is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 44, 05-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de kerkelijke Trereid

Hel Wereldcongres Tan de Ciiris> lelijke Jengd Ie Amslerdam

Elders in dit of in het volgende nummer zal een deelnemer uitvoerig ingaan op wat het Wereldcongres hem gaf. Hier volgt slechts een voorlopige indruk, die aanleiding geeft om iets te zeggen over de situatie van het Christendom.

Daar zaten wij dan in het Concertgebouw. Op het podium. Straks zou de openingsdienst beginnen. Geroezemoes, als voor een concert. De zaal dwingt niet tot eerbied, want zij heeft een zelfbewuste burgerlijke stijl. Hoe eredienst ook vormen in architectonisch opzicht vraagt, wordt men zich hier eerst recht bewust.

De zaal is goed bezet. Niet stampvol. Sommige rode plekken duiden op vertragingen of definitieve afwezigheid van congressisten. Op Het podium zitten, behalve pers en „visitors” een compacte massa van 200 Amerikanen. Haast schrijf ik: Zij tronen triomfantelijk op het podium, en maken, dat de Engelse taal nog eens extra nadrukkelijk gehoord wordt.

Voor de dienst begint doet Dr. Visser ’t Hooft, een der organisatoren, een paar mededelingen van niet liturgische aard aan het Congres: in de drie moderne talen bindt hij allen op het hart, niet één onverantwoordelijke uitdrukking te gebruiken. Vooral zij, die tevens deelnemers zijn, en dus toegang hebben tot de besloten discussiegroepen, moeten zich wel zéér in acht nemen. Want in deze tijd is een woord spoedig teveel gezegd ...

En dan volgt de dienst. De eerste eredienst. Prachtige liederen, een liturgie, waar vaart achter zit, een Engelse preek, meer godsdienstwijsgerige verhandeling dan getuigenis, en tenslotte hebben wij samen hardop, allen in eigen taal, het Onze Vader gebeden, onhollandsopenhartig. Zang en gebed dat had ons gebonden, voor ’t overige was er een afstand gebleven. Het kon ook moeilijk, zo’n eerste dag.

Tijdens de dienst en lang daarna bleven de aanvangswoorden in herinnering: pas op, zeg niets onverantwoordelijks, wees niet te openhartig. Ik heb die woorden op zichzelf niet erg gevonden. Het Congres moest goed eindigen. Aan conflicten heeft niemand iets, vooral niet, indien ze in domheid begaan worden. Maar toch, o, die voorzichtigheid, die beperkingen, die angst om iets te veel te zeggen. Hoezeer zit daar het feit van wederzijds wanbegrip van christenen onderling achter. En ook het feit, dat het christendom zeer van de wereld afhankelijk is.

„Christus Victor” was de leus van het Congres. Christus moet overwinnaar zijn. Ja, dat is het verlangen van allen, die van ver en van nabij komen. Maar nu, hier, aan de aanvang van alle spreken: oppassen! Want de „wereld” luistert immers niet om te gehoorzamen, maar om niet geïrriteerd te worden.

Het is te hopen, dat alle Christelijke jeugd eenmaal zo zal kunnen spreken, dat de wereld niet meer loert op het onvertogen woord, maar luistert naar dat andere woord: „Christus Victor”.

Begriploze eenheidsfroiiterij

Het tijdschrift van de communistische jeugd in Engeland, „Challenge” (De Uitdager), publiceerde 1 Juli een artikel van den algemenen secretaris van de „Young Communist League”, Joan Gollan, dat tot de christelijke jeugd van alle landen gericht is. In dit artikel wordt eerst het voor de oecumenische wereldconferentie te Amsterdam voorbereide rapport „De christelijke gemeenschap en de moderne wereld” vol waardering besproken, en instemming betuigd met de critiek op de moderne maatschappijordening. Daarbij aansluitend, betreurt de communistische jeugdleider de in het rapport genoemde oplossingen der sociale misstanden, omdat het enige systeem, „dat een christelijke jeugd, die belangstelling heeft voor de heroriëntering in socialistisehe zin moet aanvaarden, het in de Sowjet-Unie ingevoerde Communisme is”.

„Wij jonge Communisten”, zo gaat het

artikel verder, „verklaren opnieuw, dat wij samen met de christelijke jeugd het probleem van de vrede en van de maatschappelijke vooruitgang willen aanpakken; maar tevens geven wij de op de Amsterdamse Wereldconferentie vergaderde christelijke jetCgd te bedenken, dat de enige oplossing van het maatschappelijke probleem het Socialisme is”.

