is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 41, 08-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij werkte in die tijd dan ook veel voor Duitse kerken, en uit de voormalige politie-beamtate van een afgelegen Pommers stadje groeide een groot en zeer oorspronkelijk kunstenaar.

In het Utrechtse Instituut vindt men van hem thans o.a. geëxposeerd de hierbij afgebeelde „Christus Expulsus”, een ontroerend voorbeeld van werkelijk kerkelijke kunst, dat men gaarne ook in onze Protestantse kerken weer terug zou zien.

Voorts staan er een Jeremia- en een Amoskop, de Kaïnfiguur in zijn diepe tragiek en een meer dan levensgrote profeet: een beeld van verguld gips, dat de eerste expositiezaal geheel beheerst.

Het ligt in de bedoeling, de verschillende beelden geplaatst te krijgen in grote kerken, om ze daardoor beter tot hun recht te laten komen. Zo is men reeds in onderhandeling met het kerkbestuur van de Domkerk.

Zij, die een collectie schone religieuze kunst willen zien, haasten zich dus! Behalve Grosz’ werk, ligt er ook een uitgelezen verzameling boekwerken op het gebied van de beeldhouwkunst ter inzage. I. DONKER—RUTGERS.

Ktassenstrijd

Ook in de Belgische partij zijn discussies over het verband tussen socialisme en klassenstrijd aan de orde. Men herinnere zich het zinnetje van Spaak: „ik geloof niet in den klassenstrijd.” In „Leiding” het Vlaams socialistisch tijdschrift onder redactie van Hendrik de Man —■ komt een artikel voor van den redacteur over deze kwestie, waarin hij o.a. betoogt, dat men de klassenstrijd als historisch feit kan erkennen, zonder tot socialisme te komen. De Man zegt 0.a.:

„Ik wil dit maar illustreren met een enkel voorbeeld, dicht bij huis. Henri Pirenne, onze grote Belgische geschiedschrijver, erkende de klassenstrijd, maar was noch socialist, noch marxist. Hij was heel zeker niet de droge historicus, die menselijke verschijnselen bestudeerde, alsof hij vlindertjes op een plank spelde. Hij zou niet zo veel begrepen hebben, indien hij niet zo veel warme, menselijke sympathie had gevoeld voor de mensen, wier eeuwenlang en taai streven naar een beter en hoger bestaan hij zo prachtig heeft geschilderd. Hij voelde respect voor de prestaties van het socialisme en hij geloofde aan zijn toekomstscheppende kracht ofschoon hij meende, dat die toekomst er waarschijnlijk tamelijk anders zou uitzien dan de meeste socialisten zich dat voorstellen. Maar hij was geen partijman, en wou zich met geen partijdoeleinde of geen partijlesr vereenzelvigen.

Tegenover het marxisme stond hij nog afwijzender. Ik geloof niet, dat iemand zijne opvattingen desaangaande beter kent, dan ik, zijn oud-leerbng en langjarige medewerker, omdat ik sedert de tijd (1907) toen ik zelf hem nog tot het marxisme trachtte te bekeren, tot kort vóór zijn dood daarover met hem eindeloze en hartstochtelijke twistgesprekken heb gevoerd, dikwijls tot laat in de nacht. Welnu, zijne opvatting kwam hier op neer: „Marx heeft gelijk gehad, de zeer grote betekenis van de klassenstrijden —• en van de economische factoren in ’t algemeen in de geschiedenis in ’t licht te stellen, al heeft hij daarbij ook soms wat aan eenzijdigheid en overdrijving gezondigd. Ik erken die betekenis, en heb in mijn eigen onderzoekingen steeds getracht, alles door economische oorzaken en klassentegenstellingen te verklaren, wat mij daardoor verklaarbaar leek. Maar omdat ik mij van een methode van onderzoek heb bediend, die vooral door Marx werd voorgestaan, ben ik nog geen marxist. Ik ga niet mee met Marx, wanneer hij uit de leer van de economisch gefundeerde klassenstrijd een filosofie maakt, die al het historisch gebeuren uit economische oorzaken en alle politiek uit klassenbelangen wil afleiden. Ik zie daarnevens ook andere oorzaken aan het werk, en blijf overigens als historicus bij mijn leest, die niet die van wijsgeer of politicus is.”

