook vele „binnenstaanders” in wezen buitenstaanders zijn. Hij richt zijn woorden, zijn onderwerp, zijn handelingen ook daarop in, wat hem soms een gevoel van tweeslachtigheid geeft. De predikant weet tegoed, dat Zondag aan Zondag velen om de preek komen, en de rest van de schrale liturgie over zich heen laten gaan; recht gaan zitten en hun keel schrapen, als de preek begint om te luisteren naar wat hij nu weer uit zijn rijke fantasie of diep gemoed of fijne geest weet naar boven te toveren. Alle predikanten geven, ieder naar hun vermogen, daaraan toe. En als het erg „mooi” is, kan het de nieuweling treffen. Misschien wordt hij daardoor dan gebonden. De predikant, die ook altijd tevens een beetje zendeling is, hoopt dat, omdat hij weet, dat niet alleen iedere „gelovige” voor een stuk een „ongelovige” is, maar ook, dat iedere ,ongelovige”, die zijn weerstanden overwint en naar een kerkdienst komt, mogelijk voor een deel een „gelovige” is.

Daarom, lezer, die „geen gebruik, maakt van de preek”: ga er eens heen. Uit nieuwsgierigheid desnoods. Maar weest gewapend. Laat u niet afschrikken. Weet, dat het niet alleen om de preek gaat, maar vooral om dat andere. Vindt de vormen niet al te gauw dwaas of niet fraai genoeg, maar bedenk, dat het samenkomen als gemeente om God te eren althans een eerbiedwaardig doel is, ook al horen tot die gemeente vele lieden, die u meent te mogen minachten, want deze eredienst kan een diepe geestelijke verbondenheid scheppen. Dus: ga niet naar de preek, maar luister naar de preek in de eredienst.

Moge uw gang gezegend zijn!

L. H. RUITENBERG,