Welk een krachtsverspilling is zo’n artikel! Zeker, de schrijver heeft zijn deel van gelijk. Slechts een socialistische ordening biedt uitkomst uit de huidige maatschappelijke chaos. Maar de christelijke jeugd kan zich dat niet laten zeggen door hen, die menen, dat alleen het probleem van de maatschappelijke vooruitgang aangepakt moet worden. Niet in naam van de vooruitgang, maar op grond van christelijke verantwoordelijkheid zal de christelijke jeugd tot de oplossing van de maatschappelijke problemen moeten komen. Samen strijden met niet christelijke socialisten, daar zal de christelijke jeugd, als zij de wereld niet alleen wil bewenen, maar haar ook wil veranderen, wel toe moeten komen. Maar niemand mag verwachten, dat zij zal samenwerken met hen, voor wie het christendom een verdampende ideologie is.

Het falen van de Communisten is voor een belangrijk deel hierin gelegen, dat zij een theorie hebben, die hun de weg tot dieper verstaan van den tegenstander afsluit. Zij zijn sterk, zolang zij zelfstandig kunnen strijden, zij worden lachwekkend, als zij gaan dingen naar de vriendschap van hen, die zij zelfs de moeite niet waard vinden naar hun wezen te kennen.

Cijfers uit de Verenigde Staten Tan Noord'Vmerika

Ziehier enige cijfers over de kerkelijke verhoudingen in de U.S.A.

Van de ongeveer 125 millioen inwoners waren er eind 1938 64 millioen aangesloten bij een christelijke kerk. Dat is één millioen méér, dan in 1937. Gedetailleerd zijn de cijfers aldus: grotere protestantse kerken, 36 millioen, kleinere 1.600.000. R.K. Kerk 21 millioen. Grieks-Orthodoxe kerken 1 millioen.

Tot de Joodse gemeenten behoren tussen drie en vier millioen mensen. Het aantal kerkgebouwen steeg in één jaar met 1700 en is nu bijna 250.000. L. H. RUITENBERG.

Home en Franco

Vanuit een diepe, teleurgestelde liefde schrijft George Bernanos nog eens over Spanje. Deze grote katholieke schrijver heeft Franco aan het werk gezien te Majorca en hij schreef zijn felle aanklacht tegen de katholieken, die met Franco dweepten: Les grands cimetières sous la lune”. Uit zijn laatste boekje ~Scandale de la vérité” proberen we een bladzij te vertalen. Het is de stem van een minderheids-katholiek.

„Ik heb genoeg van al deze leugens. Men vervloekt het totalitaire afgodsbeeld te Berlijn, men duldt het te Rome, men verheerlijkt het te Burgos. Denkt men soms, dat wij stommerikken zijh? In naam van den duivel rechtvaardigt Hitler in Duitsland de geest van de oorlog, maar Mussolini beoefent te Rome eenzelfde welsprekendheid en dan klapt de fascistische geestelijkheid in de handen. Zeker, de abjecte oorlog van Abessinië, de uitvaardiging van het abjecte Keizerrijk de Koning van Italië moest eigenlijk zijn keizerrijk maar plechtig toewijden aan Onze Lieve Vrouw van het Dynamiet dit alles is niet de eerste misdaad in Europa. Maar het is wel de eerste maal, dat een katholieke natie, het vaderland van den Opperherder en beschikkend over een geweldige invloed in de kerk, dank zij het abormaal aantal van haar kardinalen, cynisch pocht, dat ze het Internationale recht voor een schijnheilige overeenkomst houdt en met kanonschoten verkondigt het „alle middelen zijn goed” van Ch. Maurras. Destijds ergerden zich over deze uitspraak allerlei