De motieven tot het socialisme

Uit hetzelfde artikel van De Man nog een aanhaling, waarmee wij geheel Instemmen:

„De waarheid is, dat het socialisme reeds lang opgehouden heeft, de zaak van een enkele klasse te vertegenwoordigen. De waarheid is voorts, dat het daarbij uitgaat van doelstellingen, die al hebben zij ook lang'

in hoofdzaak de verheffing van de arbeidersklasse gediend uit geen enkel bijzonder klassebelang af te leiden zijn. De waarheid is ten slotte, dat de socialistische gedachte en de socialistische politiek, in het tegenwoordige tijdperk, meer en meer ingegeven zijn door gevoelens van maatschappelijke rechtvaardigheid en redelijke ordening, die overeenstemmen met het algemeen belang der volken en der mensheid.”

RADIO-OMROEP

EEN SPIEGEL VAN HET LEVEN?

Is er wel een onderwerp aan te wijzen, waarmee de omroep zich in de loop der jaren niet heeft bezig gehouden? Nauwelijks. Alles probeert de radio in zich op te nemen; zij werpt zich op alles om zich tot allen te kunnen richten. De omroep wil niet achterblijven bij de krant. (Alhoewel het duidelijk is, dat hij de krant nooit zal kunnen verdringen). Sinds lang zijn in het radio-programma ingeburgerd: speciale vrouwen- en kinderuurtjes, uitzendingen voor boeren en tuinders, sportprogramma’s, toeristenvooriichting, weervoorspellingen en nieuwsberichten. De omroep geeft advies aan schakers en bridgers; verschaft keukenrecepten; beantwoordt alle mogelijke en onmogelijke vragen; organiseert „puzzle-clubs” en wat dies meer zij.

Uit de meest onderscheiden gewesten des lands vinden streekuitzendingen plaats, die echter vaak op een peil staan, dat geen peil meer is. Opmerkelijk goed zijn daarentegen vaak de Esperanto-uitzendingen. (Vooral de V.A.R.A. onderscheidt zich in dit opzicht). Esperanto-programma’s hebben zich allengs een plaats op de meeste Europese stations veroverd. Natuurlijk met uitzondering van die in de fascistische dictatuurstaten.

Veel stations voelen zich geroepen, speciale uurtjes voor zieken en huiszittenden samen te stellen. Gewoonlijk wekken zij een medelijdende glimlach of ergernis op. Saai, prekerig en zeurderig is de geestelijke kost, die men de toch al lijdende zieken meent te moeten voorzetten. Meer dan eens heb ik opgemerkt, dat zieken, die de hele dag naar een radio-programma geluisterd hadden, een ander station aanzetten, als A.V.R.O. of K.R.O. met hun bijzondere uurtjes voor zieken voor de draad kwamen. „Van dat gezemel word je nog beroerder dan je al bent. Het maakt je wee”; was het ongezouten oordeel van enkele bedlegerigen.

Nog een enkel woord over de uitzendingen voor werklozen van de V.A.R.A. Meestal worden deze uitzendingen door de betrokkenen zelf zeer gewaardeerd. Een andere vraag is echter, of men jaar in jaar uit week aan ■v(;eek met werklozen kan spreken over onderwerpen, die speciaal de werkloosheid betreffen. Men praat het onderwerp dood, waardoor men gedwongen is, de voordrachten als kauwgummi uit te rekken. Men spreekt en men heeft niets te vertellen. (Is er iets ergers denkbaar voor een spreker...?) Enige tijd geleden bracht de V.A.R.A. enkele reportages uit het leven van werklozen. Hun antwoorden waren vaak bitter, wanhopig, af en toe sarcastisch. Maar, hoe eentonig waren de vragen van den radio-reporter. Telkens weer: „Ik kan me voorstellen, dat het zeer moeilijk is,” „Ik kan me voorstellen, dat dit voor u erg moeilijk is.” „Ik kan me voorstellen, dat u met veel moeilijkheden te kampen hebt.” Of de vraag aan een jongen in een cursus voor werklozen: „Bent u werkloos?” Waarop de jongen prompt antwoordde: „Natuurlijk, anders zou ik niet hier zijn!”