schijnheiligen, die vandaag u meelokken naar een vensternis om u vertrouwelijk in te fluisteren met een laffe glimlach: „We weten wel, dat die Franco nog al erg moordt, maar dat hadt u niet moeten zeggen”. Zulke lieden krijgen me niet eens meer kwaad. Ik voel tegenover hen zelfs een zekere tederheid, een soort van medegevoel weliswaar een beetje teleurgesteld, eenzelfde gevoel als een eenzaam oud man op een winteravond, als de regen het asfalt modderig maakt. Er valt al een regen van bloed op deze spookgestalten. Nog enkelQ maanden en in de ontzettende beproeving, die de wereld dan mee zal maken, zal het type van deze kleine, listige diplomatieke monsignori, met hun dikke vingertjes en spitse glimlach, even vreemd blijken in de kerk als ten tijde van Sint Petrus. Zie eens hier: u komt ons nu wel opleggen om het bestaan van deze tussenpersonen te verdragen in naam van de tijdelijke behoeften der kerk, u kunt me niet verbieden dat ik hartgrondig wens, dat een goede dag deze parasieten overbodig blijken en gemakkelijk op te ruimen. Zeker, ik weet het wel: „Deze monsignori zijn de kerk”. En wij, arme duivels, gelovig of ongelovig, wij zijn het, die de wereld uitmaken, waarmee de eeuwige kerk hen opdraagt te onderhandelen. Daarom dan ook hebben we volkomen het recht onze opvatting uit te drukken over deze onderhandelaars, die bestaan ten onzen gerieve. Wel nu: ze bevallen ons helemaal niet! Ze overtuigen ons nog minder! Waar dienen ze eigenlijk voor? Nergens! Ze behoren tot een afgeschaft tijdperk en zijn in hun soort even ouderwets als de „garde Noble” of de Zwitserse garde van het Vaticaan. Met dit verschil, dat geen een Paus de inval zal krijgen, om deze soldaten, door de eeuwen veranderd tot museumbewakers, ernstig op te vatten. Terwijl het bestaan van de anderen slechts op een misverstand berust.

Wij begrijpen heel goed, dat een Hogepriester aldus kan redeneren: „Al die sllmmelingen kosten veel, dienen nergens toe en zijn me helemaal niet sympathiek. Ik zeg hun wel een helder woord van waarheid, maar ze verstaan de kunst het in rozig kaarsvet om te smelten. Ongelukkigerwijze zijh onze arme kinderen nu eenmaal verzot op rozig kaarsvet”. En de Christenen op hun beurt denken: „Wat een raar werk doen tussen de vertwijfelde volkeren al die handelaars in rozig kaarsvet, die bij gebrek aan kopers hun eigen fondsen opteren. Maar ja! De Paus schijnt er nog al van te houden, en als wij eerlijk zeggen, dat wij er een hekel aan hebben, dan doen we misschien verdriet aan onzen Heiligen Vader”. Maar dat kan toch niet duren!”

Het Bijbels onderwerp in de Nederlandse Kunst

Een gebeurtenis in het kunstleven van Amsterdam is de Tentoonstelling „Bijbelse Kunst”, welke gedurende de zomermaanden in het Rijksmuseum gehouden wordt en welke voor het gehele land van grote betekenis geacht kan worden.

Deze tentoonstelling, gewijd aan de Voorstellingen der Bijbelse Verhalen, zoals men ze aantreft In de oude Nederlandse Schilderkunst, Graphlek, Beeldhouwkunst en Kunstnijverheid, ondervindt door de nieuwheid van haar opzet en door haar bijzondere geestelijke inhoud belangstelling van vele zijden. Men beseft hoezeer de verhalen uit het Oude en uit het Nieuwe Testament voor de Nederlandse kunstenaars uit het verleden een onultputtelljke bron van inspiratie zijn geweest.

Door het doen houden van rondleidingen door deskundigen en door het Instellen van speciale faciliteiten voor groepsbezoek heeft het organiserend comité dezer tentoonstelling gemeend het de belangstellenden van alle gezindten mogelijk te maken op aantrekk.lljke en instructieve wijze te ervaren, hoe In vroeger eeuwen de band tussen Godsdienst en Kunst In Nederland tot treffende resultaten heeft geleid.

De tentoonstelling Is lederen werkdag geopend van 10—5 uur. Zondags van I—s1—5 uur. Woensdagen Zaterdagavonds van B—lo uur. De toegangsprijs bedraagt ƒ 0.60 overdag en ƒ 0.50 ’s avonds. lederen Dinsdag en Vrijdag algemene rondleidingen van 5—6 uur.

Voor groepen van meer dan 20 personen is het entree verlaagd tot ƒ0.35 p.p. Deze worden verzocht hun komst van te voren te melden. Desgewenst bestaat de gelegenheid om deskundige voorlichting te ontvangen.