Maar dat de omroep zich geregeld met het lot der werklozen bezig houdt, wordt door hen wel gewaardeerd. De overtuiging: „Ze hebben ons niet vergeten”, mag hen niet ontnomen worden. Zij zijn niet „minderwaardig” omdat een waanzinnig systeem hen van hun arbeid beroofd heeft. Dit gevoel moet bij hen versterkt worden. En de omroep is hierbij een onontbeerlijk middel.

„Lekenrechtbank” van de V.A.R.A. en „Naamraadspel” van de A.V.R.0., beginnen tot de populairste uitzendingen te behoren. Is de de laatste tijd ietwat vervelend wordende

„Lekenrechtbank” vooral karakteristiek voor de mentaliteit van vele Nederlandse luisteraars het „Naamraadspel” getuigt van het gebrek aan ontwikkeling en kennis, waaraan velen mank gaan.

LUISTERAARS OVER HET HOORSPEL

De criticus verkondigt zijn mening over het hoorspel. In hoeverre komt zij overeen met die van den gemiddelden luisteraar? Ik maakte mij op om op deze vraag een antwoord te krijgen en wendde mij derhalve tot enige personen met de volgende vragen: „Wat is het beste hoorspel, dat gij gehoord hebt? Wat beschouwt ge als een der slechtste? En wat verwacht ge van het hoorspel?”

Op vraag 1 antwoordde: Een werkloze: ~’s Keizers koelies” (Uit de BLiitsP revolutietijd). Een arbeider: „De strijd om de gele duivel” (Mensen offeren zich op om zieken te redden). Een functionaris van het Instituut: „Doos van Pandora” (Meispel). Een schrijver: Radiobewerking van Shaws „Candida”.

Een arbeidersvrouw: „Wording” (Veertig jaar arbeidersbeweging). Een kantoorbediende: Radiobewerking van Heyermans’ „De vliegende Hollander”. Een winkelier: „Radiobewerking van Heyermansstukken.” Op vraag 2 antwoordde: Een werkloze: „Charlie Chan” en dergelijke flauwe kul. Een arbeider: „Cha-a-arlie Channn!”

Een functionaris van het Instituut: „Detective-spelletjes met vervolg.” Een schrijver: „Oude hoorspelen van C. de Dood.” (In de laatste tijd slechts hoogst zelden naar radio-uitzendingen geluisterd). Een arbeidersvrouw: „Daarover weet ik niets te zeggen.” Een kantoorbediende: „Als een hoorspel me niet direct interesseert, schakel ik op een ander station over.” Een winkelier: „Detective-spelen met veel tam-tam.”

Op vraag 3 antwoordde: Een werkloze: „Taferelen uit de bevrijdingsstrijd der mensheid.” Een arbeider: „Het hoorspel? Een kunstvorm van onze tijd en van de toekomst. Ik verwacht van het hoorspel een nieuwe ontwikkeling van de dramatische kunst. Het moet opkomen voor de menselijkheid, die nu vertrapt wordt.” Een functionaris van het Instituut: „Het

hoorspel lijkt mij een geschikt middel om ons op boeiende wijze met het leven van grote kunstenaars bekend te maken.” Een schrijver: „Bewerking van sagen en legenden.” Een arbeidersvrouw: „Eenvoudige taferelen uit ons leven en uit dat van onze beweging.” Een kantoorbediende: „Het hoorspel mag m.i. niet té dramatisch zijn. Het moet meer beschouwend zijn. Op de meest eenvoudige manier moet het ons op de hoogte brengen van het leven van grote uitvinders, medici, kunstenaars.”

Een winkelier: „Hoorspelen uit het ieven van eenvoudige mensen, die ons nader tot ons zelf brengen.”

„Waarom wordt een goed hoorspel niet herhaalde malen uitgezonden?”, was een vaak wederkerende vraag. Belangrijk is de bezetting der rollen; spelers met een uitmuntende voordracht, kunnen een op zich zelf niet al te sterk hoorspel tot een belevenis maken, werd door enkelen beweerd.

Als we bovenstaand lijstje bekijken, komen we tot de gevolgtrekking, dat uit de antwoorden van deze zeven luisteraars, die uit verschillende groepen der bevolking komen, in het algemeen een goed ontwikkelde smaak spreekt. Opvallend is de gelijkluidende beantwoording van de tweede vraag met „Charlie Chan en dergelijke flauwe kul” In ieder geval kunnen wij vaststeilen, dat ook hier te lande het hoorspel zich een vaste plaats begint te veroveren. AUDITOR.